Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep inzake ambtshalve ontslag van verzoekster als bewindvoerder en mentor en aansprakelijkheid voor onrechtmatige schenkingen. Hof oordeelt dat verzoekster tekortschiet in de zorg van een goed bewindvoerder door zonder machtiging boven de fiscaal vrijgestelde bedragen te schenken; terugbetaling € 43.200,92 (deels reeds voldaan) blijft in stand en ontslag als bewindvoerder blijft in stand wegens gewichtige redenen. Ontslag als mentor wordt vernietigd; verzoekster wordt opnieuw tot mentor benoemd.| Datum publicatie | 01-04-2026 |
| Zaaknummer | 200.357.834/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Tuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid bewindvoerder/curator; Meerderjarigenbescherming |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Ontslag bewindvoerder wegens gewichtige redenen, geen toestemming schenkingen boven de maximale fiscaal vrijgestelde bedragen, ontslag mentor in hoger beroep ongedaan gemaakt.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.834/01
zaaknummers rechtbank: 11565269 BM VERZ 25-673 en 11631425 MB VERZ 25-216 .
beschikking van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak van
[verzoekster] ,
voormalig bewindvoerder en mentor
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: verzoekster,
advocaat: mr. R. van Gils-Lessy te Tilburg,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
1. [de moeder] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] , de moeder van verzoekster, hierna: ‘betrokkene’;
2. [X] Bewindvoering B.V., de huidige bewindvoerder en mentor, gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: ‘[X] Bewindvoering’,
3. [dochter 2] , wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] , dochter van rechthebbende hierna: ‘ [dochter 2] ’
4. [dochter 3] , wonende te [plaats C] (Verenigde Staten), dochter van rechthebbende hierna: ‘ [dochter 3] ’.
1De zaak in het kort
De zaak gaat over het ambtshalve ontslag van verzoekster als bewindvoerder en mentor
en over de vraag of verzoekster als bewindvoerder jegens betrokkene aansprakelijk is omdat zij in de Zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten en daarom een bedrag van
€ 43.200,92 aan haar dient terug te betalen.
De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar heeft in een beschikking van 6 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) ambtshalve vastgesteld dat verzoekster in haar taak als bewindvoerder toerekenbaar is tekortgeschoten en haar veroordeeld tot (terug)betaling aan rechthebbende van een bedrag van € 43.200,92. De kantonrechter heeft verzoekster ook ambtshalve ontslagen als bewindvoerder en mentor. Verzoekster is het daarmee niet eens en wil dat zij de bewindvoerder en mentor blijft. Volgens verzoekster voerde zij het bewind goed uit en is een wisseling van mentor niet goed voor de gezondheid van betrokkene.
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op juiste gronden heeft geoordeeld dat verzoekster in haar zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten en dat zij ook op juiste gronden als bewindvoerder is ontslagen en is veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 43.200,92 aan betrokkene. Het ontslag van verzoekster als mentor van betrokkene wordt vernietigd en verzoekster wordt opnieuw tot mentor benoemd.
2De procedure in hoger beroep
Verzoekster is op 5 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van verzoekster van 19 augustus 2025 met productie 2 t/m 6,
- een bericht van de zijde van verzoekster van 2 oktober 2025 met productie 7,
- een bericht van de zijde van verzoekster van 13 november 2025 met productie 8 en 9,
- een bericht van de zijde van verzoekster van 26 januari 2026 met productie 10,
- een e-mail bericht van [dochter 3] van 29 januari 2026,
- een e-mail bericht van [X] Bewindvoering, ontvangen tijdens de zitting op 9 februari 2026,
- een e-mail bericht van [X] Bewindvoering, ontvangen op 11 februari 2026.
De zitting heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-verzoekster, bijgestaan door haar advocaat,
- [dochter 2] ,
-[X] Bewindvoering, vertegenwoordigd door mevrouw [naam ] , die gedurende een deel van de zitting aanwezig was, dit via een beeldbelverbinding.
Op 13 februari 2026 heeft de oudste raadsheer betrokkene gehoord bij haar thuis te [plaats A] . Van dit gesprek is een proces-verbaal opgemaakt dat aan de advocaat is toegezonden. Daarbij is zij in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het gespreksverslag. Van mr. Van Gils-Lessy is geen reactie ontvangen.
3De feiten
Betrokkene is geboren [in] 1933 te [plaats D] . Zij heeft drie dochters, te weten [verzoekster] (verzoekster), [dochter 2] en [dochter 3] .
De echtgenoot van betrokkene is [in] 2021 overleden.
Bij beschikking van 29 april 2021 is door de kantonrechter op het verzoek van verzoekster een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van betrokkene wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand. Bij beschikking van diezelfde datum is eveneens op het verzoek van verzoekster een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene. Verzoekster is benoemd tot bewindvoerder en mentor.
Op 1 september 2022 heeft verzoekster voor betrokkene zorg aangevraagd op grond van de Wet langdurige zorg. Het CIZ heeft daarop een indicatiebesluit genomen op 18 oktober 2022, inhoudende: 24-uurszorg, beschermd wonen met intensieve dementiezorg,
Vanaf augustus 2021 woont betrokkene zelfstandig in een woning op het erf van verzoekster.
In 2022 is zonder toestemming van de kantonrechter vanuit het vermogen van betrokkene een bedrag aan de dochters geschonken van € 29.400,- per persoon (totaal € 88.200,-). Vanwege de ontbrekende toestemming van de kantonrechter is dit bedrag op last van de kantonrechter door verzoekster in 2023 teruggestort op een bankrekening van betrokkene.
Verzoekster heeft op 16 oktober 2024 rekening en verantwoording over het jaar 2023 afgelegd. Bij brief van 14 november 2024 heeft de griffier verzocht om een nadere toelichting over onder meer de post cadeaus € 29.626,13. Verzoekster heeft daarop bij brief van 27 november 2024 gereageerd.
Op 4 februari 2025 heeft verzoekster rekening en verantwoording afgelegd over het jaar 2024. Uit deze rekening en verantwoording blijkt dat in het jaar 2024 uit het vermogen van rechthebbende een bedrag van € 17.574,79 is besteed aan cadeaus.
Naar aanleiding van de rekening en verantwoording over het jaar 2023 heeft op 6 februari 2025 op initiatief van de kantonrechter een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze behandeling heeft de kantonrechter ook de rekening en verantwoording over het jaar 2024 aan de orde gesteld.
Uit de rekening en verantwoording over de jaren 2023 en 2024 blijkt dat er uit het vermogen van rechthebbende met toestemming van de kantonrechter giften en schenkingen (tot de maximaal fiscaal vrijgestelde bedragen) zijn gedaan van € 28.401,- en € 30.195,-.
4De bestreden beschikking en de omvang van het hoger beroep
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking:
- ambtshalve vastgesteld dat verzoekster in haar taak als bewindvoerder toerekenbaar is tekortgeschoten;
- de schade die rechthebbende hierdoor heeft geleden ambtshalve vastgesteld op een bedrag
van € 43.200,92;
-
verzoekster veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 43.200,92, via [X] Bewindvoering, aan betrokkene, uiterlijk te voldoen 1 oktober 2025;
-
verzoekster per 6 mei 2025 ontslagen als bewindvoerder en mentor van betrokkene; en
-
[X] Bewindvoering per 6 mei 2025 benoemd tot nieuwe bewindvoerder en mentor;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
Verzoekster verzoekt de bestreden beschikking geheel te vernietigen en, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende, de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan betrokkene onder bewind te stellen en verzoekster tot bewindvoerder te benoemen alsmede verzoekster tot mentor te benoemen, althans een zodanig beslissing te nemen als het hof juist acht.
5De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Artikel 1:444 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
In artikel 1:448, eerste lid aanhef en sub e en tweede lid, BW – voor zover thans van belang - is bepaald dat de bewindvoerder door de kantonrechter ambtshalve ontslag kan worden verleend met ingang van een door de kantonrechter te bepalen dag wegens gewichtige redenen.
Artikel 1:461, eerste lid aanhef en sub e en tweede lid, BW - voor zover thans van belang - bepaalt dat de mentor door de kantonrechter ambtshalve ontslag kan worden verleend met ingang van een door deze te bepalen dag wegens gewichtige redenen.
Standpunt verzoekster
Verzoekster kan zich niet vinden in het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van gewichtige redenen op grond waarvan zij ambtshalve moest worden ontslagen als bewindvoerder en mentor. In de jaren vóór de instelling van het bewind was het voor betrokkene en haar echtgenoot heel gebruikelijk om de kinderen en kleinkinderen financieel te helpen. De ouders hebben alle drie de dochters financieel geholpen met het aanschaffen van een eigen woning, zij gaven veel (grote) cadeaus en vanaf 2017 ontvingen de kinderen en kleinkinderen de jaarlijkse belastingvrije schenking. Volgens verzoekster was het de wens van betrokkene dat na de instelling van het bewind deze financieel ruimhartige houding zou worden voortgezet. Verzoekster heeft als bewindvoerder gehandeld in lijn met die wens en zij was daarom als bewindvoerder gul in het geven van giften aan de zussen, zichzelf en de kleinkinderen bij gelegenheid van geboortes, bruiloften, verjaardagen en sinterklaas.
Verzoekster heeft altijd in goede harmonie en in goed overleg met haar zussen en in het belang van betrokkene gehandeld. Terugbetaling van het bedrag van € 43.200,92 is niet in het belang van betrokkene. Zij heeft een aanzienlijk bedrag op haar spaarrekening staan en zij ontvangt maandelijks een ouderdomspensioen en AOW-uitkering ter hoogte van circa € 2.800,-, hiermee kan betrokkene ruimschoots haar kosten voldoen. Rechthebbende heeft geen schade geleden; er zijn ook geen schulden ontstaan. Mocht toch sprake zijn van een tekortkoming, dan kan die haar, aldus verzoekster, niet worden toegerekend. Het is volgens verzoekster bovendien in strijd met de redelijkheid en billijkheid als dit bedrag zou moeten worden terugbetaald, mede omdat verzoekster in de jaren 2022, 2023 en 2024 niet goed en volledig op de hoogte was van de regels omtrent bewindvoering.
Met betrekking tot haar ontslag als mentor voert verzoekster aan dat uit niets is gebleken dat zij op het vlak van de bescherming van de niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene is tekortgeschoten. Verzoekster heeft alles op het gebied van zorg voor betrokkene geregeld. Zo heeft zij in het belang van betrokkene en in overleg met haar zussen gekozen voor de bouw van een mantelzorgwoning op haar erf, waardoor betrokkene met mantelzorg ‘zelfstandig’ kan wonen en toch heel dichtbij is voor hulp, gezelligheid of een praatje. Verder heeft verzoekster er voor gezorgd dat betrokkene vijf dagen per week naar de dagbesteding gaat en heeft zij twee keer per maand in het weekend een ZZP'er ingeschakeld om rechthebbende extra actieve en persoonlijke zorg te geven. Tot slot gaat verzoekster dagelijks bij betrokkene langs, gaan ze er samen vaak op uit en eten ze op zaterdag en zondag met elkaar.
Standpunt van [dochter 2] en [dochter 3] .
[dochter 2] en [dochter 3] benoemen dat verzoekster altijd in het belang van betrokkene heeft gehandeld. Zij zien graag dat verzoekster weer tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd.
Standpunt [X] Bewindvoering
[X] Bewindvoerder staat achter het verzoek om verzoekster opnieuw te benoemen als bewindvoerder en mentor van betrokkene. De bewindvoerder heeft vertrouwen in de manier waarop verzoekster de vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene heeft behartigd. De giften zijn gedaan door onwetendheid rondom de regels over de bewindvoering en er is geen sprake van misbruik door verzoekster. Als huidige mentor heeft [X] Bewindvoering kunnen vaststellen dat betrokkene zeer goed wordt verzorgd door verzoekster en dat er geen enkele reden is om verzoekster niet weer tot mentor te benoemen.
De beoordeling door het hof
Bewind
Verzoekster heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat betrokkene wilsonbekwaam is en dat verzoekster als bewindvoerder vooraf een machtiging nodig heeft voor beschikkingshandelingen. Gelet op de inhoud van de CIZ indicatiebesluit van 18 oktober 2022 (24-uurszorg, beschermd wonen met intensieve dementiezorg) en de eigen waarneming door het hof op 13 februari 2026 van de geestelijke toestand van betrokkene, is ook het hof van oordeel dat betrokkene wilsonbekwaam is en dat de bewindvoerder vooraf een machtiging nodig heeft voor beschikkingshandelingen.
Bij de beantwoording van de vraag of verzoekster toerekenbaar is tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder benadrukt het hof dat de bewindstaak in beginsel conserverend van aard is. Het zijn andermans goederen waarover de bewindvoerder het bewind voert. De bewindvoerder kan niet volstaan met het aanwenden van de zorg die hij ten opzichte van zijn eigen zaken aanwendt, maar de bewindvoerder moet in alle opzichten op de meest nauwgezette wijze zijn taak uitoefenen. Die taakuitoefening brengt met zich dat de bewindvoerder zorgvuldigheid, oplettendheid en voorzichtigheid aan de dag moet leggen. Voor zover geen specifieke belangen kenbaar zijn, zoals bijvoorbeeld een schenkingstraditie die moet worden voortgezet of wensen geuit in een levenstestament, behoort de bewindvoerder zich in de kern op het behoud van het aanwezige vermogen van de rechthebbende te richten.
Dat betekent niet dat uitgaven ten behoeve van rechthebbende zich altijd moeten beperken tot hoogst noodzakelijke uitgaven, zoals eerste levensbehoeften, wanneer daarvoor de financiële ruimte bestaat. Maar ook daarvoor geldt dat elke handeling die de bewindvoerder namens de rechthebbende verricht uiteindelijk in het belang van die laatste moet zijn.
Met betrekking tot schenkingen zijn de Aanbevelingen meerderjarigenbewind, curatele en mentorschap helder: ‘Voor schenkingen is toestemming van betrokkene nodig als hij zelf in staat is om beschikkingshandelingen uit te voeren (wilsbekwaam is) en dus zelf toestemming kan geven. Anders is een machtiging van de kantonrechter nodig. Voor het geven van de kleine verjaardags- en sinterklaascadeautjes is geen machtiging nodig. Als betrokkene wilsonbekwaam is, kan een verzoek om te schenken alleen worden toegewezen als een schenkingstraditie wordt aangetoond (…) (B.J1 van de Aanbevelingen).
Van een bewindvoerder mag worden verwacht dat hij niet alleen het dagelijkse financiële beheer op een correcte, transparante en verantwoorde wijze uitvoert, maar ook dat hij de kantonrechter in staat stelt voldoende en effectief het wettelijk aan de kantonrechter opgedragen toezicht te houden op dat beheer. Dit brengt mee dat de bewindvoerder tijdig, volledig en inzichtelijk verantwoording aflegt en waar nodig vooraf toestemming vraagt voor rechtshandelingen waarvoor die toestemming is vereist. Alleen op die wijze kan worden gewaarborgd dat het bewind overeenkomstig de wettelijke uitgangspunten wordt uitgevoerd.
Met betrekking tot schenkingen heeft de kantonrechter een zogenoemde schenkingstraditie aangenomen. Vanaf aanvang van het bewind is op verzoek van verzoekster telkens toestemming verleend voor het schenken van de maximale fiscaal vrijgestelde bedragen aan de dochters en de kleinkinderen. De kantonrechter heeft met het geven van deze toestemming rekening gehouden met de specifieke belangen van betrokkene. Geen toestemming is aan de kantonrechter verzocht, noch is die verkregen om daarnaast uit het vermogen van betrokkene nog meer bedragen te schenken. Verzoekster was daarvan op de hoogte, althans kon daarvan op de hoogte zijn want zij heeft de in 2022 zonder toestemming van de kantonrechter gedane extra schenkingen van in totaal € 88.200,- moeten terugbetalen aan betrokkene.
Desondanks heeft verzoekster in 2023, naast de fiscaal vrijgestelde bedragen, uit het vermogen van betrokkene een bedrag van in totaal € 29.626,13 overgemaakt aan, althans aangewend ten behoeve van haar zussen, de kleinkinderen en zichzelf en in 2024 een bedrag van in totaal € 17.574,79.
Uit hetgeen verzoekster heeft gesteld over de wensen van betrokkene over het beheer van haar vermogen heeft het hof niet kunnen afleiden dat het de wens van betrokkene is geweest om uit haar vermogen meer te schenken dan de fiscaal vrijgestelde bedragen. Aanwijzingen daartoe ontbreken en ook uit het gesprek met betrokkene heeft het hof een dergelijke verderstrekkende wens niet kunnen afleiden. Het hof is dan ook van oordeel dat verzoekster als bewindvoerder te ruimhartig is geweest met het schenken van geld en het doen van giften uit het vermogen van betrokkene. De extra uitgaven van in totaal € 47.200,92 acht het hof aanzienlijk ten opzichte van het totale vermogen van rechthebbende van circa € 250.000,-.
Op grond van het voorafgaande is het hof van oordeel dat verzoekster als bewindvoerder onvoldoende zorgvuldig is geweest bij de uitoefening van haar taak en dat zij in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten. Hoe goed de bedoeling van verzoekster bij haar taakuitoefening ook geweest moge zijn, verzoekster heeft zich onvoldoende gericht op haar kerntaak om het aanwezige vermogen van betrokkene zoveel mogelijk te behouden.
Dat verzoekster in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten als hiervoor overwogen betekent dat verzoekster aansprakelijk is jegens rechthebbende, tenzij het hof vaststelt dat de tekortkoming verzoekster niet kan worden toegerekend. Uit het vooroverwogene volgt dat de tekortkoming verzoekster kan worden toegerekend. Verzoekster heeft verder onvoldoende gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat dat anders is. De stelling dat zij een leek is op het vlak van bewindvoering kan haar niet baten. Vanwege het moeten terugbetalen van de in 2022 zonder toestemming van de kantonrechter gedane extra schenkingen van totaal € 88.200,- had verzoekster in 2023 en 2024 ermee bekend moeten zijn, althans redelijkerwijs bekend kunnen zijn dat zij voor het uit het vermogen van betrokkene doen van bedoelde uitgaven van in totaal € 47.200,92 ook toestemming aan de kantonrechter behoorde te vragen. Ook wist verzoekster vanaf aanvang van het bewind dat zij toestemming aan de kantonrechter moest vragen voor de schenkingen van de maximale fiscaal vrijgestelde bedragen. Dat verzoekster de schenkingen deed onder de noemer van ‘cadeau’ of ‘attentie’ en telkens in bedragen die – afzonderlijk – niet boven de € 2.000,- uitkwamen maakt dat niet anders.
Het hof volgt verzoekster niet in haar standpunt dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat zij het bedrag van € 43.200,92 moet terugbetalen. Het hof heeft, zoals hiervoor overwogen, niet kunnen vaststellen dat het de wens van betrokkene is geweest om uit haar vermogen telkens meer te schenken dan de fiscaal vrijgestelde bedragen. Zij heeft recht op terugbetaling van hetgeen daarboven – zonder toestemming – is weggeschonken. Dat betrokkene voldoende spaargeld heeft maakt dat niet anders.
Het hof volgt de kantonrechter in de berekening van het bedrag dat verzoekster via de huidige bewindvoerder aan rechthebbende moet terugbetalen en het hof acht het juist dat de kantonrechter voor de jaren 2023 en 2024 op het terug te betalen bedrag per jaar een bedrag van € 2.000,- in mindering heeft gebracht voor bestedingen van € 250 per (klein) kind. Duidelijk is geworden dat verzoekster van dit bedrag inmiddels € 14.400,30 heeft voldaan, zodat het resterende terug te betalen bedrag € 28.800,62 bedraagt.
Gelet op hetgeen ter zitting met verzoekster is besproken hecht het hof eraan te benoemen dat het de overtuiging heeft gekregen dat de handelingen van verzoekster niet waren gericht op zelfverrijking van haar of de kleinkinderen. Ook heeft het hof de overtuiging dat verzoekster als bewindvoerder de intentie heeft gehad om zo goed mogelijk te handelen in het belang van betrokkene. Met betrekking tot de schenkingen waarover het nu gaat moet het hof echter vaststellen dat verzoekster niet die nauwgezetheid en zorgvuldigheid heeft betracht die als bewindvoerder van haar verwacht mochten worden.
Alles overziend is het hof van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen op grond waarvan verzoekster terecht is ontslagen als bewindvoerder van betrokkene. [X] bewindvoering blijft hierdoor bewindvoerder van betrokkene hetgeen het hof ook in haar belang acht. Het bewind wordt naar behoren uitgevoerd en er is een goede samenwerking tussen de bewindvoerder enerzijds en betrokkene en de drie dochters anderzijds.
Mentorschap
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter uit haar bevindingen rondom de bewindvoering niet zonder meer tot het oordeel heeft kunnen komen dat ook gewichtige redenen aanwezig zijn om verzoekster als mentor te ontslaan. Na eigen onderzoek komt het hof tot het oordeel dat verzoekster de niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene op een zorgvuldige, betrokken, liefdevolle en rechtens juiste wijze behartigt. Het hof heeft geen enkele twijfel aan de goede verzorging door verzoekster van betrokkene en de behartiging van de niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene. Het hof is van oordeel dat er geen gewichtige redenen zijn voor het ontslag van verzoekster als mentor van betrokkene. Het hof zal de bestreden beslissing dan ook vernietigen als na te melden. Het hof zal om praktische redenen verzoekster opnieuw benoemen als mentor voor betrokkene op een termijn van twee weken, met ontslag van de huidige mentor per gelijke datum.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover daarbij de benoeming van [X] Bewindvoering B.V. verder strekt dan de periode tot 7 april 2026, en in zoverre opnieuw beschikkende:
ontslaat met ingang van 7 april 2026 [X] Bewindvoering B.V, [adres], als mentor;
benoemt met ingang van 7 april 2026 tot mentor ten behoeve van [de moeder] , geboren te [plaats D] [in] 1933:
[verzoekster] , wonende [A-straat] te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. F. Kleefmann en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
