Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding. Executiegeschil waarin is geoordeeld dat een verstekvonnis tegen eiser in hoedanigheid van executeur niet ten uitvoer mag worden gelegd tegen eiser in privé. Derdenbeslag op privérekening door erfgenamen was onrechtmatig; deurwaarders hoofdelijk aansprakelijk art. 6:166 BW. Opheffing beslag afgewezen omdat executie al is voltooid. Gedaagden veroordeeld tot staking verdere executie en tot terugbetaling van het geïnde bedrag met wettelijke rente. En in de proceskosten.| Datum publicatie | 01-04-2026 |
| Zaaknummer | C/10/712680 / KG ZA 25-1297 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Executeur nalatenschap; Familieprocesrecht; Executiegeschil / verz. schorsing uitv. bij voorr. |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Executiegeschil. Grotendeels toewijzing. Vonnis gewezen tegen executeur in hoedanigheid kan niet ten uitvoer worden gelegd tegen executeur in privé. Gedaagden veroordeeld tot staken verdere executie en terugbetaling al geïnde bedrag. Vordering tot opheffing van beslag afgewezen omdat executie al was voltooid.Volledige uitspraak
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712680 / KG ZA 25-1297
Vonnis in kort geding van 9 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. A.C. de Bakker,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
kantoor houdend in: [plaats] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen,
2. [gedaagde 2],
kantoor houdend in: [plaats] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen,
3. [gedaagde 3],
kantoor houdend in: [plaats] ,
4. [gedaagde 4],
woonplaats: Rotterdam,
5. [gedaagde 5],
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. J.H.J. Rijntjes.
Partijen worden hierna [eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] genoemd. [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] worden samen [gedaagden] . genoemd. Naar alle gedaagde partijen wordt hierna verwezen als gedaagden.
1De zaak in het kort
[eiser] is executeur in een nalatenschap. [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn erfgenamen in die nalatenschap. [eiser] is in zijn hoedanigheid als executeur bij verstekvonnis onder andere veroordeeld om onder druk van een dwangsom zijn verplichtingen als executeur in de nalatenschap na te komen. Volgens [gedaagde 4] en [gedaagde 5] is [eiser] deze veroordeling niet nagekomen. [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hebben vervolgens executoriaal derdenbeslag gelegd op een privébankrekening van [eiser] . [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] waren als deurwaarders bij die beslaglegging betrokken. In dit kort geding vordert [eiser] opheffing van het beslag, terugbetaling van de geïncasseerde gelden en staking van de executiemaatregelen. [gedaagden] . zijn het niet eens met de vorderingen van [eiser] . De voorzieningenrechter wijst de vordering om het beslag op te heffen af, omdat de executie al is voltooid. De vorderingen voor staking executie en om de geïncasseerde gelden terug te betalen worden wel toegewezen. Deze oordelen worden hierna uitgelegd.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 13 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 4;
-
de conclusie van antwoord van [gedaagden] .;
-
de akte overlegging producties van [gedaagden] ., met bijlagen 1 tot en met 27;
-
de mondelinge behandeling op 28 januari 2026;
-
de spreekaantekeningen van mr. De Bakker;
-
de pleitaantekeningen van mr. Rijntjes.
Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van [eiser] en [gedaagden] . aangehouden, zodat zij konden bezien of alsnog een regeling kon worden getroffen. Op 17 februari 2026 heeft de advocaat van [gedaagden] . de voorzieningenrechter verzocht vonnis te wijzen. De advocaat van [eiser] heeft dit verzoek op 23 februari 2026 onderschreven. De voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
3De feiten
[gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn erfgenamen van [erflater] (hierna: erflater). Erflater is overleden. In het testament van erflater is [eiser] als executeur in de nalatenschap van erflater aangewezen.
[gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn in 2024 een kort gedingprocedure gestart tegen onder andere [eiser] in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflater. Bij verstekvonnis van 9 december 2024 (hierna: het verstekvonnis) heeft de voorzieningenrechter het volgende beslist:
“De voorzieningenrechter:
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagden;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om met bekwame spoed hun verplichtingen als executeurs na te komen en de nalatenschap van erflater af te wikkelen;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om, binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, het legaat van eiseres sub 1. vast te stellen en uit te keren en de erfbelasting namens eiseres sub 2. te voldoen;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan eiseressen een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagden niet volledig aan de ín 4.3. uitgesproken veroordeling hebben voldaan. tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.348,97. te betalen
binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; als er betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, moeten gedaagden € 92,00 extra betalen. plus de kosten van betekening:
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.”.
[gedaagde 4] en [gedaagde 5] hebben het gerechtsdeurwaarderskantoor van [gedaagde 3] opdracht gegeven om tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis over te gaan. Er is vervolgens executoriaal derdenbeslag gelegd op de privébankrekening van [eiser] bij de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: de Rabobank). Hierbij heeft [gedaagde 1] het beslag gelegd en [gedaagde 2] heeft de overbetekening daarvan verzorgd. [gedaagde 2] is als kandidaat-gerechtsdeurwaarder toegevoegd aan [gedaagde 3] . De Rabobank heeft de beslagen gelden ten bedrage van € 22.013,36 overgemaakt naar het gerechtsdeurwaarderskantoor van [gedaagde 3] . Het bedrag is niet doorbetaald aan [gedaagde 4] en [gedaagde 5] .
4De vorderingen
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het door en namens gedaagden gelegde executoriale beslag onder de Rabobank ten laste van eiser opheft en gedaagden veroordeelt om de executiemaatregelen tegenover eiser te staken en gestaakt te houden en het reeds geïncasseerde bedrag van € 22.013,36 terug te betalen aan eiser, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
II. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Verstekverlening
Voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , die niet in de procedure zijn verschenen, geldt dat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, zodat tegen hen verstek wordt verleend. Omdat [gedaagden] . wel in de procedure zijn verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen dat voor alle partijen, ook de niet verschenen gedaagden, als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
Er ligt geen beslag meer dat kan worden opgeheven
De vordering tot opheffing van het executoriaal derdenbeslag dat gelegd is bij de Rabobank wordt afgewezen. Het is niet in geschil dat de Rabobank de door het executoriaal derdenbeslag getroffen gelden aan het gerechtsdeurwaarderskantoor van [gedaagde 3] heeft afgedragen. Betalingen van derden na de beslaglegging vallen niet onder het beslag. Met de afdracht is de executie van dit derdenbeslag voltooid.
1 Er ligt op dit moment dan ook geen beslag meer dat kan worden opgeheven. Deze vordering is daarom ongegrond.
[gedaagde 4] en [gedaagde 5] hadden geen beslag mogen laten leggen op de privébankrekening van [eiser]
vordert verder dat gedaagden worden veroordeeld om (i) de executiemaatregelen tegenover [eiser] te staken en gestaakt te houden, en (ii) de geïncasseerde gelden terug te betalen. Deze vorderingen worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
Beoordeeld moet worden of [gedaagde 4] en [gedaagde 5] terecht executoriaal derdenbeslag op de privébankrekening van [eiser] hebben laten leggen. Daarbij komt het aan op uitleg van de in het verstekvonnis uitgesproken veroordelingen. Meer concreet moet worden beoordeeld of het verstekvonnis inhoudt dat [eiser] eventuele dwangsommen in persoon zou verbeuren. Bij de vraag in welke hoedanigheid een partij optreedt in een procedure, speelt de uitleg van het exploot waarmee de desbetreffende instantie is ingeleid een rol. In verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij, moeten strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van de formulering van het exploot. Bij deze uitleg moet worden meegenomen op welke wijze de identiteit en de hoedanigheid van partijen in de processtukken is omschreven, hoe de processuele wederpartij daarop heeft gereageerd en welke omschrijving de rechter van die hoedanigheid en identiteit in een vonnis heeft gegeven.
2
De voorzieningenrechter is gelet op de volgende omstandigheden van oordeel dat het verstekvonnis inhoudt dat [eiser] eventuele dwangsommen (uitsluitend) in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflater zou verbeuren.
In het exploot van dagvaarding dat heeft geleid tot het verstekvonnis is expliciet opgenomen dat [eiser] in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflater is gedagvaard. In de kop van dat exploot is [eiser] immers aangeduid als “ in hoedanigheid van executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder en waarnemend executeur in de nalatenschap van [erflater]”.
In het verstekvonnis is [eiser] vervolgens ook alleen veroordeeld in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflater. In het verstekvonnis staan geen (specifieke) overwegingen of oordelen die neerkomen op een verplichting voor [eiser] om eventueel verbeurde dwangsommen uit zijn privévermogen te betalen. Er zijn ook geen andere aanknopingspunten die het standpunt van [gedaagden] . ondersteunen dat geoordeeld moet worden dat [eiser] ook in privé is gedagvaard en veroordeeld.
De voorzieningenrechter volgt [gedaagden] . verder niet in hun standpunt dat een veroordeling tegen een partij in een bepaalde hoedanigheid op verbeurte van dwangsommen altijd zo moet worden begrepen dat eventueel verbeurde dwangsommen door die partij in privé moeten worden betaald. Daar is geen rechtsregel voor. Die gedachte zou hier ook niet logisch zijn, omdat de vraag of een executeur (ook) in privé aansprakelijk is voor de gevolgen van als executeur verrichte handelingen, beantwoord zou moeten worden aan de hand van eigen (aanvullende) zorgvuldigheidsnormen.
Bij deze stand van zaken dient het verstekvonnis niet zo worden uitgelegd dat [eiser] (ook) in privé is veroordeeld om eventueel verbeurde dwangsommen te betalen. Dit oordeel leidt niet tot de gevolgtrekking dat er bij (tot persoonlijke aansprakelijkheid leidend) onzorgvuldig handelen van een executeur geen of minder mogelijkheden zijn om deze in privé aan te spreken. Die mogelijkheid bestond ook voor [gedaagde 4] en [gedaagde 5] , door [eiser] mede in privé te dagvaarden.
De voorzieningenrechter is in het verlengde van het voorgaande van oordeel dat [gedaagde 4] en [gedaagde 5] geen beslag hadden mogen laten leggen op de privébankrekening van [eiser] . [eiser] heeft eventuele dwangsommen namelijk niet privé, maar in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflater verbeurd. Aangezien [eiser] niet in privé is veroordeeld, is er geen bijbehorende executoriale titel om tegen [eiser] in privé ten uitvoer te leggen. De tenuitvoerlegging die in opdracht van [gedaagde 4] en [gedaagde 5] heeft plaatsgevonden op basis van het vonnis dat is gewezen jegens [eiser] in hoedanigheid, is in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid jegens [eiser] in privé en levert een onrechtmatige daad door [gedaagde 4] en [gedaagde 5] op.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter leidt het onderling samenhangende handelen door de betrokken deurwaarders [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW, nu dit gezamenlijke handelen heeft bijgedragen aan de voltooiing van de onrechtmatige tenuitvoerlegging van het vonnis.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben weliswaar een ministerieplicht, maar deze geldt enkel voor zover de verzochte werkzaamheden rechtmatig zijn. Daar had gelet op het feit dat het vonnis is gewezen jegens [eiser] in hoedanigheid en niet jegens [eiser] in privé dusdanige twijfel over moeten bestaan dat de kans op het toebrengen van schade [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] had moeten weerhouden van het uitvoeren van hun handelingen voor de tenuitvoerlegging. Zij hebben desondanks – ook niet na de door [eiser] geuite bezwaren - het handelen niet gestopt of voorkomen. Dit kan hen worden toegerekend en dat geldt temeer nu er in dergelijke omstandigheden de mogelijkheid bestaat een beslissing over de tenuitvoerlegging te vragen op de voet van artikel 438 lid 5 Rv.
De executiemaatregelen mogen gelet op het voorgaande niet tegen [eiser] in privé worden voortgezet. De vordering van [eiser] om gedaagden te veroordelen de executiemaatregelen tegen [eiser] in privé te staken en gestaakt te houden, wordt dan ook toegewezen.
Dan resteert de vraag of de gedaagden moeten worden veroordeeld tot terugbetaling van het ingevolge het beslag afgedragen bedrag. De voorzieningenrechter legt, gelet op hetgeen aan de eis ten grondslag is gelegd en het overige partijdebat, deze vordering zo uit dat gedaagden moeten worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die het gevolg is van het ten onrechte tenuitvoerleggen van het vonnis jegens [eiser] in privé. Gelet op het feit dat dezelfde vordering tegen alle gedaagden is ingesteld en niet alleen tegen het deurwaarderskantoor waar de Rabobank de gelden aan heeft aangedragen, begrijpt de voorzieningenrechter dat een hoofdelijke veroordeling is gevorderd. De hoogte van de door [eiser] geleden schade komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter neer op het bedrag van € 22.013,36 dat als gevolg van de tenuitvoerlegging is afgedragen door de Rabobank.
Het spoedeisend belang bij terugbetaling van de geïncasseerde gelden volgt hier uit het feit dat het privévermogen van [eiser] – die beroepsmatig handelde, als executeur – voor een aanzienlijk bedrag is geraakt, zonder dat daar een rechtsgrond voor bestaat.
[gedaagden] . hebben niet gesteld dat, en waarom, hun belangen bij het behouden van de geïncasseerde gelden zwaarder wegen dan het belang van [eiser] bij terugbetaling van die gelden. [gedaagden] . hebben ook niets gesteld ten aanzien van een eventueel restitutierisico, zodat ook dit aspect niet tot afwijzing van de vordering tot (terug)betaling kan leiden.
Op grond het voorgaande is het bestaan van de vordering van [eiser] op gedaagden naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk voor toewijzing in kort geding. Gedaagden zijn op grond van de wet hoofdelijk tot betaling verbonden.
Praktisch gezien ligt het in de rede dat [gedaagde 3] het nog niet aan [gedaagde 4] en [gedaagde 5] doorbetaalde bedrag rechtstreeks terugbetaalt, mits [eiser] daar ook mee akkoord is, maar deze praktische mogelijkheid staat niet aan de toewijzing van het door [eiser] gevorderde in de weg.
De wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente over het terug te betalen bedrag wordt, als onweersproken en op de wet gegrond, toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (13 januari 2026) tot aan de dag dat alles is betaald.
De proceskosten
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld. Gedaagden moeten daarom, als gevorderd hoofdelijk, de proceskosten van [eiser] (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 151,94
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.848,94
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
6De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt gedaagden om de executiemaatregelen op grond van het verstekvonnis van 9 december 2024 met zaaknummer / rolnummer C/10/689011 / KG ZA 24-1060 tegen [eiser] in privé te staken en gestaakt te houden;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.013,36, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2026 tot de dag dat dit bedrag is betaald;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van [eiser] van € 1.848,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten gedaagden € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken
op 9 maart 2026.
3349 / 1694
Zie Tekst & Commentaar bij artikel 477 Rv, aantekening 3 onder c.
Vergelijk HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
