Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding met verdeling. Hof oordeelt dat activa eenmanszaak tot beperkte gemeenschap behoren en dat man deze na ontbinding niet zonder instemming van vrouw mocht verkopen, waardoor in strijd is gehandeld met art. 3:170 BW. Niet bewezen is welke activa/passiva op peildatum bestonden, noch dat verkoopopbrengst €78.000 was. Hof verder van oordeel dat onbevoegde verkoop eenmanszaak door man niet aangemerkt kan worden als verzwijgen van goed in zin van art. 3:194 lid 2 BW. | Datum publicatie | 31-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.353.672/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Wettelijke beperkte gemeenschap |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Draagplicht met betrekking tot gemeenschapsschulden, man was niet bevoegd om goederen van de ontbonden gemeenschap (eenmanszaak) aan een derde te verkopen zonder medewerking van de vrouw.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.353.672/01
zaaknummers rechtbank : C/10/664326 en C/10/672421
rekestnummers rechtbank: FA RK 23-6166 en FA RK 24-479
beschikking van de meervoudige kamer van 4 maart 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. N. Bagci-Çiçek te Den Haag.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2023 (hierna te noemen: de tussenbeschikking van 15 november 2023) en de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna ook: de rechtbank) van 20 januari 2025 (hierna te noemen: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 18 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De man heeft op 19 mei 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De vrouw heeft op 7 augustus 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
-
een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 16 juni 2025 met bijlagen, ingekomen op 26 juni 2025;
-
een journaalbericht van de zijde van de man van 7 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
-
een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 11 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de vrouw heeft ter mondelinge behandeling pleitaantekeningen overgelegd.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn op [datum] 2022 te [plaats] met elkaar gehuwd.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van 16 oktober 2023 heeft de rechtbank Rotterdam bij wijze van voorlopige voorziening – voor zover in hoger beroep van belang – bepaald dat de vrouw met ingang van die datum bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] (hierna te noemen: de voormalig echtelijke woning) en de man bevolen die woning te verlaten en verboden die verder te betreden.
4De omvang van het geschil
Deze zaak betreft de echtscheiding van partijen met nevenvoorzieningen. Bij de tussenbeschikking van 15 november 2023 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de nevenvoorzieningen wordt aangehouden tot 1 februari 2024 pro forma. Deze echtscheidingsbeschikking is op 28 november 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling van de gemeenschap gelast zoals weergegeven onder rechtsoverwegingen 3.2.11. tot en met 3.2.21. van de bestreden beschikking. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te bepalen dat de gehele opbrengst van de [de eenmanszaak] (hierna ook te noemen: [de eenmanszaak] ) van € 78.000,- aan de vrouw wordt toebedeeld, althans te bepalen dat de man de vrouw € 78.000,- dient te betalen.
Kosten rechtens.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en opnieuw rechtdoende:
A. het primaire en aanvullend verzoek van de vrouw ter zake de onderneming alsnog af te wijzen, althans het verzoek van de vrouw om op grond van benadeling te bepalen dat de gehele opbrengst van [de eenmanszaak] van € 78.000,- aan haar wordt toebedeeld, althans te bepalen dat de man € 78.000,- dient te betalen, af te wijzen;
en bij wijze van eiswijziging casu quo eisvermeerdering:
te oordelen dat de vrouw de helft van de energiekosten, te weten € 9.717,50, aan de man dient te voldoen, althans dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn in de voldoening van de energiekosten van € 19.435,-;
de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een totaalbedrag van
€ 2.615,02, zijnde de stookkosten van de woning;
althans een beschikking af te geven, die het hof in goede justitie redelijk acht.
De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep, althans zijn incidenteel hoger beroep af te wijzen.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep voor zover mogelijk gezamenlijk beoordelen.
5De motivering van de beslissing
Huwelijksvermogensregime
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking overwogen dat partijen na 1 januari 2018 met elkaar zijn gehuwd, zodat zij in een, inmiddels ontbonden, beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd. In hoger beroep is dit tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hier ook van uitgaat.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al voor de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW alle voor het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al voor de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW.
Peildatum
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking overwogen dat op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum is waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 23 augustus 2023. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat zij voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap uitgaat van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende
bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. Door partijen is hiertegen niet gegriefd, zodat het hof hiervan ook uitgaat.
[de eenmanszaak]
Standpunten
De vrouw stelt dat de man opzettelijk tot de beperkte gemeenschap van goederen van partijen behorende goederen heeft verzwegen, zoekgemaakt of verborgen heeft gehouden, nu hij [de eenmanszaak] buiten haar medeweten en dus zonder haar toestemming heeft verkocht en hij bovendien niet eerlijk is over de verkoopopbrengst van [de eenmanszaak] . Ook heeft hij die verkoopopbrengst niet met de vrouw gedeeld. De vrouw stelt hiertoe dat de man [de eenmanszaak] in maart 2023 door middel van een geldlening van de familie van de vrouw heeft gekocht voor een bedrag van € 75.000,-. Dat de man de eenmanszaak enkele maanden later heeft verkocht voor slechts € 15.000,- acht zij dan ook volstrekt ongeloofwaardig. Temeer, nu de waarde van de inventaris van [de eenmanszaak] al vele malen hoger was dan dat bedrag. Daarbij komt dat de kopers van de eenmanszaak hebben verklaard dat zij een bedrag van € 78.000,- voor de eenmanszaak hebben voldaan. De vrouw stelt dat de eenmanszaak dat bedrag ook waard is en acht dit in lijn met de door de man in [de eenmanszaak] gegenereerde omzet van minimaal € 20.000,- per week. [de eenmanszaak] staat inmiddels ook weer te koop op Marktplaats en wel voor een bedrag van € 102.000,-. Dat uit de door de man overgelegde (ver)koopovereenkomst de veel lagere verkoopprijs van € 15.000,- volgt doet volgens haar aan het voorgaande niets af. De vrouw acht dat stuk niet betrouwbaar en de man heeft ook geen aanvullende stukken overgelegd waaruit het tegendeel volgt, dan wel waaruit volgt dat [de eenmanszaak] binnen enkele maanden na de aankoop daarvan door de man dermate in waarde is gedaald. De vrouw betwist dat na de verkoop van de eenmanszaak nog sprake was, dan wel is van (resterende) schulden waarvoor partijen draagplichtig zijn, zoals de man heeft gesteld. Volgens haar heeft de man die stelling(en) ook helemaal niet onderbouwd. In de visie van de vrouw moet dan ook worden uitgegaan van een verkoopopbrengst, althans waarde, van [de eenmanszaak] van
€ 78.000,- en heeft de man zijn aandeel in die verkoopopbrengst dan wel waarde volledig aan de vrouw verbeurd, zodat haar dat gehele bedrag toekomt.
De man betwist opzettelijk tot de beperkte gemeenschap van goederen van partijen behorende goederen te hebben verzwegen, zoekgemaakt of verborgen te hebben gehouden. Dat hij [de eenmanszaak] heeft verkocht zonder de vrouw daarbij te betrekken, maakt dat volgens hem niet anders. De vrouw is nimmer betrokken geweest bij de eenmanszaak. De man stelt [de eenmanszaak] , zonder geldlening van de familie van de vrouw, op 1 april 2023 te hebben gekocht voor een bedrag van € 29.000,- en vervolgens wegens gezondheids- en financiële problemen op 15 november 2023 te hebben verkocht voor een bedrag van
€ 15.000,-, welk bedrag hij pas na de peildatum heeft ontvangen. Dat de man de eenmanszaak voor een dergelijk bedrag heeft verkocht, volgt ook uit de overgelegde koopovereenkomst. De door de vrouw gestelde uitingen over de koopsom door de kopers van de eenmanszaak zijn volgens hem niet juist en enkel gedaan met het oog op een eventuele doorverkoop van de eenmanszaak. Dat [de eenmanszaak] voor een hoger bedrag is verkocht dan wel een hogere waarde vertegenwoordigde dan voornoemde verkoopsom, volgt zijns inziens dan ook nergens uit. De man stelt dat [de eenmanszaak] juist een veel lagere waarde dan de verkoopopbrengst van € 15.000,- en zelfs geen waarde vertegenwoordigde. Per 31 december 2023 kende de eenmanszaak volgens hem een negatief eigen vermogen van € 17.595,-. De eenmanszaak liep dus helemaal niet zo goed als door de vrouw wordt verondersteld. Met de verkoopopbrengst van [de eenmanszaak] heeft de man ook zoveel mogelijk schulden van de eenmanszaak voldaan. Dit neemt niet weg dat op dit moment nog steeds sprake is van schulden van de eenmanszaak. Het betreft volgens de man nog een bedrag van € 19.435,- aan energiekosten, waarvoor beide partijen gelijk draagplichtig zijn. In de visie van de man is derhalve geen sprake van het verbeuren van zijn aandeel in [de eenmanszaak] aan de vrouw of het verdelen van de positieve verkoopopbrengst van de eenmanszaak met de vrouw, maar juist van het door de vrouw bijdragen in de nog resterende schuld van [de eenmanszaak] door de voldoening van de helft van het bedrag van € 19.435,- aan de man dan wel de energiemaatschappij.
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt. Een eenmanszaak is geen goed dat als zodanig in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen valt en kan als zodanig dus niet worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaat uit de activa en de passiva van de eenmanszaak en valt in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, voor zover die activa en passiva vanaf de aanvang van de beperkte gemeenschap zijn verkregen dan wel zijn ontstaan. De activa die op de peildatum aanwezig zijn en aan voornoemde voorwaarde voldoen, worden verdeeld. Met betrekking tot de passiva geldt dat een schuld geen goed is en niet als zodanig kan worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn, voor zover die zijn ontstaan na aanvang van de beperkte gemeenschap van goederen.
De rechtbank heeft onder rechtsoverweging 3.2.19. overwogen dat de man op zijn naam [de eenmanszaak] heeft gedreven. Deze “eenmanszaak” heeft hij in april 2023 gekocht en vervolgens in november 2023 weer verkocht. Door partijen is hiertegen niet gegriefd, zodat het hof hiervan ook uitgaat.
Het hof overweegt dat tussen partijen vaststaat dat de man de activa van [de eenmanszaak] in november 2023 zonder overleg met de vrouw heeft verkocht. De activa met betrekking tot de eenmanszaak zijn verkregen tijdens het huwelijk van partijen en vallen dus in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen van partijen. Als de betreffende activa van de eenmanszaak op het tijdstip van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap nog aanwezig zijn, dienen die activa tussen partijen te worden verdeeld. Na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap verandert de bestuursregeling en wel in die zin dat de man de activa van de eenmanszaak alleen tezamen met de vrouw kan vervreemden. Nu de man niet de instemming had van de vrouw om de activa te verkopen, heeft hij in strijd gehandeld met artikel 3:170 BW.
Op basis van de door partijen verstrekte stukken en gegevens kan het hof echter niet vaststellen wat op de peildatum (23 augustus 2023) de activa en de passiva van [de eenmanszaak] waren en welke activa en passiva daarvan tot de beperkte gemeenschap van goederen van partijen behoorden. Evenmin kan het hof vaststellen wat de waarde van die activa en het saldo van die passiva op 23 augustus 2023 was. Het hof beschikt op dit punt louter over de door de man overgelegde (definitieve) jaarrekening 2023 van [de eenmanszaak] , waaruit de financiële situatie van de eenmanszaak per het einde van dat boekjaar en dus per 31 december 2023 volgt. In het kader van de verdeling is relevant welke activa er zijn op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap en welke schulden op dat tijdstip op de gemeenschap kunnen worden verhaald. Het hof is dan ook niet in staat om vast te stellen wat het ondernemingsvermogen van [de eenmanszaak] per de peildatum (23 augustus 2023) was en kan dan ook niet concluderen dat dat vermogen conform de stelling van de vrouw
€ 78.000,- bedroeg dan wel conform de stelling van de man negatief was.
Ook is het hof niet in staat om aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen dat [de eenmanszaak] voor € 78.000,-, althans voor een hoger of ander bedrag dan
€ 15.000,- door de man is verkocht. Uit de koopovereenkomst (overname winkel) van 8 november 2023 volgt een koopsom voor [de eenmanszaak] van € 15.000,-.
De vrouw vordert in hoger beroep – zie haar petitum – dat de man op grond van art. 3:194 lid 2 BW de gehele opbrengst van de [de eenmanszaak] van € 78.000,- aan de vrouw moet betalen. Het hof is van oordeel dat de onbevoegde verkoop van de eenmanszaak door de man niet aangemerkt kan worden als een verzwijgen van een goed in de zin van art. 3:194 lid 2 BW. Beide partijen wisten dat er een “eenmanszaak” was. Wat partijen verdeeld houdt, is wat was de aankoopprijs van de eenmanszaak en wat is de verkoopprijs van de eenmanszaak. Het is de verantwoordelijkheid van beide echtgenoten om een goede administratie bij te houden van belangrijke vermogensrechtelijke transacties. Het is eveneens de verantwoordelijkheid van beide echtgenoten om goed met elkaar te communiceren met betrekking tot belangrijke vermogensrechtelijke aspecten. Als partijen dit niet doen, komt dit voor hun rekening en risico.
Voor wat betreft de door de man opgevoerde nog openstaande schuld van [de eenmanszaak] , zijnde een onbetaalde energierekening van € 9.717,50, overweegt het hof als volgt. Aan de hand van de door de man overgelegde stukken, kan het hof niet vaststellen of deze schuld, althans deze energierekening, betrekking heeft op de periode voor de peildatum (23 augustus 2023). Het hof kan dan ook niet vaststellen of en in hoeverre de vrouw ook draagplichtig is voor die schuld, althans energierekening. Het hof geeft partijen mee dat, voor zover de betreffende schuld, althans energierekening, wel in de voornoemde periode is ontstaan, geldt dat zij in beginsel beide gelijk draagplichtig zijn voor die schuld.
Het hof concludeert dat de grieven I tot en met IX van de zijde van de vrouw en de grief 1 van de zijde van de man derhalve geen doel treffen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen en de verzoeken van partijen in zoverre zal afwijzen.
De stookkosten van de voormalig echtelijke woning
Standpunten
Bij zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep heeft de man een gewijzigd dan wel aanvullend verzoek gedaan. De man stelt dat sprake is van een schuld bij Eneco ter zake onbetaalde stookkosten van de voormalig echtelijke woning. Die schuld is deels (€ 2.810,03) ontstaan voor de peildatum (23 augustus 2023) en deels (€ 1.210,-) daarna. Het eerste deel van de schuld komt volgens de man voor rekening van beide partijen een ieder voor de helft, maar het tweede deel van de schuld komt voor rekening van uitsluitend de vrouw, nu zij sinds augustus 2023 alleen het gebruik van de voormalig echtelijke woning had. De vrouw moet daarom aan hem de helft van € 2.810,03 en een bedrag van € 1.210,- voldoen.
De vrouw betwist het bestaan van de schuld bij Eneco. Volgens haar heeft de man van (het bestaan van) die schuld ook onvoldoende bewijs overgelegd. Daarbij komt dat de vrouw stelt niet meer in de voormalig echtelijke woning te hebben verbleven, zoals door de man is gesteld. De schuld komt haars inziens dus geenszins uitsluitend voor haar rekening.
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.2 overwogen, omvat de huwelijksgemeenschap van partijen, wat betreft de lasten, alle voor het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al voor de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW. Voor die schulden zijn partijen in beginsel dan ook gelijk draagplichtig. Voor schulden die zijn ontstaan, althans betrekking hebben op, de periode na het bestaan van de beperkte gemeenschap van partijen en dus na de peildatum (23 augustus 2023), is draagplichtig degene op wie die schuld betrekking heeft. Het hof is gebleken dat de vrouw op grond van de beschikking van 16 oktober 2023 van de rechtbank Rotterdam bij wijze van voorlopige voorziening het uitsluitend gebruik van de voormalig echtelijke woning had. Gelet hierop, komen in redelijkheid de gebruikslasten, waaronder de stookkosten, na de peildatum (23 augustus 2023) uitsluitend voor rekening van de vrouw. Naar het oordeel van het hof is de vrouw dan ook draagplichtig voor de schuld bij Eneco, voor zover die schuld ziet op de periode na 23 augustus 2023. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen. Dit betekent dat het hof niet zal bepalen dat, zoals door de man is verzocht, de vrouw enig bedrag op dit punt aan de man is verschuldigd en nog moet betalen. Het hof is namelijk niet gebleken dat de man op dit punt reeds enig bedrag aan Eneco heeft voldaan en daarom een regresrecht op de vrouw heeft. In zoverre zal het hof het verzoek van de man dus afwijzen.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
bepaalt dat partijen – in hun onderlinge verhouding – ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij Eneco voor zover die schuld ziet op de periode van het bestaan van de beperkte gemeenschap van partijen;
bepaalt dat de vrouw – in haar onderlinge verhouding met de man – draagplichtig is voor de schuld bij Eneco voor zover die schuld ziet op de periode na de peildatum van 23 augustus 2023;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en F.V. Marquenie, bijgestaan door mr. M.N.C. Zuiderwijk als griffier, en is op 4 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
