Essentie (gemaakt door AI)
Vrouw heeft onvoldoende gesteld en bewezen om te oordelen dat sprake is van benadeling gemeenschap door uitgaven man sinds feitelijk uiteengaan. Op grond van art. 1:83 BW verschaffen echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen over door hen gevoerde bestuur alsmede over stand goederen en schulden. Aard huwelijkse samenleving brengt echter niet mee dat deze informatieplicht zodanig verstrekkend is dat echtgenoten onderling rekening en verantwoording moeten afleggen. Man heeft voldoende inlichtingen verstrekt.| Datum publicatie | 31-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.358.329/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Familievermogensrecht; Benadeling gemeenschap (1:164 BW) |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld en bewezen om te oordelen dat sprake is van benadeling van de gemeenschap. De man heeft voldoende inlichtingen verstrekt en er is geen sprake van een verplichting tot onderlinge rekening en verantwoording binnen een huwelijk. Investering in crypto heeft op dit moment geen waarde. Partijen komen overeen dat toekomstige waardestijgingen wel worden gedeeld. Beslissingen over schulden en gebruiksvergoeding. Alimentatie vaststellen voor jongmeerderjarige is niet mogelijk in een echtscheidingsprocedure. Het hof stelt wel kinderalimentatie vast voor het minderjarige kind van partijen. De draagkracht van de man wordt daarbij, anders dan door de rechtbank, door het hof vastgesteld conform de door de belastingdienst goedgekeurde inkomensconstructie van de man.Volledige uitspraak
Team Familie
Zaaknummer : 200.358.329/01
Rekestnummers rechtbank : FA RK 24-3353 (echtscheiding)
FA RK 24-5975 (nevenvoorzieningen)
Zaaknummers rechtbank : C/09/666148 (echtscheiding)
C/09/671278 (nevenvoorzieningen)
beschikking van de meervoudige kamer van 4 maart 2026
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S.C. Braun te Den Haag.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, hierna: de bestreden beschikking.
2Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 21 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De man heeft op 8 oktober 2025 een verweerschrift, tevens houdend incidenteel hoger beroep ingediend.
De vrouw heeft op 21 november 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw
-
op 28 november 2025 een journaalbericht van diezelfde datum;
-
op 24 december 2025 een e-mailbericht met bijlagen;
-
op 5 januari 2026 een e-mailbericht met bijlagen, zijnde de eerder ontbrekende alimentatieberekeningen die onderdeel uitmaken van de bestreden beschikking;
-
op 6 januari 2026 een e-mailbericht met bijlagen;
van de zijde van de man
-
op 24 november 2025 een journaalbericht van diezelfde datum;
-
op 11 december 2025 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;
-
op 23 december 2025 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;
-
op 5 januari 2026 een e-mailbericht met bijlage.
De mondelinge behandeling heeft op 8 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2006 in [plaats] , [land] .
Partijen zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [plaats] , [land] (hierna: de jongmeerderjarige) en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [plaats] , [land] (hierna: de minderjarige). De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 18 september 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – voor zover in dit hoger beroep van belang – :
-
de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
-
bepaald dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben;
-
bepaald dat de minderjarige als volgt bij iedere ouder verblijft: in de week dat de man werkt verblijft zij bij de vrouw en in de andere week bij de man, waarbij de wissel op vrijdag na het avondeten plaatsvindt en waarbij de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen in onderling overleg tussen partijen bij helfte worden verdeeld;
-
bepaald dat de vrouw aan de man, met ingang van de datum van die beschikking, ten behoeve van de minderjarige een kinderalimentatie van € 248,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
-
bepaald dat de vrouw aan de jongmeerderjarige, met ingang van 1 mei 2024, een alimentatie van € 248,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
-
de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
aan de man worden toegedeeld:
- de helft van de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen op 1 mei 2024;
- de saldi op de bankrekeningen die op zijn naam staan, onder betaling van de helft van de positieve saldi op 1 mei 2024 aan de vrouw en betaling van € 1.353,21 door de vrouw aan de man;
- de beleggingen op naam van één of beide partijen, onder de voorwaarde dat de man de helft van de waarde van de beleggingen op 1 mei 2024 aan de vrouw voldoet;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de helft van de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen op 1 mei 2024;
- de helft van de saldi op de bankrekeningen die op haar naam staan, onder de voorwaarde dat zij de helft van de positieve saldi op 1 mei 2024 aan de man voldoet, dan wel dat eventuele negatieve saldi op 1 mei 2024 door beide partijen bij helfte worden gedragen;
- bepaald dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de volgende schulden voor zijn/haar rekening dient te nemen:
- de lening bij de vader van de man ter hoogte van € 50.000,- ;
- de lening bij de broer van de man ter hoogte van € 15.000,- ;
De beschikking is tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.
De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen voor zover het betreft:
-
de vaststelling van de wijze van verdeling van de banksaldi en beleggingen;
-
de afwijzing van het verzoek om te bepalen dat de man, op grond van artikel 1:164 van het Burgerlijk Wetboek (BW), gehouden is tot schadevergoeding aan de gemeenschap van het bedrag waarmee hij deze heeft benadeeld, althans van het bedrag dat hij ten laste van de gemeenschap heeft verspild;
-
de draagplicht van partijen voor de schulden van de vader en de broer van de man.
De vrouw verzoekt het hof opnieuw beschikkende, met verandering van verzoek:
A:
primair
- vast te stellen dat de peildatum voor de waardering van de banksaldi en beleggingen niet 1 mei 2024 is, maar 1 januari 2023, althans een door het hof te bepalen datum, en dat:
a. aan de man worden toegedeeld:
i. de helft van de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen op de vast te stellen peildatum;
ii. de saldi op de bankrekeningen die op zijn naam staan, onder betaling van de helft van de positieve saldi op de vast te stellen peildatum aan de vrouw;
iii. de beleggingen op naam van één of beide partijen, met uitzondering van de belegging in het [project] , onder de voorwaarde dat hij de helft van de waarde van de beleggingen op de vast te stellen peildatum aan de vrouw voldoet;
b. aan de vrouw worden toegedeeld:
i. de helft van de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen op de vast te stellen peildatum;
ii. de saldi op de bankrekeningen die op haar naam staan, onder de voorwaarde dat zij de helft van de positieve saldi op de vast te stellen peildatum aan de man voldoet, dan wel de eventuele negatieve saldi op de vast te stellen peildatum door beide partijen bij helfte worden gedragen;
iii. de beleggingen op naam van één van beide partijen in het [project] , zonder verrekening van de waarde;
subsidiair
vast te stellen dat de man de gemeenschap heeft benadeeld voor een bedrag van
€ 117.003,- en dat de man na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de helft van dit bedrag (€ 58.501,50 ) aan de vrouw moet betalen;
meer subsidiair:
de wijze van verdeling van de banksaldi en beleggingen opnieuw vast te stellen op zodanige wijze als het hof juist acht, en;
B: de man te verplichten tot volledige en waarheidsgetrouwe inzage, afschriften en overzichten van al zijn bank- en beleggingsrekeningen en beleggingen, en van die van partijen gezamenlijk, van de saldi per de peildatum voor de waardering van de banksaldi en beleggingen, en van alle mutaties en waardeveranderingen gedurende de periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum;
C: de man te veroordelen tot het verstrekken van volledige en controleerbare informatie aan de vrouw over de belegging op naam van één of beide partijen in het [project] , en;
D: indien en voor zover het hof oordeelt dat de schulden aan de vader en broer van de man op de peildatum bestonden, vast te stellen dat deze schulden als eigen schulden van de man dienen te worden aangemerkt en dat de man deze schulden dient te dragen.
De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar principaal hoger beroep, althans het hoger beroep ongegrond te verklaren, met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor zover de man daarvan zelf niet in beroep gaat.
De man verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen, doch enkel voor zover het betreft de grieven van de man in het door hem ingestelde incidentele hoger beroep en opnieuw rechtdoende bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 mei 2024 ten behoeve van de minderjarige een kinderalimentatie aan de man zal betalen van € 587,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en aan de jongmeerderjarige een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie van € 587,- per maand, eveneens telkens bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, althans in de overwegingen van de beschikking te bepalen dat de vrouw gehouden is om met € 587,- per maand bij te dragen in de kosten van de jongmeerderjarige;
-
te bepalen dat deze bijdragen aan de man, respectievelijk de jongmeerderjarige, voor het eerst moet worden geïndexeerd per 1 januari 2025, althans dat deze per 1 januari 2025 moet worden verhoogd met een bedrag gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
-
te bepalen dat ieder der partijen gehouden is de helft van het negatieve saldo op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] van € 45.706,- te dragen, waarbij de man gehouden is deze schuld als eigen schuld te voldoen, terwijl de vrouw gehouden is aan de man de helft, te weten € 22.853,- te voldoen binnen een week na de in dezen te wijzen beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente ingeval zij daartoe in gebreke blijft tot aan de dag der algehele voldoening;
-
een gebruiksvergoeding ten laste van de vrouw vast te stellen van € 710,80 per maand over de periode van 1 mei 2024 tot en met heden en voor de daaropvolgende periode tot aan de datum van verkoop en levering van de woning aan een derde (dan wel aan de vrouw) van € 790,- per maand, welke vergoeding bij gebreke van tijdige betaling aan de man (telkens vóór de eerste van iedere maand) dient te worden verhoogd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele vergoeding.
De vrouw verweert zich hiertegen. Zij verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep om het door de man ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door de man ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren en alle door de man in incidenteel hoger beroep geformuleerde verzoeken af te wijzen.
Kosten rechtens.
5De motivering van de beslissing
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
Huwelijksgoederenregime en peildatum
Niet ter discussie staat dat partijen op [datum] 2006 met elkaar zijn gehuwd en dat voor hen de wettelijke algehele gemeenschap van goederen geldt. De huwelijksgoederengemeenschap is op 3 mei 2024 ontbonden door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Uit de overgelegde stukken volgt dat partijen als peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap hebben gekozen 1 mei 2024. Gezien het geringe tijdsverloop gaat het hof ervan uit dat er in de periode van 1 mei 2024 tot 3 mei 2024 geen veranderingen hebben plaatsgehad in de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap.
Benadeling van de gemeenschap
De vrouw heeft een beroep gedaan op artikel 1:164 BW. Het hof begrijpt uit het betoog van de vrouw dat ze stelt dat de man zich nadat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan, schuldig heeft gemaakt aan het doen van buitensporige uitgaven als gevolg waarvan de huwelijksgemeenschap is benadeeld met een bedrag van € 117.003,- . Partijen leven volgens de vrouw sinds oktober 2022 feitelijk gescheiden. Sinds juli 2023 beheert de man zelfstandig zijn eigen inkomsten. De man heeft de vrouw niet structureel geïnformeerd over het verloop en het beheer van de gelden. In de visie van de vrouw heeft de man onvoldoende inzicht verschaft met betrekking tot door hem gedane onttrekkingen. Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd. In randnummer 14 van zijn verweerschrift stelt hij dat de verdeling van de banksaldi en de beleggingen een kwestie is die aanhoudend ter discussie wordt gesteld door de vrouw. Door de man wordt gemotiveerd betwist dat hij de gemeenschap heeft benadeeld. Het bedrag van € 83.317,- heeft hij opgenomen na de peildatum van 1 mei 2024 en kan dus geen grond zijn voor een benadeling in de zin van artikel 1:164 BW. Voorts stelt de man dat voor een beroep op artikel 1:164 BW een termijn van zes maanden geldt voor datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voorts volgt uit het betoog van de man dat hij de vrouw voldoende heeft geïnformeerd over het verloop van de banksaldi en dergelijke.
Het hof overweegt als volgt. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door een van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvoor lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. Op de vrouw rust de stelplicht en bewijslast dat de man in de periode van 6 maanden voor 3 mei 2024 lichtvaardig schulden heeft gemaakt of goederen der gemeenschap heeft verspild. Mede bezien de gemotiveerde betwisting van de man heeft de vrouw niet aangetoond dat de man in de periode van zes maanden voorafgaande aan 3 mei 2024 goederen van de gemeenschap heeft verspild. Op grond van artikel 1:83 BW verschaffen echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van de goederen en schulden. De aard van de huwelijkse samenleving brengt echter niet mede dat deze informatieplicht zodanig verstrekkend is dat de echtgenoten onderling rekening en verantwoording moeten afleggen (HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790). Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende inlichtingen verstrekt over het door hem gevoerde bestuur en de omvang van de gemeenschap bij de ontbinding daarvan op 3 mei 2024. Zo heeft de man zelfs een excel-bestand in het geding gebracht met een overzicht van de bankstanden en beleggingen per 1 november 2023 en per 1 mei 2024.
Investeringen in crypto en [project]
In haar eerste grief heeft de vrouw (zie randnummer 39 van haar beroepschrift) verzocht het [project] aan haar toe te delen. Het hof begrijpt dat het om een investering gaat in een crypto(-platform). De man heeft toegelicht dat er inderdaad investeringen zijn gedaan in [project] maar dat deze investering op dit moment geen waarde heeft. Partijen zijn ter zitting met elkaar overeengekomen dat als de investering in [project] in de toekomst wel weer waarde krijgt, de man deze waardestijging met de vrouw zal delen als nagekomen bate. Nu partijen over dit onderdeel ter zitting overeenstemming hebben bereikt, behoeft het hof op dit punt niet meer te beslissen.
Schulden aan de vader en broer van de man
In haar tweede grief stelt de vrouw de schulden van partijen aan de vader en broer van de man aan de orde. Zij stelt geen wetenschap te hebben gehad van deze geldleningen en benadrukt dat bij gestelde geldleningen binnen familieverband extra terughoudendheid is vereist bij de beoordeling. De man heeft hier tegenover gesteld dat uit de door hem overgelegde leningsovereenkomsten, stortingsbewijzen en het bewijs van bestaan op de peildatum voldoende blijkt dat deze schulden wel ten laste van de gemeenschap behoren te komen. Hij stelt dat door de vrouw onvoldoende is onderbouwd waarom van de hoofdregel van artikel 1:100 BW zou moeten worden afgeweken.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank ten aanzien van deze schulden op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. De man heeft op basis van de overgelegde stukken voldoende aangetoond dat sprake is van een lening van zijn vader aan partijen en een lening van zijn broer aan partijen. Verder overweegt het hof dat de vrouw haar stelling, dat de man op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid gehouden is om de resterende verplichtingen op de peildatum geheel te dragen, onvoldoende heeft onderbouwd. Beide partijen zijn dus gelijk draagplichtig met betrekking tot voormelde schulden.
Schuld (rekeningnummer [rekeningnummer] )
De man stelt in zijn tweede incidentele grief zijn schuld ter hoogte van € 45.706,- aan de ABN AMRO aan de orde. Uit het betoog van de man volgt dat rechtbank deze schuld ten onrechte niet in de verdeling heeft betrokken. De man verwijst onder meer naar een memo van S.C. Braun van 19 september 2019. In de visie van de vrouw ontbreekt een juridische grondslag voor het verzoek van de man om te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn met betrekking tot deze schuld. Het hof verwijst naar randnummer 29 van het verweerschrift van de vrouw in het incidentele hoger beroep.
Het hof is van oordeel dat de man in hoger beroep voldoende heeft aangetoond dat de schuld aan de ABN AMRO van € 45.706,- is aan te merken als een gemeenschapsschuld. De man heeft in hoger beroep uitgebreid onderbouwd dat het geen zakelijke maar een privéschuld is, die is ontstaan voor gemeenschapsdoeleinden van partijen. Ook de verklaring van de accountant van de man onderschrijft dit. Beide partijen zijn dus gelijk draagplichtig met betrekking tot de voormelde schuld aan de ABN AMRO.
Gebruiksvergoeding
In zijn derde incidentele grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte zijn verzochte gebruiksvergoeding gedeeltelijk heeft afgewezen. De man wenst een gebruiksvergoeding te verkrijgen van 4% over de helft van de overwaarde. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt onder meer dat zij de verkoop van de woning niet frustreert en dat zij sinds november 2023 de eigenaarslasten – waaronder de hypotheekrente – voor haar rekening neemt.
Het hof overweegt als volgt. Tot aan de datum van de ontbinding van het huwelijk kan de man geen aanspraak op een gebruiksvergoeding maken, aangezien echtgenoten op grond van artikel 1:81 BW verplicht zijn om elkaar het nodige te verschaffen waaronder woongenot. Na ontbinding van het huwelijk kan een gebruiksvergoeding gebaseerd worden op artikel 1:165 BW of artikel 3:169 BW. Uit de overgelegde stukken volgt dat de echtscheidingsbeschikking op 18 september 2025 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers, waarmee het huwelijk is ontbonden. De woning is al in oktober 2025 te koop aangeboden. De vrouw maakt samen met de kinderen van partijen gebruik van deze te koop staande woning. Het hof verwacht dat het verkoopproces van de woning geen lange tijd meer in beslag zal nemen. Gezien vorenstaande feiten en omstandigheden acht het hof het op dit moment niet redelijk en billijk om aan de man een gebruiksvergoeding toe te kennen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarin een gebruiksvergoeding aan de man is toegekend ten laste van de vrouw. Het hof zal het verzoek van de man ten aanzien van de gebruiksvergoeding aldus afwijzen.
Kinderalimentatie en alimentatie jongmeerderjarige
Alimentatie jongmeerderjarige
Nu door de man bij wege van zijn incidenteel hoger beroep ook de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de jongmeerderjarige (alimentatie jongmeerderjarige) aan de orde is gesteld, zal het hof zich eerst uitlaten over de ontvankelijkheid ten aanzien van dit verzoek.
Het hof overweegt dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:724) volgt dat een alimentatie voor een jongmeerderjarige niet onder de reikwijdte van artikel 827 lid 1 sub c, ofwel sub g, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) valt. Een dergelijke bijdrage betreft een aanspraak van de jongmeerderjarige op haar ouders en strekt niet tot het treffen van een voorziening tussen de echtgenoten. Dit betekent dat de alimentatie voor de jongmeerderjarige als nevenvoorziening geen onderdeel van de onderhavige zaak kan uitmaken. Hoewel het hof begrijpt dat het niet wenselijk is dat de jongmeerderjarige zelf een procedure tegen (een van haar) ouders zou moeten starten om de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie aan de orde te stellen, zal het hof de man – gelet op het voorgaande – niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, voor zover dit verzoek betrekking heeft op de alimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarige.
Kinderalimentatie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het vervolg alleen nog op de kinderalimentatie voor de minderjarige.
Ingangsdatum
De rechtbank heeft als ingangsdatum de datum van de bestreden beschikking vastgesteld, zijnde 22 mei 2025. De man heeft gesteld dat de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum ruim een jaar na de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ligt. De man stelt dat voor de ingangsdatum aansluiting zou moeten worden gezocht bij de peildatum van 1 mei 2024. De vrouw heeft hier tegenover gesteld dat de doorlooptijd in eerste aanleg niet uitzonderlijk was, noch aan de vrouw toe te rekenen. Dat de man geen voorlopige kinderalimentatie heeft verzocht, komt – zo stelt de vrouw – voor zijn rekening en risico.
Het hof overweegt dat artikel 1:402 BW de rechter grote vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Doorgaans liggen drie data als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum van de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie heeft bepaald op de datum van de bestreden beschikking, 22 mei 2025. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet van feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel leiden. Het hof overweegt in aanvulling daarop dat niet is gebleken dat de man vanaf 1 mei 2024 alle verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen heeft betaald.
Behoefte
Aangezien niet is gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de minderjarige, zal het hof uitgaan van een behoefte van de minderjarige ter hoogte van € 1.540,- per maand in 2025, waarover partijen in eerste aanleg gedeeltelijk onderlinge overeenstemming hebben bereikt. Deze behoefte is opgebouwd uit de basisbehoefte en een behoefteverhoging vanwege de paardensport.
Draagkracht van de man
De man heeft in hoger beroep zijn draagkracht aan de orde gesteld. Hij stelt ten aanzien daarvan dat de rechtbank van een te hoog inkomen aan zijn zijde is uitgegaan, zodat de draagkrachtverhouding tussen partijen niet aansluit bij de feitelijke situatie. De vrouw heeft hiertegenover gesteld dat de door de rechtbank gemaakte inschatting van het inkomen van de man wel realistisch is. De draagkrachtberekening van de rechtbank is volgens haar in overeenstemming met de feitelijke situatie en dat geldt ook voor de draagkrachtverhouding.
Het hof overweegt dat de man, mede op basis van de overgelegde stukken, voldoende heeft onderbouwd dat hij werkzaam is in het loodswezen, wat een specifieke branche is. De inkomensconstructie van de man is door de Belastingdienst goedgekeurd en dit is conform de feitelijke huidige situatie. Het hof acht het redelijk om in het kader van de draagkracht van de man rekening te houden met een winst uit onderneming ter hoogte van € 140.000,-, zoals ook blijkt uit zijn overgelegde aangifte. Hierop moet de fiscale bijtelling nog in mindering worden gebracht, deze bedroeg conform het door de man als productie 28 overgelegde bericht van zijn accountant d.d. 5 januari 2026 € 21.563 per jaar. Het hof houdt aldus in zijn alimentatieberekening rekening met een winst uit onderneming van € 140.000,- -/- € 21.563,- = € 118.437,- . Vervolgens houdt het hof rekening met een zelfstandigenaftrek van € 2.470,- . Verder houdt het hof rekening met een bedrag ter hoogte van € 2.740,- aan premies voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval. Gelet op de hoogte van het inkomen komt de man niet in aanmerking voor het kindgebondenbudget of de alleenstaande ouderkop. Gelet op het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man € 82.672,- per jaar, zijnde € 6.889,- per maand. Zijn draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie bedraagt daarmee € 2.458,-.
Draagkracht van de vrouw
Nu tegen de draagkracht van de vrouw geen grieven zijn gericht, zal het hof – net zoals de rechtbank – uitgaan van een jaarinkomen van € 120.209,- bruto. Verder houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en arbeidskorting. Daaruit volgt in beginsel een NBI van de vrouw van € 71.156,- per jaar, zijnde € 5.930,- per maand. Gelet op hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 5.12 heeft overwogen ten aanzien van de alimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarige, gaat het hof ervan uit dat de vrouw de door de rechtbank bepaalde alimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarige zal blijven voldoen. Het hof houdt daarom bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw wel rekening met deze bijdrage ter hoogte van € 248,- per maand. Deze bijdrage komt in mindering op haar NBI en haar draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie bedraagt daarmee € 1.741,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 4.199,- per maand (bestaande uit € 2.458,- + € 1.741,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de minderjarige te voorzien. Het hof zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt het hof de volgende gebruikelijke formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt daarmee € 2.458,- / € 4.199,- x € 1.540,- = € 901,- .
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt € 1.741,- / € 4.199,- x € 1.540,- = € 639,- .
Op basis van de bovenstaande draagkrachtvergelijking komt van de totale behoefte van de minderjarige een gedeelte van € 901,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 639,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Het hof gaat gelet op de tussen partijen geldende co-ouderschapsregeling uit van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt daarmee € 276,- per maand (35% van de basisbehoefte van de minderjarige, zijnde € 1.579 / 2 = € 790).
Indexering
De man heeft het hof verzocht te bepalen dat de kinderalimentatie voor het eerst per 1 januari 2025 zal worden geïndexeerd. De vrouw heeft gesteld dat de bijdrage, gelet op de ingangsdatum gelegen na 1 januari 2025 niet voor het eerst per 1 januari 2025 kan worden geïndexeerd. Het hof overweegt dat het – zoals de vrouw ook heeft gesteld – gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie niet in de rede ligt om deze bijdrage vanaf 1 januari 2025 te indexeren. Het hof zal daarom bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 ieder jaar moet worden verhoogd met het wettelijke indexeringspercentage zoals bedoeld in artikel 1:402a BW.
Conclusie kinderalimentatie
De door de vrouw met ingang van 22 mei 2025 te betalen bijdrage bedraagt daarmee € 363,- per maand ( € 639,- -/- € 276,- ). De vrouw dient dit bedrag voor de minderjarige telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen. Gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 5.22 heeft overwogen, bedraagt de door de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 € 380,- per maand (op basis van het wettelijk indexeringspercentage in 2026 van 4,6%).
Proceskosten
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure compenseert het hof de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en incidenteel hoger beroep:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover het betreft het verzoek van de man met betrekking tot de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jongmeerderjarige;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de schuld met rekeningnummer
[rekeningnummer] , de gebruiksvergoeding in de periode na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat partijen gelijkelijk draagplichtig zijn met betrekking tot de schuld met rekeningnummer [rekeningnummer] ter hoogte van € 45.706,- ;
bepaalt dat de vrouw met ingang van 22 mei 2025 een bijdrage in de kosten en verzorging van opvoeding van de minderjarige aan de man dient te voldoen van € 363,- per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen, jaarlijks te vermeerderen met de wettelijke indexering per 1 januari 2026, zodat de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 € 380,- per maand bedraagt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, A.N. Labohm, en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. S.V.B. Bours als griffier en is op 4 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
