Rechtbank Amsterdam 05-03-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2423

Essentie (gemaakt door AI)

Beëindigingsovereenkomst over huurachterstand niet nagekomen. In de hoofdzaak wordt vastgesteld dat € 45.223,14 resteert; handelsrente conform uitleg van partijen vanaf 1 april 2024 deels toegewezen en verder vanaf 22 januari 2025; contractuele boete van € 1.200 niet gematigd; incassokosten en btw toewijsbaar art. 6:96 BW en HR 2014:1405. Proceskostenveroordeling uitgesproken. In de vrijwaring is ex-echtgenote opgeroepen tijdens lopende verdelingsprocedure; niet toegelicht waarom die niet kan worden afgewacht; vordering in vrijwaring afgewezen.

Datum publicatie31-03-2026
Zaaknummer11519037 \ CV EXPL 25-2511
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Titel 7 Wettelijke gemeenschap van goederen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beëindigingsovereenkomst niet nagekomen. Vordering in hoofdzaak toegewezen. Ex echtgenote in vrijwaring opgeroepen tijdens lopende procedure over verdeling van de gemeenschap. Niet toegelicht waarom die bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Vordering in vrijwaring afgewezen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummers: 11519037 \ CV EXPL 25-2511 (hoofdzaak) en 11755048 \ CV EXPL 25-8550 (vrijwaring)

Vonnis van 5 maart 2026

in de hoofdzaak van

NV ZEEDIJK,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

[gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B.J. Davidse,

en in de vrijwaringzaak van

[gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. B.J. Davidse,

tegen

[gedaagde in de vrijwzk] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. T.Y. Tsang.

Partijen zullen hierna NV Zeedijk, [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] en [gedaagde in de vrijwzk] worden genoemd.

1De procedure

de procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 23 mei 2025;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 5 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald.

1.2.

Op 4 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens NV Zeedijk waren mr. A.F. Bevers, mr. F.R.H. van der Leeuw en mevrouw [naam] aanwezig. [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] en zijn gemachtigde waren niet aanwezig, hetgeen een dag eerder door de gemachtigde per e-mail was aangekondigd. Aangezien in die e-mail geen reden van afwezigheid is vermeld en evenmin is verzocht om aanhouding, is de zaak tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk besproken. Namens NV Zeedijk is het standpunt nader toegelicht en er zijn vragen van de kantonrechter beantwoord. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

de procedure in de vrijwaringzaak

1.3.

Het verloop van de procedure in vrijwaring blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 juni 2025;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 5 september 2025, waarbij is bepaald dat schriftelijk wordt voortgeprocedeerd;

- de conclusie van repliek, met één productie;

- de conclusie van dupliek.

1.4.

Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2De feiten (in de hoofdzaak en in de vrijwaringzaak)

2.1.

NV Zeedijk heeft met ingang van 1 april 1996 aan [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] de bedrijfsruimte verhuurd die gelegen is op het adres [adres] . [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] handelde daarbij vanuit zijn eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] .

2.2.

[gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] en [gedaagde in de vrijwzk] zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. Op 26 augustus 2020 is een verzoek tot echtscheiding ingediend. De echtscheiding is door deze rechtbank uitgesproken op 28 april 2022. Over de afwikkeling van de gemeenschap die tussen hen heeft bestaan loopt op dit moment een afzonderlijke bodemprocedure bij deze rechtbank.

2.3.

NV Zeedijk en [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] hebben op 13 juni 2023 een beëindigingsovereenkomst gesloten, die inhoudt dat de huurovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden op 1 april 2023 is geëindigd. Artikel 2 van de beëindigingsovereenkomst luidt als volgt:

2. Huurkorting en betaling huurachterstand

2.1.

Huurder heeft op het moment van tekenen van deze Overeenkomst een huurachterstand van EUR 75.312,77,-. Partijen komen overeen dat huurder dit bedrag in achttien gelijke maandelijkse termijnen zal voldoen aan NV Zeedijk, beginnend op 1 april 2023 en eindigend op 1 september 2024.

2.2.

Partijen komen overeen dat [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] over de laatste zes termijnen (dus na de eerste twaalf betaaltermijnen) de alsdan geldende wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW zal voldoen.

2.3.

Indien de waarborgsom (…) wordt verrekend met de huurachterstand, dan zal het maandelijkse termijnbedrag pro rato worden aangepast.

2.4.

De betalingen van de termijnen zullen telkens uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand worden voldaan. Indien [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] haar betalingsverplichtingen niet nakomt, verbeurt zij een direct opeisbare boete van EUR 100 per maand dat zij te laat is met betalen (waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt).

2.4.

Op enig moment is een achterstand ontstaan in de betaling van de maandelijkse termijnen die [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] uit hoofde van de beëindigingsovereenkomst aan NV Zeedijk moest betalen.

2.5.

Bij e-mail van 25 juni 2024 heeft [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] aan NV Zeedijk laten weten dat de schuld aan NV Zeedijk volledig zal worden afgelost.

2.6.

Omdat gehele betaling uitbleef heeft de gemachtigde van NV Zeedijk bij brieven van 7 en 21 oktober 2024 [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] gesommeerd om het openstaande bedrag, vermeerderd met rente, incassokosten en btw, binnen vijf dagen aan haar te voldoen. [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] is niet tot betaling overgegaan.

3Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

NV Zeedijk vordert (enigszins samengevat) dat [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling aan haar van:

  • € 45.223,14 aan hoofdsom,

  • € 4.481,65 aan verschenen handelsrente tot en met 21 januari 2025,

  • € 1.227,33 aan incassokosten en € 257,74 aan btw daarover,

  • € 1.200,00 aan verbeurde boetes,

te vermeerderen met handelsrente over de hoofdsom vanaf 12 december 2024 en met veroordeling van [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] in de proceskosten en de rente daarover.

3.2.

NV Zeedijk legt aan haar vordering – kort weergegeven – ten grondslag dat [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] gehouden is tot nakoming van zijn betalingsverplichting zoals die voortvloeit uit de tussen hen gesloten beëindigingsovereenkomst. Omdat hij daar tot op heden niet geheel aan heeft voldaan is [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] tevens handelsrente verschuldigd en heeft hij boetes verbeurd. Daarnaast heeft NV Zeedijk incassokosten moeten maken om betaling van het openstaande bedrag te verkrijgen en kan zij de btw daarover niet verrekenen.

3.3.

[gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] voert verweer. De feitelijke betalingsachterstand per 1 september 2024 is lager dan de gevorderde hoofdsom. Daarnaast is cumulatie van een hoge rente en boete in strijd met het verbod op dubbele vergoeding van dezelfde schade en met de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] verzoekt daarom de afwijzing van de gevorderde boetes in het geval dat de rente wordt toegewezen. De incassokosten zijn niet toewijsbaar, omdat de daarvoor verrichte werkzaamheden niet voor aparte vergoeding in aanmerking komen en omdat de hoogte van de gevorderde kosten hoger is dan het maximum op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in de vrijwaringzaak

3.5.

[gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] vordert (samengevat) dat [gedaagde in de vrijwzk] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling aan hem van minimaal vijftig procent van hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak eventueel zou worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding en met veroordeling van [gedaagde in de vrijwzk] in de proceskosten.

3.6.

Hij legt daaraan – kort weergegeven – ten grondslag dat de schuld aan NV Zeedijk grotendeels is ontstaan in de periode dat [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] en [gedaagde in de vrijwzk] nog met elkaar gehuwd waren. Omdat zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren, is [gedaagde in de vrijwzk] aansprakelijk voor schulden van de eenmanszaak van [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] . De schuld waarvan in de hoofdzaak betaling wordt gevorderd moet daarom voor in ieder geval de helft door [gedaagde in de vrijwzk] worden gedragen.

3.7.

[gedaagde in de vrijwzk] voert verweer. De schuld aan NV Zeedijk behoort niet tot de gemeenschap met [gedaagde in de vrijwzk] , want de schuld is ontstaan na de ontbinding van de gemeenschap op 26 augustus 2020. Daarnaast loopt er momenteel een bodemprocedure in het kader van de verdeling van de gemeenschap. De onderhavige vrijwaringzaak wordt oneigenlijk gebruikt door daarop vooruit te lopen. Er is daarom sprake van misbruik van procesrecht.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

in de hoofdzaak

4.1.

Tussen NV Zeedijk en [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] staat niet ter discussie dat in de betaling van de achttien termijnen uit hoofde van de beëindigingsovereenkomst een achterstand is ontstaan. Wel zijn zij het oneens over de hoogte van deze achterstand. NV Zeedijk stelt dat daarvan in totaal € 30.089,63 is afgelost, zodat een bedrag gelijk aan de gevorderde hoofdsom resteert. [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] stelt op zijn beurt dat hij al een hoger bedrag heeft afgelost. Hij heeft dat echter niet met stukken onderbouwd. Dit had wel van hem verwacht mogen worden, bijvoorbeeld aan de hand van bankafschriften of betalingsbewijzen. [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] heeft daarvan bij conclusie van antwoord bewijs aangeboden, maar deze stukken had hij reeds bij conclusie van antwoord kunnen indienen. Zonder nadere toelichting waarom dat niet is gebeurd – niet in de stukken, maar ook niet op de zitting waar hij zonder opgaaf van redenen afwezig was en daarover dus geen vragen van de kantonrechter heeft kunnen beantwoorden – ziet de kantonrechter geen reden om daartoe alsnog de gelegenheid te bieden. Bij die stand van zaken wordt vastgesteld dat de betalingsachterstand op dit moment € 45.223,14 bedraagt en dat [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] dit bedrag nog aan NV Zeedijk moet betalen.

4.2.

In de beëindigingsovereenkomst is bepaald dat [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] over de laatste zes termijnen wettelijke handelsrente zal voldoen. Ter zitting is desgevraagd door NV Zeedijk toegelicht dat deze bepaling zo moet worden gelezen dat, bij betaling conform schema, per 1 april 2024 handelsrente verschuldigd zou worden over het restant van de betalingsachterstand. Nu op 1 april 2024 een groter bedrag openstond dan de overeengekomen zes termijnen, is [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] volgens NV Zeedijk vanaf 1 april 2024 over het gehele toen openstaande bedrag handelsrente verschuldigd. Deze lezing van de beëindigingsovereenkomst is niet door [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] betwist, zodat de kantonrechter daarvan zal uitgaan. Dat geldt ook voor de hoogte van de reeds verschenen handelsrente tot en met 21 januari 2025. Dit bedrag is dus toewijsbaar. Daarnaast moet [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] vanaf 22 januari 2025 wettelijke handelsrente over de hoofdsom betalen. Voor zover de wettelijke handelsrente wordt gevorderd met ingang van 12 december 2024 zal dat voor de periode tot 22 januari 2025 worden afgewezen, omdat daarvoor geen grondslag is gebleken.

4.3.

Daarnaast geeft de beëindigingsovereenkomst in het geval van een betalingsachterstand aan NV Zeedijk aanspraak op een direct opeisbare boete van € 100,00 per maand. NV Zeedijk heeft gesteld dat er € 1.200,00 aan boetes verbeurd zijn. Ook dit heeft [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] niet betwist en staat daarom vast. Het verzoek van [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] om dit bedrag te matigen tot nihil vanwege de samenloop met de handelsrente wordt gepasseerd. Daarbij is van belang dat artikel 6:92 BW, waar is geregeld dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is in de plaats treedt van schadevergoeding op grond van de wet (zoals wettelijke rente), in dit geval niet van toepassing is, aangezien de handelsrente niet verschuldigd is uit hoofde van artikel 6:119a BW maar uit hoofde van de tussen NV Zeedijk en [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] gesloten beëindigingsovereenkomst. Partijen zijn in dit geval, beide handelend in de uitoefening van hun beroep of bedrijf, een dergelijke samenloop van rente en boetes overeengekomen. Voor matiging op grond van artikel 6:248 BW vanwege enkel de genoemde samenloop ziet de kantonrechter dan ook onvoldoende grond. Aanvullende omstandigheden die maken dat de samenloop in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn heeft [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] niet gesteld en zijn ook niet gebleken. Dat betekent dat de boetes zullen worden toegewezen zoals gevorderd.

4.4.

De vordering tot betaling van incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit. NV Zeedijk heeft mede aan de hand van de brieven van 7 en 21 oktober 2024 voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Voor zover [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] heeft aangevoerd dat de uitgevoerde werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen, wordt hij daarin niet gevolgd. Voor de verschuldigdheid van de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is immers niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht (zie ECLI:NR:HR:2014:1405). Een enkele brief is daartoe dan ook voldoende, zodat de brieven van 7 en 21 oktober 2024 aanleiding geven voor een vergoeding van incassokosten. Het gevorderde bedrag van € 1.227,33 komt, anders dan [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] heeft aangevoerd, overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.5.

NV Zeedijk heeft onweersproken gesteld dat zij de haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet kan verrekenen. Daarom is ook de gevorderde € 257,74 aan btw toewijsbaar.

4.6.

[gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NV Zeedijk worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

149,71

- griffierecht

1.461,00

- salaris gemachtigde

1.732,00

(2 punten × € 866,00)

- nakosten

126,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.469,21

4.7.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in de vrijwaringzaak

4.8.

Op dit moment is er reeds een bodemprocedure aanhangig waarin zal worden beslist over de verdeling van de gemeenschap die in het verleden tussen [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] en [gedaagde in de vrijwzk] heeft bestaan. Het ligt voor de hand dat in die procedure over de verdeling van de gehele gemeenschap wordt beslist. Als uitgangspunt dient dus ook de schuld aan NV Zeedijk daarin te worden meegenomen. [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] heeft niet toegelicht waarom van hem niet kan worden gevergd dat hij de lopende bodemprocedure afwacht teneinde een beslissing te verkrijgen over het onderlinge aandeel van [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] en [gedaagde in de vrijwzk] in de schuld aan NV Zeedijk. Bij die stand van zaken is onduidelijk welk belang [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] heeft bij zijn vordering in de vrijwaringzaak. De vordering in de vrijwaringzaak wordt daarom afgewezen.

4.9.

[gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Bij het vaststellen van de kosten in de vrijwaringzaak zal de kantonrechter uitgaan van de onderlinge samenhang tussen de hoofdzaak en de vrijwaringzaak en daarom het salaris van de gemachtigde vermenigvuldigen met factor 0,5. De proceskosten van [gedaagde in de vrijwzk] daarom worden begroot op:

- salaris gemachtigde

866,00

(2 punten × € 866,00 × 0,5)

- nakosten

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

938,00

4.10.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5De beslissing

De kantonrechter

in de hoofdzaak

5.1.

veroordeelt [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] om aan NV Zeedijk te betalen een bedrag van € 45.223,14 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW daarover met ingang van 22 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] om aan NV Zeedijk te betalen een bedrag van € 4.481,65 aan verschenen handelsrente,

5.3.

veroordeelt [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] om aan NV Zeedijk te betalen een bedrag van € 1.200,00 aan verbeurde boetes,

5.4.

veroordeelt [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] om aan NV Zeedijk te betalen een bedrag van € 1.227,33 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met € 257,74 aan btw daarover,

5.5.

veroordeelt [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] in de proceskosten van € 3.469,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.6.

veroordeelt [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in de vrijwaringzaak

5.9.

wijst de vorderingen af,

5.10.

veroordeelt [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] in de proceskosten van € 938,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.11.

veroordeelt [gedaagde in de hfdzk / eiser in de vrijwzk] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.12.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, bijgestaan door mr. S. Homringhausen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733