Essentie (gemaakt door AI)
Bekrachtiging zorgregeling art. 1:265g lid 1 BW en hoofdverblijfplaats art. 1:253a BW. Hof acht regeling kinderrechter in het belang van de kinderen; huidige omgang van moeder blijft voorlopig begeleid onder regie GI. Hoofdverblijfplaats bij vader; geen uithuisplaatsingstoets art. 1:265b BW aan de orde. Kan voorkeur hebben, als plaatsing bij andere ouder met gezag op een andere manier wordt bereikt wordt, zoals via hoofdverblijfplaats en zorgregeling (in het kader van 1:253a BW).| Datum publicatie | 31-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.359.115 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Bekrachtiging bestreden beschikking over de vastgestelde zorgregeling (artikel 1:265g lid 1 BW) en de hoofdverblijfplaats (artikel 1:253a BW) .Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.359.115 en 200.359.119/01
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 590740 en 590056)
beschikking van 3 maart 2026
over de zorgregeling voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.S. Bijsterbosch
en
[verweerder] (de vader)
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. L.W. Castelijns
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI)
die is gevestigd in Utrecht
1Samenvatting
in de zaak over de zorgregeling (200.359.119/01)
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de zorgregeling voor de kinderen gewijzigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven. Het hof legt hierna uit waarom.
in de zaak over de hoofdverblijfplaats (200.359.115)
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2De feiten
De ouders hebben twee kinderen, [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ) en [de minderjarige2] ( [de minderjarige2] ). [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn [in] 2022 geboren.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
De kinderen staan sinds 18 september 2023 onder toezicht van de GI.
Bij beschikking van 16 oktober 2023 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen als volgt bij de vader verblijven:
- elke week van maandag 18.00 uur tot woensdag naar het kinderdagverblijf;
- de ene week van vrijdag uit het kinderdagverblijf tot zaterdag 18.00 uur;
- de andere week van vrijdag uit het kinderdagverblijf tot zondag 18.00 uur;
- waarbij de vader de kinderen haalt en brengt;
- waarbij geldt dat als [de minderjarige1] en/of [de minderjarige2] niet naar het kinderdagverblijf gaan, zij verblijven bij de moeder op woensdagochtend/middag en bij de vader op vrijdagochtend/middag.
De rechtbank heeft hierbij bepaald dat deze zorgregeling door de moeder moet worden nagekomen op straffe van een dwangsom van € 250,- met een maximum van € 5.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de moeder in gebreke blijft om uitvoering te geven.
Bij vonnis in kort geding van 14 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter de door de rechtbank (in het kader van de onderhavige procedure) op 11 juni 2025 vastgestelde zorgregeling geschorst en beslist dat de moeder begeleid contact zal hebben met de kinderen, waarbij de GI beslist over de plaats, het tijdstip, de frequentie, de begeleider en de duur van het begeleide contact, en waarbij de GI ook kan bepalen dat het contact zonder begeleiding kan plaatsvinden.
3De procedure bij de kinderrechter
in de zaak over de zorgregeling (200.359.119/01)
De GI heeft de kinderrechter verzocht om de door de rechtbank op 16 oktober 2023 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat [de minderjarige2] en [de minderjarige1] het merendeel van de tijd bij de vader zijn, en een regeling vast te stellen over de vakantie- en feestdagen.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en een zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige2] en [de minderjarige1] eenmaal per veertien dagen van donderdag 18.00 uur tot maandag naar de speelleergroep bij de moeder zijn. De vader brengt [de minderjarige2] en [de minderjarige1] op donderdag naar de moeder en de moeder brengt [de minderjarige2] en [de minderjarige1] op maandag naar de speelleergroep. Ook heeft de kinderrechter een verdeling van de vakantie- en feestdagen vastgesteld.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de vastgestelde zorgregeling meteen mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 11 juni 2025.
in de zaak over de hoofdverblijfplaats (200.359.115)
De vader heeft de rechtbank verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen.
De rechtbank heeft het verzoek van de vader toegewezen en bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben.
De rechtbank heeft ook beslist dat de beslissing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 11 juni 2025.
4De procedure bij het hof
in de zaak over de zorgregeling (200.359.119/01)
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt, beslist dat de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 16 oktober 2023 wordt gewijzigd en dat een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een week-op-week-af regeling bij de moeder verblijven en waarbij de overdacht van de kinderen via de opvang/school verloopt.
Bij bericht van 23 januari 2026 heeft de moeder dit verzoek aangevuld met een verzoek voor het geval het hof het voorgaande op dit moment niet passend vindt. In dat geval verzoekt de moeder een zorgregeling vast te stellen waarbij via een concrete opbouwregeling wordt toegewerkt naar het co-ouderschap, of een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen die het hof juist vindt.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter en het verzoek van de moeder in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en partijen veroordeelt tot volledige medewerking aan de inzet van een [naam] traject tijdens welk traject de raad voor de kinderbescherming (de raad) nader onderzoek moet doen naar de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is.
Daarnaast wil de vader dat het hof een zorgregeling vaststelt op basis waarvan de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] begeleid contact zal hebben, waarbij de GI beslist over de plaats, het tijdstip, de frequentie, de begeleider en de duur van het begeleide contact, en waarbij de GI ook kan bepalen dat het contact zonder begeleiding kan plaatsvinden, danwel een zorgregeling vaststelt die het hof juist vindt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader zijn verzoek over het bevelen van een [naam] -traject en onderzoek ingetrokken, zodat het hof dat niet meer behoeft te beoordelen.
in de zaak over de hoofdverblijfplaats (200.359.115)
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.
De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en de moeder veroordeelt in de werkelijke proceskosten van de vader.
Het hof heeft in de zaak over de zorgregeling (200.359.119/01) de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift
-
het verweerschrift van de GI
-
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van de vader
-
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de moeder
-
de stukken van de moeder ingediend op 23 januari 2026
-
de stukken van de vader ingediend op 23 januari 2026
Het hof heeft in de zaak over de hoofdverblijfplaats (200.359.115) de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift
-
het verweerschrift van de vader met verzoek tot proceskostenveroordeling
-
het verweerschrift van de moeder in het kader van het verzoek tot proceskostenveroordeling
-
de stukken van de moeder ingediend op 23 januari 2026
-
de stukken van de vader ingediend op 23 januari 2026
De zitting bij het hof was op 3 februari 2026. Aanwezig waren:
-
de moeder met haar advocaat
-
de vader met zijn advocaat
-
twee vertegenwoordigers van de GI
-
een vertegenwoordiger van de raad als adviseur
Het hof zal de verzoeken in de zaken over de zorgregeling (200.359.119/01) en over de hoofdverblijfplaats (200.359.115) hieronder per onderwerp bespreken.
5Het oordeel van het hof
De zorgregeling
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
1
Hoe oordeelt het hof?
Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is. Het hof zal die beslissing dan ook in stand laten (bekrachtigen). Het hof vindt ook dat de kinderrechter die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg na eigen onderzoek daarom over. Het hof vult die uitleg hieronder nog aan.
Zoals de kinderrechter al heeft overwogen bestaan er grote zorgen over de impact die het inmiddels jarenlange patroon van het uiten van zorgen over de vader door de moeder heeft op de fysieke en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de kinderen na de bestreden beschikking opnieuw zijn blootgesteld aan het wantrouwen van de moeder over de vader. Zo heeft de moeder de kinderen opnieuw bij de vader weggehouden vanwege bij haar bestaande zorgen en zijn de kinderen als gevolg van de door de moeder geuite zorgen blootgesteld aan een top-tot-teen onderzoek. Nadat de moeder de kinderen opnieuw bij de vader heeft weggehouden, is de vader een kort geding procedure gestart. Bij vonnis van 14 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling geschorst en beslist dat de moeder (begeleid) contact zal hebben met de kinderen onder regie van de GI. Op dit moment vindt er in dat kader een uur per week begeleide omgang plaats tussen de moeder en de kinderen.
Het hof vindt net als de raad dat het in het belang van de kinderen is dat het contact tussen hen en de moeder wordt genormaliseerd, in die zin dat wordt toegewerkt naar de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van donderdag 18.00 uur tot maandag naar de speelleergroep bij de moeder zijn en naar de in de bestreden beschikking vastgestelde verdeling van de vakantie- en feestdagen. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt is het van belang dat specialistische hulp wordt ingezet en dat wordt onderzocht wat nodig is om de bestaande dynamiek te doorbreken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI laten weten hier op in te zetten en dat de begeleide omgang gedurende het benodigde onderzoek zal worden uitgebreid naar twee keer een uur in de week of een keer twee uur in de week.
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Dit betekent voor nu dat de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling, gelet op het kort geding vonnis van 14 oktober 2025, geschorst blijft en dat de moeder begeleid contact zal blijven hebben met de kinderen, waarbij de GI beslist over de plaats, het tijdstip, de frequentie, de begeleider en de duur van het begeleide contact, waarbij de GI ook kan bepalen dat het contact zonder begeleiding kan plaatsvinden.
De hoofdverblijfplaats
Wat staat in de wet?
De ouders hebben samen het gezag. De rechter kan op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft omvatten.
2 De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader moet worden vastgesteld. Het hof zal die beslissing dan ook in stand laten (bekrachtigen). Het hof overweegt daartoe als volgt.
Anders dan de moeder stelt is het hof gebleken dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader in hun belang is. Ook na deze beschikking in hoger beroep blijft het zwaartepunt van de opvoeding van de kinderen bij de vader liggen, zodat een wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in de rede ligt.
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de moeder vreest dat zij als gevolg van de beperkte zorgregeling en het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader, onvoldoende betrokken zal worden in het leven van de kinderen. Het hof benadrukt in dat kader voor zover nodig dat de moeder betrokken dient te worden bij het nemen van beslissingen over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
De moeder stelt zich op het standpunt dat de beperking van de omgang tussen de kinderen en de moeder in combinatie met het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader, neerkomt op een uithuisplaatsing, zodat het verzoek van de GI moet worden getoetst aan artikel 1:265b BW. In dat kader merkt het hof op dat van een verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing in deze zaak geen sprake is, zodat de voorliggende verzoeken, anders dan de moeder stelt, niet getoetst moeten worden aan artikel 1:265b BW. Daar komt bij dat hoewel een machtiging tot uithuisplaatsing kan voorzien in een plaatsing bij de andere met gezag belaste ouder, het de voorkeur kan hebben, en in dit geval ook heeft, als dit op een andere manier wordt bereikt wordt, zoals door een wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling (in het kader van 1:253a BW). Die wijzigingen zijn in beginsel niet aan een termijn gebonden en bieden het kind daardoor meer duidelijkheid en zekerheid over wanneer het bij welke ouder verblijft, wat in het belang van het kind kan zijn.
3
De proceskosten
Het hof ziet geen aanleiding om de moeder in de procedure over de hoofdverblijfplaats van de kinderen in de (werkelijke) proceskosten te veroordelen, zoals door de vader is verzocht. De moeder heeft het recht om het oordeel van de rechtbank voor te leggen aan dit hof. Het hof ziet in wat de vader heeft aangedragen geen reden om daar anders over te oordelen, zodat het hof het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de (werkelijke) kosten van het hoger beroep zal afwijzen.
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat betekent dat iedere ouder de eigen kosten draagt.
6De beslissing
Het hof:
in de zaak over de zorgregeling (200.359.119/01)
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 11 juni 2025 over de zorgregeling;
wijst het meer of anders verzochte af;
in de zaak over de hoofdverblijfplaats (200.359.115)
bekrachtigd de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 juni 2025 over de hoofdverblijfplaats;
compenseert de proceskosten;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en E. de Boer, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
