Rechtbank Rotterdam 26-02-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2832

Essentie (gemaakt door AI)

Ontkenning vaderschap. De minderjarige heeft in Turkije van rechtswege de ex‑echtgenoot als juridische vader, terwijl in Nederland de partner van moeder heeft erkend. De rechtbank past wegens strijd met de openbare orde art. 10:6 BW niet het Turkse ontvankelijkheidsverbod toe, vult de lacune aan met Nederlands recht en acht moeder ontvankelijk. Inhoudelijk beoordeelt de rechtbank naar Turks recht en acht het vaderschap van de man ontkend op basis van consistente verklaringen; DNA‑onderzoek is niet nodig. Bijzondere curatortaak eindigt voorwaardelijk.

Datum publicatie26-03-2026
ZaaknummerC/10/686697 / FA RK 24-7193
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; Afstamming;
Kinderen; Ontkenning ouderschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Ontkenning ouderschap. De minderjarige heeft in Turkije een andere juridische vader dan in Nederland.

Volledige uitspraak


Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/686697 / FA RK 24-7193

Beschikking van 26 februari 2026 over ontkenning vaderschap

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam.

In deze zaak zijn belanghebbenden:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

en

[persoon A] , hierna: de heer [persoon A] ,

wonende te [woonplaats] .

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

mr. C.K. Visser, advocaat te Oud-Beijerland, hierna: de bijzondere curator.

1De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • de beschikking van deze rechtbank van 4 november 2024;

  • het verslag van bevindingen van de bijzondere curator van 23 december 2024;

  • het bericht van de vrouw van 7 januari 2025;

  • het bericht van de vrouw van 26 november 2025.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de man;

  • de heer [persoon A] ;

  • de bijzondere curator (via een beeld- en geluidverbinding);

  • de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon B] .

2De vaststaande feiten

2.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 1 november 2022 is tussen de vrouw en de man de echtscheiding uitgesproken. Op 15 maart 2023 is die beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

De vrouw heeft een affectieve relatie met de heer [persoon A] .

2.3.

De vrouw is de moeder van de minderjarige [minderjarige] , geboren op

[geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1] , hierna ook: de minderjarige.

2.4.

De heer [persoon A] heeft de minderjarige in Nederland erkend. Op de erkenning is het Nederlandse recht toegepast.

2.5.

De vrouw en de heer [persoon A] oefenen in Nederland het gezag over de minderjarige samen uit.

2.6.

De vrouw, de man, de heer [persoon A] en de minderjarige hebben de Turkse nationaliteit. De vrouw, de heer [persoon A] en de minderjarige hebben daarnaast de Nederlandse nationaliteit.

3De verdere beoordeling

3.1.

Het verzoek van de vrouw strekt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de minderjarige van de man. De vrouw onderbouwt haar verzoek als volgt. Ze heeft recent, bij het aanvragen van een Turks identiteitsbewijs voor de minderjarige op het consulaat, ontdekt dat de minderjarige in Turkije een andere juridische vader heeft dan in Nederland. Bij de aanvraag werd haar verteld dat uit de registers in Turkije blijkt dat niet de heer [persoon A] , maar de man staat geregistreerd als de juridische vader van de minderjarige, omdat de minderjarige is geboren binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk van de vrouw en de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de heer [persoon A] de verwekker van de minderjarige is. Zij wil door middel van deze procedure de juridische situatie in Turkije wijzigen.

3.2.

De man weerspreekt het verzoek van de vrouw niet. Hij erkent dat hij niet de verwekker van de minderjarige is.

3.3.

De bijzondere curator en de raad adviseren de rechtbank om het verzoek van de vrouw toe te wijzen, omdat – kort gezegd – het niet in het belang van de minderjarige is dat zij nu in twee verschillende landen twee verschillende juridische vaders heeft.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.4.

De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht, omdat de vrouw en de minderjarige woonplaats in Nederland hebben.

3.5.

Of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de moeder uit wie het is geboren en de met haar gehuwde of gehuwd geweest zijnde man, wordt krachtens artikel 10:92 lid 1 BW bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en de man (haar ex-echtgenoot).

3.6.

Uit lid 3 van het hiervoor genoemde artikel volgt dat voor de toepassing van het eerste lid het tijdstip van de geboorte van het kind, dan wel indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap voordien is ontbonden, dat van de ontbinding, bepalend is. In het onderhavige geval is dat het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk tussen de vrouw en de man (15 maart 2023).

3.7.

Omdat de vrouw en de man op 15 maart 2023 de Turkse nationaliteit gemeenschappelijk hadden is het Turkse recht van toepassing op het verzoek van de vrouw. Op grond van artikel 285 van het Turks Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW) is de man van rechtswege de juridische vader van de minderjarige, omdat ze is geboren binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk. Artikel 286 TBW biedt alleen de juridische vader en de minderjarige de mogelijkheid om een verzoek tot ontkenning van het vaderschap te doen; voor de vrouw bestaat deze mogelijkheid op grond van het Turkse recht niet, waardoor de vrouw niet in haar verzoek zou kunnen worden ontvangen.

3.8.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij niet van plan is om in Turkije een verzoek tot ontkenning van het vaderschap in te dienen. Hij vindt dat de vrouw en de heer [persoon A] dit probleem zelf moeten oplossen.

3.9.

Artikel 10:6 BW bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Gelet op het feit dat voor de Nederlandse wet man en vrouw gelijk zijn, is de rechtbank van oordeel dat het gevolg van de Turkse wet, waarbij de vrouw niet in haar verzoek kan worden ontvangen, strijd oplevert met de openbare orde zodat de toepassing van de Turkse wet op grond van artikel 10:6 BW achterwege moet blijven.

3.10.

De rechtbank ziet aanleiding de ontstane lacune op te vullen en voor de vraag of de vrouw het naar Turks recht door het huwelijk ontstane vaderschap van de man kan ontkennen, aan te sluiten bij het Nederlandse recht als het recht van de rechter voor wie het geding aanhangig is. Voorwaarde voor toepassing van deze openbare orde exceptie is dat het geval een voldoende sterke betrokkenheid met de Nederlandse rechtsorde heeft. Hiertoe overweegt de rechtbank dat allen die bij deze procedure betrokken zijn (de minderjarige, de vrouw, de man en de heer [persoon A] ) in Nederland wonen. Drie van de vier betrokkenen (de minderjarige, de vrouw en de heer [persoon A] ) hebben ook de Nederlandse nationaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een voldoende betrokkenheid met de Nederlandse rechtsorde.

3.11.

Bij de toepassing van de openbare orde-exceptie moet de inbreuk op de toepasselijkheid van het buitenlandse recht zo beperkt mogelijk worden gehouden.

De rechtbank zal daarom de ontstane lacune over de ontvankelijkheid van de vrouw opvullen en daarvoor aansluiten bij het Nederlandse recht. De inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de man zal de rechtbank vervolgens met inachtneming van het Turkse recht doen.

Ontvankelijkheid

3.12.

Op grond van artikel 1:200 lid 1 sub in verbinding met artikel 1:200 lid 5 BW kan gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstaan vaderschap worden verzocht door de vrouw op de grond dat de juridische vader niet de biologische vader is van de minderjarige.

3.13.

Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap door de vrouw moet worden ingediend binnen één jaar na de geboorte van het kind. De minderjarige is geboren op 28 november 2023 en de vrouw heeft het verzoek op 4 november 2024 ingediend, en dus binnen de termijn van een jaar.

3.14.

De vrouw heeft ook belang bij haar verzoek. Weliswaar is er in Nederland geen probleem (hier is de biologische vader van de minderjarige ook haar juridische vader), maar de rechtbank volgt de bijzondere curator en de raad in hun standpunt dat het onwenselijk is dat de minderjarige in Turkije een andere juridische vader heeft dan in Nederland.

Die situatie kan immers tot problemen leiden, zoals ook is gebleken bij de aanvraag voor het Turkse identiteitsbewijs. Dat vindt de rechtbank niet in het belang van de minderjarige.

De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek en zal het verzoek hierna inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijk

3.15.

Ten aanzien van de ontkenning van het vaderschap is in artikel 287 TBW bepaald dat, als het kind binnen het huwelijk is verwekt, de verzoeker moet bewijzen dat de echtgenoot niet de vader is. Het kind dat is geboren na verloop van een termijn van ten minste honderdtachtig dagen na aanvang van het huwelijk en binnen driehonderd dagen nadat het huwelijk is geëindigd, wordt geacht tijdens het huwelijk te zijn verwekt.

3.16.

De rechtbank vindt dat de vrouw dit bewijs geleverd heeft. De vrouw, de man en de heer [persoon A] hebben alle drie verklaard dat zij er absoluut zeker van zijn dat niet de man, maar de heer [persoon A] de verwekker is van de minderjarige. De rechtbank vindt hun verklaringen op dit punt helder en consistent en daarmee voldoende overtuigend. Een verwantschapsonderzoek (DNA-onderzoek) vindt de rechtbank dan ook niet nodig. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen.

3.17.

De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.

3.18.

Deze beslissing wordt niet verstuurd naar de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam. In de registers in Nederland staat de heer [persoon A] immers al geregistreerd als de juridische vader van de minderjarige.

3.19.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart de ontkenning van het vaderschap van:

[naam man] , geboren op [geboortedatum 2] 1995 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ),

ten aanzien van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;

gegrond;

4.2.

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, op 26 februari 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733