Rechtbank Amsterdam 18-02-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1979

Essentie (gemaakt door AI)

Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Moeder vordert verklaringen voor recht en schadevergoeding wegens onrechtmatige stellingen van JBRA in een borgingsrapport. De rechter oordeelt dat JBRA signalen over mogelijk misbruik en mishandeling mocht opnemen, maar onzorgvuldig rapporteert door niet expliciet te vermelden dat Veilig Thuis fysiek geweld en seksueel misbruik niet kan bevestigen. Dat is onrechtmatig. Schadevergoeding wordt op grond van art. 6:103 BW toegewezen in natura: aanpassing/rectificatie van het rapport. Overige vorderingen worden afgewezen.

Datum publicatie25-03-2026
ZaaknummerC/13/773103 HA ZA 25-1323
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid jeugdprofessional;
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Moeder klaagt een gecertificeerde instelling in de zin van de Jeugdwet aan omdat zij vindt dat de instelling onrechtmatig naar haar heeft gehandeld door het innemen van bepaalde stellingen over moeder in haar verhouding tot haar zoon. De gecertificeerde instelling is aansprakelijk voor het niet zorgvuldig opstellen van haar rapportage over de hulpverlening die zij heeft geboden. Daarin had zij duidelijker moeten vermelden dat de beschuldigingen van fysiek geweld en seksueel misbruik niet vastgesteld konden worden. De gecertificeerde instelling moet de schade van moeder vergoeden in een andere vorm dan geld (6:103 BW), namelijk door rectificatie van haar rapport. De overige vorderingen van moeder worden afgewezen omdat het tot de taak van de gecertificeerde instelling behoort om signalen van mogelijk misbruik of mishandeling van het kind te onderzoeken.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/773103 / HA ZA 25-1323

Vonnis van 18 februari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. K. Spaargaren,

tegen

STICHTING JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: JBRA,

advocaat: mr. L. Homan.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 juli 2025, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 22 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, en

- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

[eiser] is de moeder van [minderjarige] . [minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2017. [minderjarige] woonde na zijn geboorte bij [eiser] en [eiser] had het gezag over [minderjarige] .

2.2.

JBRA is een gecertificeerde instelling in de zin van de Jeugdwet. JBRA is in die functie belast met de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen.

2.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] bij beschikking van 11 april 2018 onder toezicht gesteld van JBRA. De ondertoezichtstelling is verlengd in 2019, 2020, 2021 en 2022. JBRA heeft tot 11 april 2023 toezicht gehouden op de opvoeding en ontwikkeling van [minderjarige] .

2.4.

Gedurende de ondertoezichtstelling heeft JBRA de voortgang ten aanzien van de opvoeding, ontwikkeling en thuissituatie van [minderjarige] vastgelegd in het gezinsplan ‘ [naam gezinsplan] ’.

2.5.

Eind 2020 heeft de vader van [minderjarige] zorgen geuit over mogelijk seksueel misbruik van [minderjarige] , gelet op het gedrag en uitspraken van [minderjarige] . JBRA heeft aan de hand van die zorgen het ‘Twee of meer sporen team’ van het Steunpunt Seksueel Geweld van de GGD Amsterdam om advies gevraagd. Het Twee of meer sporen team heeft JBRA geadviseerd om Veilig Thuis een onderzoek te laten doen naar het mogelijk misbruik. JBRA heeft Veilig Thuis vervolgens gevraagd dit te doen.

2.6.

Begin juni 2021 heeft de school van [minderjarige] bij Veilig Thuis gemeld dat [minderjarige] op drie verschillende momenten had aangegeven te zijn geslagen en geknepen door [eiser] .

2.7.

Op 15 juni 2021 is [minderjarige] door de kinderrechter uit huis geplaatst bij zijn vader. [minderjarige] woont sindsdien bij zijn vader.

2.8.

Op 5 augustus 2021 heeft Veilig Thuis geconcludeerd dat zij niet kon bevestigen dat sprake is geweest van fysieke mishandeling of seksueel misbruik van [minderjarige] . Wel heeft Veilig Thuis vastgesteld dat sprake is geweest van psychische mishandeling en pedagogische verwaarlozing.

2.9.

Bij beschikking van 8 april 2022 heeft de kinderrechter bepaald dat de vader van [minderjarige] alleen het gezag over [minderjarige] krijgt en heeft de kinderrechter bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij zijn vader is. Tussen [minderjarige] en [eiser] geldt op dit moment een omgangsregeling van 4 uur per 14 dagen onder begeleiding.

2.10.

Op 11 april 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] beëindigd. JBRA heeft in verband met het einde van de ondertoezichtstelling een ‘borgingsrapport’ opgesteld (hierna: borgingsrapport). Dit borgingsrapport betreft het gezinsplan als hiervoor onder 2.4 vermeld. Aan het gezinsplan zijn de eindconclusies toegevoegd van JBRA over de resultaten die tijdens de ondertoezichtstelling zijn behaald. In het borgingsrapport is onder meer het volgende vermeld:

- Op pagina 4:

“Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school ging, ontstond meer zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] . School maakte zich hier ernstig zorgen over. (…) [minderjarige] werd door moeder veel ziek gemeld, hetgeen de zorgen over hem deden vergroten. In gesprek met moeder ontkende moeder ook deze zorgen en afspraken over bijvoorbeeld beleg op het broodje van [minderjarige] hetgeen ontbrak, werden door moeder niet nagekomen. Dan vertelt [minderjarige] op school op drie afzonderlijke momenten dat hij is geslagen en geknepen door moeder. Jeugdbescherming probeert nog diezelfde dag van de melding veiligheidsafspraken te maken met moeder, maar moeder wil hier niet aan meewerken. Hierop wordt een uithuisplaatsing verzocht aan de kinderrechter waardoor [minderjarige] bij vader gaat wonen. Vanaf dat [minderjarige] bij vader woont gaat het goed met [minderjarige] . (…)

- Op pagina 8 en 9:

Actueel Veiligheidsplan

Op 27 januari 2022 heeft Jeugdbescherming de actuele veiligheid van [minderjarige] Koopman in kaart gebracht met behulp van de Handelingsgerichte Actuele Veiligheid Inschatting van het Kind (HAVIK).

Actuele veiligheidsinschatting:

HAVIK per 27 januari 2022

Er is geen sprake van actuele onveiligheid.

[minderjarige] woont veilig bij vader en zijn partner [naam] . Het gaat nu heel goed met [minderjarige] . Dat is mooi terug te krijgen vanuit de hulpverlening.

HAVIK per 20-10-2021

Er is geen sprake van (vermoedens van) actuele onveiligheid.

HAVIK onderdeel A: (vermoedens van) onveiligheid

Afgerond op 16-06-2021

Geef aan of er sprake is van (een vermoeden van):

(…)

4. Fysieke mishandeling van het kind.

Ja

Zie toelichting

5. Psychische mishandeling van het kind. Denk aan afwijzen, negeren, vernederen, pesten, schelden, bedreigen en kleineren.

Ja

Zie toelichting

6. Fysieke, pedagogische, educatieve en/of emotionele verwaarlozing van het kind. Denk ook aan onvoldoende structuur en grenzen, weinig aandacht, ongezonde voeding en het weigeren van noodzakelijke medische of psychische zorg van het kind.

Ja

Zie toelichting

7. Een of meer opvoeders die emotioneel en/of fysiek onvoldoende beschikbaar zijn.

Ja

Zie toelichting

8. Seksueel misbruik van het kind incl. loverboyproblematiek en mensenhandel. Denk aan zowel meisjes als jongensslachtoffers.

Ja

Zie toelichting

(…)

Er is sprake van actuele onveiligheid omdat er sprake is van (een vermoeden van):

- Fysieke mishandeling van het kind.

Toelichting:

[minderjarige] heeft op school aangegeven te zijn mishandeld door moeder op drie momenten los van elkaar. Zo meld school.

- Psychische mishandeling van het kind.

Toelichting:

[minderjarige] wordt belast met negatieve uitingen vanuit het netwerk van moeder over vader; zo constateert Spoedhulp.

- Fysieke, pedagogische, educatieve en/of emotionele verwaarlozing van het kind.

Toelichting: [minderjarige] heeft op school veel verzuim en er zijn zorgen over de voeding van [minderjarige] , zo geeft school aan.

- Een of meer opvoeders die emotioneel en/of fysiek onvoldoende beschikbaar zijn.

Toelichting:

Moeder legt de zorgen ten aanzien van [minderjarige] buiten zichzelf en toont zich in communicatie defensief. Hetgeen maakt dat zij onvoldoende kan aansluiten bij de behoefte van [minderjarige] . Zo meld ook Veilig Thuis.

- Seksueel misbruik van het kind incl. loverboyproblematiek en mensenhandel.

Toelichting:

Beide ouders geven aan vermoeden te hebben van misbruik door elkaar. Hetgeen op dit moment wordt onderzocht door Veilig Thuis.”

- Op pagina 49:

26 november 2020 mailt vader aan de gezinsmanager met de volgende zorgen:

Dit zijn in het kort de zorgelijke voorvallen die wij gezien hebben, die zijn in het afgelopen jaar begonnen:

- Terwijl stiefmoeder buikspier oefeningen doet, gaat [minderjarige] tussen haar benen liggen, wijst naar haar clitoris en vraagt ‘Kusje geven?’. Heel specifiek voor dit, en slechts dit; uit het niets. Toen [naam] aangaf dat ze wel een zoen op haar wang wilde reageerde [minderjarige] verbaasd.

- [minderjarige] geeft aan [naam] aan dat iemand aan zijn piemel trekt, en fluistert dat dat Oma is. Oma ‘graaft’ in bad tussen [minderjarige] zijn benen en trekt aan zijn penis. [minderjarige] geeft aan dat hij dit niet fijn vindt.

- Terwijl wij bij vrienden [minderjarige] ’ luier verschonen, zegt hij; “ [minderjarige] niet met piemel spelen, Mamma niet met Piemel spelen”.

- [minderjarige] geeft aan dat hij nog elke ochtend borstvoeding krijgt, en na afloop een cadeautje van mamma krijgt.

(…)

- [eiser] brengt [minderjarige] bij een doordeweekse omgang en zegt dat hij een ongelukje met de wip heeft gehad; dat ze naar de huisarts geweest zijn; en dat het er wel ernstig uitziet maar dat het niet ernstig is. [minderjarige] zijn gezicht was helemaal opgezet, en zijn lip was stuk. [minderjarige] geeft die dag aan dat hij een ongelukje met de ‘krokodillenwip’ gehad heeft. Later zegt [minderjarige] dat hij bij mamma thuis van de trap gevallen was, en dat [eiser] bovenaan de trap stond.

- [minderjarige] geeft aan dat [eiser] hem tikken tegen het hoofd geeft. En doet dit ook na. Ook geeft hij aan dat hij een tik van mamma krijgt als hij bij ons op het potje gaat.

- [minderjarige] geeft aan dat mamma hem een ‘time-out’ geeft.

- [minderjarige] slaat en knijpt zichzelf vrij veel; ook is alles en iedereen ‘boos’; kikker is boos, aap is boos, …

-Tijdens het luiers verschonen geeft [minderjarige] aan dat hij met moeder een ‘spelletje’ heeft, waar hij gehurkt met zijn billen omhoog en hoofd omlaag ‘Krokodil hap in de bil’ speelt. En dat moeder hem tussen zijn benen knijpt. Desgevraagd geeft [minderjarige] aan dat hij niet tegen mamma durft te zeggen dat hij dat niet fijn vindt. Het liedje vind [minderjarige] wel leuk. (…)”

- Op pagina 51:

“Resultaat: [minderjarige] ontwikkelt zich binnen zijn mogelijkheden in een veilige omgeving bij een opvoeder die voorziet in hij nodig heeft.

Status: N.v.t.

Wie, Wat, Wanneer

- [minderjarige] blijft herhaaldelijk aangeven te zijn geslagen en geknepen door moeder.

- Vellig Thuis heeft onderzoek gedaan naar kindermishandeling bij [minderjarige] . Geconstateerd is dat er sprake is geweest van verwaarlozing en psychische mishandeling bij [minderjarige] in de thuissituatie van moeder.

- De tandarts van [minderjarige] heeft een ernstig verwaarloosd gebit geconstateerd bij [minderjarige] . Deze gebitsproblemen zijn al lange tijd geleden ontstaan, voor de uithuisplaatsing, maar hebben onvoldoende aandacht gehad. (…)”

- Op pagina 59:

“15-06-2021

(…)

Als laatste meldt school dat zij een zorgmelding zullen doen. Bovenop alle andere zorgen heeft [minderjarige] na het gesprek op 8 juni op drie verschillende momenten op drie verschillende dagen aangegeven te zijn geslagen door moeder. (Zie onder documenten uitgebreid verslag van school mbt de zorgen.) Jeugdbescherming poogt met moeder veiligheidsafspraken te maken maar moeder geeft aan dat [minderjarige] liegt en dat het is ingegeven door vader. Jeugdbescherming overlegd met Veilig Thuis (Zie onder documenten verslag hierover) die de zorgen onderstreept.”

2.11.

De begeleiding en zorg over het gezin is na de beëindiging van de ondertoezichtstelling door het wijkteam van de gemeente [gemeente] overgenomen. Zij houden de regie over de benodigde zorg voor het gezin in de omgang tussen [minderjarige] en [eiser] .

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert:

I. een verklaring voor recht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat het borgingsrapport jegens [eiser] onrechtmatig is, door de onzorgvuldige wijze van rapporteren en het doen van valse beschuldigen en ongefundeerde mededelingen;

II. een verklaring voor recht dat gedaagde geen bewijs geleverd heeft voor haar stellingen dat [eiser] haar kind seksueel, fysiek en psychisch heeft mishandeld en/of verwaarloosd;

III. een verklaring voor recht dat uit diverse deskundigen onderzoeken is komen vast te staan dat [eiser] haar kind niet seksueel, fysiek en/of psychisch heeft mishandeld en/of verwaarloosd;

IV. dat de rechtbank oordeelt dat JBRA aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden door het onrechtmatig handelen van JBRA en de zaak voor vaststelling van de immateriële schade en de materiële schade te verwijzen naar de schadestaatprocedure;

V. JBRA te veroordelen:

a. primair: het borgingsrapport algeheel te vernietigen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat JBRA nalatig blijft hieraan te voldoen;

b. subsidiair: het borgingsrapport te rectificeren op nader aan te geven wijze op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat JBRA nalatig blijft hieraan te voldoen,

wegens de misleidende en onware beschuldigingen en het gebruik van het borgingsplan in gerechtelijke procedures;

VI. JBRA te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Bij conclusie van eisvermeerdering heeft [eiser] haar eis vermeerderd. In aanvulling op de hiervoor genoemde punten I tot en met VI, vordert [eiser] :

VII. om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad JBRA te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, uit onrechtmatige daad wegens schending van artikel 3.3 Jeugdwet, artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en van artikel 8 Grondwet en van de artikelen 7, 8, 16, 5 en 18 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens, door de omgang tussen [eiser] en haar zoontje blijvend beperkt te houden tot 4 uur per 14 dagen onder begeleiding en op locatie, op oneigenlijke gronden;

VIII. een verklaring voor recht dat schending van artikel 3.3 van de Jeugdwet, artikel 21 Rv en van artikel 8 Grondwet en van de artikelen 7, 8, 16, 5 en 18 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens, onrechtmatig handelen oplevert van JBRA jegens [eiser] en dat JBRA gehouden is de schade te vergoeden met verwijzing naar de schadestaatprocedure, en derhalve het borgingsrapport te vernietigen, subsidiair te rectificeren op nader aan te geven wijze of een door de rechter aan te geven wijze, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat JBRA nalatig blijft hieraan te voldoen.

3.3.

JBRA voert verweer. JBRA concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

De verweten handelingen

4.1.

In het kader van de opvoeding van [minderjarige] hebben partijen een langere tijd met elkaar van doen gehad. Tijdens deze periode zijn partijen het over de opvoeding van [minderjarige] niet altijd eens geweest. In de onderhavige zaak gaat het erom of JBRA gedurende deze periode onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] , als moeder van [minderjarige] . Kort gezegd verwijt [eiser] JBRA dat JBRA uitspraken over [eiser] heeft gedaan die haar in kwaad daglicht stellen. Volgens [eiser] zijn deze uitspraken van JBRA de reden dat de omgangsregeling die tussen haar en [minderjarige] geldt, zo beperkt is.

4.2.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de door [eiser] genoemde valse beschuldigen en ongefundeerde mededelingen van JBRA niet onrechtmatig zijn tegenover [eiser] . Dit geldt zowel voor de beschuldigingen en mededelingen die JBRA in de verschillende juridische procedures heeft gedaan, maar ook voor wat JBRA heeft opgeschreven in het borgingsrapport. Dit betreffen de signalen op basis waarvan JBRA heeft gereageerd en gehandeld. De rechtbank oordeelt dat JBRA wel onzorgvuldig heeft gerapporteerd in het borgingsrapport. Dit onzorgvuldig rapporteren levert een onrechtmatige daad op van JBRA tegenover [eiser] . De rechtbank zal eerst kort en algemeen bespreken wat de taak van JBRA en de functie van het borgingsrapport is, en zal dan per punt de vorderingen van [eiser] behandelen.

De taak van JBRA

4.3.

JBRA is een gecertificeerde instelling als bedoeld in de Jeugdwet. Omdat JBRA een gecertificeerde instelling is, voert zij de kinderbeschermingsmaatregelen uit die de rechter haar oplegt. Hier valt de ondertoezichtstelling onder. 1 De taak van JBRA is om als ‘casusregisseur’ op te treden. Dat houdt in dat zij zorgt dat de dreigingen voor de opvoeding voor een kind worden verminderd of weggenomen. 2 Dat doet JBRA door de dreiging te signaleren en vervolgens bij de juiste instantie de hulp in te schakelen die nodig is.

4.4.

Het borgingsrapport is een weergave van alles wat JBRA tijdens de kinderbeschermingsmaatregel heeft gesignaleerd en welke hulp zij daarbij voor de ouders of de minderjarige heeft ingeschakeld. Als de kinderbeschermingsmaatregel wordt beëindigd, voegt JBRA aan de rapportage haar eindconclusie toe. Het borgingsrapport is daarmee een intern document voor JBRA om te laten zien wat er heeft gespeeld en om haar werkzaamheden af te sluiten. Tijdens de ondertoezichtstelling en bij beëindiging daarvan wordt het rapport aan de ouders van de minderjarige toegezonden, ter verslaglegging.

I. Het borgingsrapport is onrechtmatig door onzorgvuldige wijze van rapporteren, maar niet door valse beschuldigingen of ongefundeerde mededelingen

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat het borgingsrapport niet onrechtmatig is doordat hierin valse beschuldigingen of ongefundeerde mededelingen staan, zoals [eiser] betoogt. Het hoort bij de taak van JBRA om alle (mogelijke) signalen van bedreigingen in de ontwikkeling van het kind te analyseren. Dat betekent dat er ook situaties tussen zullen zitten waarbij achteraf niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een bedreiging voor de ontwikkeling was. Of dat achteraf is gebleken dat de bedreiging minder ernstig was dan eerst werd gedacht. Het is de taak van JBRA om elke mogelijke bedreiging te onderzoeken. Dat heeft JBRA gedaan. Het borgingsrapport is een weergave van alle ontwikkelingen ten aanzien van [minderjarige] tijdens de ondertoezichtstelling. JBRA mocht daarin opnemen dat zij een melding heeft gehad over mogelijk seksueel misbruik en/of fysieke mishandeling. Door dit op te nemen heeft JBRA niet onrechtmatig gehandeld, maar heeft zij haar wettelijke taak uitgevoerd.

4.6.

In de onderzoeken die JBRA doet en bij de verslaglegging van die onderzoeken, heeft JBRA de maatschappelijke plicht om daar voorzichtig in te werk te gaan. Hoewel het de taak van JBRA is om onderzoek te (laten) doen naar mogelijke bedreigingen, is het ook aan JBRA om daar zorgvuldig over te rapporteren. Dat betekent dat wanneer (mogelijke) bedreigingen achteraf niet kunnen worden vastgesteld dan wel uiteindelijk minder ernstig blijken te zijn, dat duidelijk tot uiting moet komen in de verslaglegging. Daarom had JBRA in het borgingsrapport moeten opnemen dat Veilig Thuis niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is geweest van fysieke mishandeling of seksueel misbruik. Uit de tijdlijn en de opbouw van het rapport blijkt wel dat de vermoedens van seksueel misbruik en fysieke mishandeling geen rol meer speelden na augustus 2021. JBRA heeft dat alleen niet met zoveel woorden in het borgingsrapport opgenomen. Gelet op de ernst van de vermoedens en de bijzondere maatschappelijke functie van JBRA, had JBRA dat wel moeten doen.

4.7.

Dit geldt temeer omdat JBRA weet, of moet weten, dat het borgingsrapport na de beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel een eigen leven kan gaan leiden in de verhouding tussen de ouders en informatie aan de rechtbank. In de meeste gevallen als er sprake is van een ondertoezichtstelling, zijn de ouders van de minderjarige met elkaar in conflict. In dat geval zal het borgingsrapport nog lange tijd een rol spelen in eventuele procedures tussen hen onderling. Zeker gelet op de omvang van het geschil tussen [eiser] en de vader van [minderjarige] en de procedures die daarover zijn gevoerd, was dit in het onderhavige geval te verwachten.

4.8.

De rechtbank acht de onzorgvuldige wijze van rapporteren door JBRA in het borgingsrapport dan ook onrechtmatig naar [eiser] . De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat JBRA onrechtmatig heeft gehandeld door onzorgvuldig te rapporteren. Deze verklaring voor recht ziet dan niet op onrechtmatig handelen door valse beschuldigingen of ongefundeerde mededelingen, want dat waren ‘slechts’ de weergaven van de signalen die JBRA had ontvangen.

II. Geen verklaring voor recht dat JBRA bewijs moet leveren voor mogelijk seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] door [eiser]

4.9.

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat JBRA geen bewijs heeft geleverd voor haar stellingen dat [minderjarige] seksueel, fysiek en psychisch is mishandeld of verwaarloosd. De rechtbank zal deze vordering afwijzen.

4.10.

Het ging hier om signalen van derden die door JBRA zijn weergegeven en het is voorts niet aan JBRA om enige vorm van bewijs te leveren, maar om dergelijke signalen te onderzoeken. Nergens in de wettelijke bepalingen over de ondertoezichtstelling (afdeling 3B van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) of in de Jeugdwet staat voor JBRA in haar functie als gecertificeerde instelling enige verplichting opgenomen om aan de ouders bewijs te leveren van de signalen die zij oppakt. De rechtbank verwijst terug naar hetgeen zij hiervoor onder 4.5 heeft overwogen.

III. Geen verklaring voor recht dat [eiser] [minderjarige] niet seksueel misbruikt of fysiek of psychisch mishandeld heeft

4.11.

De rechtbank zal niet overgaan tot een verklaring voor recht dat [eiser] [minderjarige] niet seksueel misbruikt of fysiek of psychisch mishandeld heeft. Hoewel het begrijpelijk is dat [eiser] de wens heeft dat dit de conclusie is die volgt uit de verschillende onderzoeken, is dit volgens de rechtbank niet het geval.

4.12.

Zowel Veilig Thuis als de zedenpolitie hebben geconcludeerd dat zij niet kunnen vaststellen dat het gemelde seksueel misbruik en de fysieke mishandeling wel heeft plaatsgevonden. Daarmee is nog niet komen vast te staan dat het seksueel misbruik en de fysieke mishandeling niet heeft plaatsgevonden. Dit betekent enkel dat zij het seksueel misbruik en fysieke mishandeling niet konden vaststellen en in dat kader geen verdere maatregelen ter bescherming van het kind zijn ondernomen. Van de psychische mishandeling heeft Veilig Thuis juist wel geconcludeerd dat daarvan sprake is geweest.

4.13.

De rechtbank gaat niet mee in de stelling van [eiser] dat als dit niet bewezen kan worden, [eiser] dan onschuldig is. Hoewel dat in het strafrecht zo werkt, gaat het hier om een procedure bij de burgerlijke rechter met het hiervoor onder 4.12 genoemde doel.

IV. JBRA is aansprakelijk voor het onzorgvuldig rapporteren in het borgingsplan

4.14.

[eiser] vordert dat de rechtbank oordeelt dat JBRA aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden door het onrechtmatig handelen van JBRA en vordert dat de rechtbank de zaak voor vaststelling van de (im)materiële schade naar de schadestaatprocedure verwijst.

4.15.

De vordering van [eiser] tot materiële schadevergoeding en tot immateriële schadevergoeding worden afzonderlijk van elkaar beoordeeld. JBRA is niet aansprakelijk voor de materiële schade die [eiser] heeft geleden, maar wel voor de immateriële schade. De rechtbank zal de zaak niet doorverwijzen naar de schadestaatprocedure, maar in dit vonnis schadevergoeding toekennen die niet bestaat uit het betalen van geld, maar uit verbetering van het borgingsrapport.

4.16.

De aansprakelijkheid voor de materiële schade die [eiser] vordert, wijst de rechtbank af. [eiser] stelt dat haar materiële schade bestaat uit proceskosten en kosten van rechtsbijstand die zij over de jaren heeft moeten maken. Ten aanzien van de materiële schade is het causaal verband tussen het onzorgvuldig opstellen van het borgingsrapport en de materiële schade niet komen vast te staan.

4.17.

[eiser] heeft niet voldoende duidelijk gemaakt dat nu juist het borgingsrapport doorslaggevend is geweest voor de materiële schade van [eiser] . In verband met de ondertoezichtstelling is heel veel documentatie beschikbaar. In de beschikkingen van de kinderrechters is duidelijk te lezen dat zij zich vooral hebben gebaseerd op de rapportages van het NIFP en Veilig Thuis. Deze rapportages komen - net als deels het borgingsrapport - tot belastende conclusies over het handelen van [eiser] ten aanzien van [minderjarige] . Het NIFP rapporteerde haar inschatting dat de moeder niet kan aansluiten bij zijn specifieke opvoedingsbehoeftes omdat het haar ontbreekt aan adequate pedagogische en affectieve vaardigheden. Omtrent de mogelijkheden van omgang adviseerde het NIFP om NIKA in te schakelen om de relatie te versterken en om moeder zich bewuster te laten worden van [minderjarige] ’ behoeften, met advies voor psycho-educatie (zie r.o. 4.2 van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 8 april 2022). JBRA heeft ook dit advies opgevolgd. In de laatste beschikking inzake een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling, van de rechtbank Midden-Nederland van 12 augustus 2024, is in r.o. 3.5 wel opgenomen dat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de deskundigheid of juistheid van de borgingsrapportage, maar ook (r.o. 3.6) dat het hof in haar beschikking van 18 januari 2024 zijn oordeel niet heeft gebaseerd op de borgingsrapportage. In die beschikking van het hof (r.o. 5.7) heeft het meegewogen dat in het systeem rondom [minderjarige] rond de momenten van de omgang veel onrust ontstaat doordat de moeder veel e-mails stuurt en dat zij zich niet kan neerleggen bij het verblijf van [minderjarige] bij de vader en dat zij de strijd tegen de vader – en tegen betrokken instanties blijft voortzetten. Dit brengt spanning mee voor [minderjarige] en ten behoeve van het ondervangen daarvan is langdurige compenserende ondersteuning nodig van in dit geval Konfia. Het hof besliste daarom dat gelet op de hardnekkige problematiek de omgangsregeling niet wordt uitgebreid en niet geheel onbegeleid kan plaatsvinden. De rechtbank stelt vast dat van de benodigde wijziging van omstandigheden sinds die uitspraak van het hof geen sprake is geweest en zag geen grond om de door het hof vastgestelde omgangsregeling te wijzigen. Dit alles afwegende komt de rechtbank niet tot de conclusie dat nu juist het borgingsrapport de reden is dat [eiser] materiële schade heeft geleden.

4.18.

JBRA is aansprakelijk voor de immateriële schade die [eiser] heeft geleden. [eiser] stelt dat zij immateriële schade heeft geleden doordat kinderrechters een hele beperkte omgangsregeling voor [eiser] en [minderjarige] hebben vastgesteld op basis van het borgingsplan.

4.19.

Niet is vast komen te staan dat het borgingsrapport doorslaggevend was voor het vaststellen van de omgangsregeling met [minderjarige] door de kinderrechters, omdat de kinderrechters zich met name gebaseerd hebben op de andere beschikbare documentatie. Echter, aan de hand van het borgingsrapport kan een beeld van [eiser] zijn ontstaan in die procedures. Dat beeld kan zijn voortgekomen uit het niet volledig opnemen van de conclusies van Veilig Thuis in het borgingsrapport. De rechtbank acht het geloofwaardig dat het beeld van [eiser] van enige invloed is geweest in de procedures over de omgangsregeling met [minderjarige] . De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat [eiser] enige vorm van immateriële schade heeft geleden.

4.20.

Ondanks dat [eiser] dat heeft gevraagd, zal de rechtbank de zaak niet verwijzen naar de schadestaatprocedure. De rechtbank zal bepalen dat de schade van [eiser] niet wordt betaald met geld. In plaats daarvan zal de schade van [eiser] worden vergoed doordat JBRA het borgingsrapport moet aanpassen. Daarbij wordt in acht genomen dat het borgingsrapport is opgebouwd als een levend document, zodat de meldingen en signalen die in het verleden hebben plaatsgevonden, daaruit niet worden geschrapt. De aanpassingen gelast de rechtbank op basis van artikel 6:103 BW. Dit past bij wat [eiser] heeft gevorderd onder V.b en VIII. JBRA wordt verplicht om het borgingsrapport als volgt aan te passen:

I. Op pagina 4/83 wordt onder ‘Borgingsafspraken – Welke positieve veranderingen zijn er in het gezin te zien? Welke effecten hebben deze veranderingen op de ontwikkeling van de kinderen?’ in de tweede alinea na ‘Dan vertelt [minderjarige] op school op drie afzonderlijke momenten dat hij is geslagen en geknepen door de moeder’ de volgende tekst ingevoegd:

“Naar aanleiding van de uitspraken van [minderjarige] en in verband met eerdere signalen van seksueel misbruik verzoekt Jeugdbescherming Veilig Thuis een onderzoek te verrichten.”

II. Op pagina 4/83 wordt onder ‘Borgingsafspraken – Welke positieve veranderingen zijn er in het gezin te zien? Welke effecten hebben deze veranderingen op de ontwikkeling van de kinderen?’ aan het einde van de tweede alinea de volgende tekst ingevoegd:

“Veilig Thuis concludeert op 5 augustus 2021 dat zij niet kan bevestigen dat seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] heeft plaatsgevonden in de opvoedsituatie bij moeder. Wel concludeert zij dat sprake is van psychische mishandeling en pedagogische verwaarlozing.”

III. Op pagina 8/83 wordt onder ‘HAVIK per 20-10-2021’ na de zin ‘Er is geen sprake van (vermoedens van) actuele onveiligheid.’ de volgende tekst ingevoegd:

“Veilig Thuis heeft op 5 augustus 2021 geconcludeerd dat zij niet kan bevestigen dat seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] heeft plaatsgevonden. Wel heeft zij vastgesteld dat sprake is van psychische mishandeling en pedagogische verwaarlozing.”

IV. Op pagina 44/83 wordt na de eerste alinea, maar voor de tweede alinea een nieuwe alinea ingevoegd, luidende als volgt:

“5 augustus 2021

Onderzoek Veilig Thuis afgerond. Veilig Thuis concludeert dat zij niet kan bevestigen dat sprake is geweest van seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] .”

V. Op pagina 51/83 wordt in het tweede vak, na de tekst “- Veilig Thuis heeft onderzoek gedaan naar kindermishandeling bij [minderjarige] . Geconstateerd is dat er sprake is geweest van verwaarlozing en psychische mishandeling bij [minderjarige] in de thuissituatie van moeder.” de volgende tekst ingevoegd:

“Tevens concludeert Veilig Thuis dat zij niet kan bevestigen dat sprake is geweest van seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] .”

VI. Op pagina 58/83 wordt na de vijfde alinea, maar voor de zesde alinea een nieuwe alinea ingevoegd, luidende als volgt:

“5 augustus 2021

Onderzoek Veilig Thuis afgerond. Veilig Thuis concludeert dat zij niet kan bevestigen dat sprake is geweest van seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] .”

V. Geen vernietiging van het borgingsrapport, geen sprake van een publicatie

4.21.

De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af om het borgingsrapport algeheel te vernietigen. Het borgingsrapport is geen rechtshandeling en alleen rechtshandelingen kunnen vernietigd worden.

4.22.

De rechtbank wijst ook af de vordering van [eiser] om het borgingsrapport op grond van artikel 6:167 lid 1 BW te rectificeren. Voor een rectificatie als bedoeld in dat artikel, is nodig dat het gaat om een publicatie van feitelijk onjuiste gegevens. Het borgingsrapport is geen publicatie zoals daar bedoeld. Het borgingsrapport is een vertrouwelijk document dat voor intern gebruik en voor verslaggeving aan de ouders is bedoeld. Het borgingsrapport is (door JBRA) alleen maar met anderen gedeeld wanneer dit ging om de kinderrechter die over [minderjarige] moest beslissen, of wanneer dit ging over het andere zorginstellingen die bij de opvoeding van [minderjarige] en de begeleiding van [eiser] en de vader van [minderjarige] zijn of waren betrokken. Dat levert geen publicatie op zoals de wet voor rectificatie op basis van artikel 6:167 lid 1 BW vereist. Het borgingsrapport kan toch vaker en ook na beëindiging van de ondertoezichtstelling – bijvoorbeeld door de vader van [minderjarige] - worden overgelegd, zodat door de onzorgvuldige verslaglegging over de conclusies van Veilig Thuis een verkeerde indruk kan ontstaan en daarom moet dit rapport ten behoeve van de verdere zorg voor [minderjarige] en de omgang met [eiser] aangepast worden. Om die reden heeft de rechtbank hiervoor onder 4.20 beslist om schadevergoeding in de vorm van rectificatie van het borgingsrapport toe te kennen.

VII. JBRA houdt de omgang tussen [eiser] en [minderjarige] niet blijvend beperkt

4.23.

De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af om JBRA te veroordelen tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad omdat JBRA de omgang tussen [eiser] en [minderjarige] blijvend beperkt zou houden.

4.24.

Het is niet aan JBRA om een omgangsregeling tussen [eiser] en [minderjarige] vast te stellen. Dit is een taak van de kinderrechter. 3 Hoewel JBRA in het verleden bij de kinderrechter diverse voorstellen voor de omgangsregeling heeft gedaan, was het steeds aan de kinderrechter om daar uiteindelijk over te beslissen.

4.25.

JBRA is daarnaast sinds april 2023 niet meer betrokken bij de procedures waarin de omgangsregeling tussen [eiser] en [minderjarige] wordt vastgesteld. JBRA draagt dus niet meer actief bij aan de vaststelling van die omgangsregeling. Zij kunnen daarom de omgang niet blijvend beperkt houden. Dat het borgingsrapport wel nog in deze procedures wordt betrokken door de ouders, is niet te wijten aan JBRA en kan dus niet aan haar worden toegerekend. Dit staat aan een vordering uit onrechtmatige daad in de weg (artikel 6:162 lid 3 BW) .

VIII. Geen verklaring voor recht dat JBRA onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door schending van artikel 3.3 Jeugdwet, artikel 21 Rv, artikel 8 Grondwet, de artikelen 7, 8, 16, 5 en 18 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en artikel 8 Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens

4.26.

De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af tot een verklaring voor recht dat JBRA onrechtmatig heeft gehandeld door schending van voormelde artikelen. In tegenstelling tot [eiser] is de rechtbank van oordeel dat JBRA niet onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van de vaststelling van de omgangsregeling. JBRA heeft, zoals eerder aangegeven, haar wettelijke taak uitgevoerd. Daarmee heeft zij geen inbreuk gemaakt op het ‘family life’ zoals [eiser] betoogt. Enige inmenging in het ‘family life’ of een van de andere fundamentele rechten uit gemelde artikelen van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), is gedaan op grond van daartoe strekkende wettelijke bepalingen door daartoe bevoegde rechters. Die rechters hebben bovendien gehandeld in het belang van [minderjarige] , zoals het IVRK vereist. Dat het borgingsrapport in die beslissingen een doorslaggevende rol heeft gespeeld is niet komen vast te staan, gelet op de overige rapporten van het NIFP en Veilig Thuis waar de rechters zich op hebben gebaseerd.

4.27.

De rechtbank is daarnaast niet van oordeel dat het onzorgvuldige rapporteren door JBRA een schending van artikel 21 Rv of artikel 3.3 Jeugdwet heeft opgeleverd omdat in het borgingsrapport geen onwaarheden staan opgenomen (zie hiervoor onder 4.5) omdat de zorgen om seksueel misbruik en fysieke mishandeling wel degelijk hadden bestaan. [eiser] heeft haar betwisting van deze omstandigheden in de betreffende procedure bij de kinderrechter kunnen aanvoeren. In deze procedure is alleen komen vast te staan dat het borgingsrapport onzorgvuldig is geweest. De conclusie dat daarmee genoemde artikelen zijn geschonden kan daaruit niet worden getrokken in aanmerking genomen de adviserende en niet de beslissende rol die JBRA in deze procedures heeft.

De proceskosten worden gecompenseerd

4.28.

Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat JBRA onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] doordat JBRA onzorgvuldig heeft gerapporteerd in het borgingsrapport,

5.2.

verklaart voor recht dat JBRA aansprakelijk is voor de immateriële schade die [eiser] als gevolg van het onzorgvuldig rapporteren door JBRA heeft geleden,

5.3.

stelt de schadevergoeding voor de onrechtmatige daad van JBRA uit hoofde van artikel 6:103 BW vast in een andere vorm dan betaling van een geldsom, namelijk door aanpassing van het borgingsrapport dat JBRA heeft opgesteld,

5.4.

gebiedt JBRA om het borgingsplan te aan te passen als volgt:

I. Op pagina 4/83 wordt onder ‘Borgingsafspraken – Welke positieve veranderingen zijn er in het gezin te zien? Welke effecten hebben deze veranderingen op de ontwikkeling van de kinderen?’ in de tweede alinea na ‘Dan vertelt [minderjarige] op school op drie afzonderlijke momenten dat hij is geslagen en geknepen door de moeder’ de volgende tekst ingevoegd:

“Naar aanleiding van de uitspraken van [minderjarige] en in verband met eerdere signalen van seksueel misbruik verzoekt Jeugdbescherming Veilig Thuis een onderzoek te verrichten.”

II. Op pagina 4/83 wordt onder ‘Borgingsafspraken – Welke positieve veranderingen zijn er in het gezin te zien? Welke effecten hebben deze veranderingen op de ontwikkeling van de kinderen?’ aan het einde van de tweede alinea de volgende tekst ingevoegd:

“Veilig Thuis concludeert op 5 augustus 2021 dat zij niet kan bevestigen dat seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] heeft plaatsgevonden in de opvoedsituatie bij moeder. Wel concludeert zij dat sprake is van psychische mishandeling en pedagogische verwaarlozing.”

III. Op pagina 8/83 wordt onder ‘HAVIK per 20-10-2021’ na de zin ‘Er is geen sprake van (vermoedens van) actuele onveiligheid.’ de volgende tekst ingevoegd:

“Veilig Thuis heeft op 5 augustus 2021 geconcludeerd dat zij niet kan bevestigen dat seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] heeft plaatsgevonden. Wel heeft zij vastgesteld dat sprake is van psychische mishandeling en pedagogische verwaarlozing.”

IV. Op pagina 44/83 wordt na de eerste alinea, maar voor de tweede alinea een nieuwe alinea ingevoegd, luidende als volgt:

“5 augustus 2021

Onderzoek Veilig Thuis afgerond. Veilig Thuis concludeert dat zij niet kan bevestigen dat sprake is geweest van seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] .”

V. Op pagina 51/83 wordt in het tweede vak, na de tekst “- Veilig Thuis heeft onderzoek gedaan naar kindermishandeling bij [minderjarige] . Geconstateerd is dat er sprake is geweest van verwaarlozing en psychische mishandeling bij [minderjarige] in de thuissituatie van moeder.” de volgende tekst ingevoegd:

“Tevens concludeert Veilig Thuis dat zij niet kan bevestigen dat sprake is geweest van seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] .”

VI. Op pagina 58/83 wordt na de vijfde alinea, maar voor de zesde alinea een nieuwe alinea ingevoegd, luidende als volgt:

“5 augustus 2021

Onderzoek Veilig Thuis afgerond. Veilig Thuis concludeert dat zij niet kan bevestigen dat sprake is geweest van seksueel misbruik of fysieke mishandeling van [minderjarige] .”,

5.5.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad en

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. H. van Nieuwenhuizen-van Cadsand, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733