Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1602

Essentie (gemaakt door AI)

IPR. Familierecht. In Pakistan gesloten huwelijk wordt in Nederland niet erkend wegens huwelijksdwang, zodat erkenning in strijd is met de openbare orde art. 10:32 sub e BW. Ook ontbreekt een beëdigde vertaling van het marriage certificate, waardoor rechtsgeldigheid niet kan worden vastgesteld. Het hof vernietigt de eerdere echtscheidingsbeschikking, bepaalt dat geen erkenning plaatsvindt en verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken tot echtscheiding, partneralimentatie en nietigverklaring/vernietiging van het huwelijk.

Datum publicatie25-03-2026
Zaaknummer200.357.970/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2025:1783
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; IPR huwelijk
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

IPR. Familierecht. In Pakistan gesloten huwelijk wordt in Nederland niet erkend, in verband met huwelijksdwang (artikel 10:32 sub e BW. Hof komt daarom niet toe aan beoordeling verzoeken tot echtscheiding, partneralimentatie en nietigverklaring of vernietiging van huwelijk.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.357.970/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 196600)

beschikking van 17 maart 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de vrouw),

die woont op een geheim adres,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.P. van Dalen te Leeuwarden,

en

[verweerder] (de man),

die woont in [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam.

1De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 8 augustus 2025;

- een brief namens de vrouw met bijlage(n), ingekomen op 9 september 2025;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 27 januari 2026 plaatsgevonden. De vrouw is verschenen, bijgestaan door haar advocaat en tolk (taal: Farsi, nummer: [nummer] ). De man en zijn advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3De feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2018 in [plaats1] , Pakistan.

De vrouw heeft de Afghaanse nationaliteit. De man is in Afghanistan geboren, maar heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit. Beide partijen wonen in Nederland.

3.2

De vrouw heeft de rechtbank, bij verzoekschrift ingekomen op 10 september 2024, verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarnaast heeft zij de rechtbank verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage zal doen in haar levensonderhoud (partneralimentatie) van € 2.500,- bruto per maand. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot partneralimentatie en bij zelfstandig verzoek eveneens verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

3.3

Bij beschikking van 30 oktober 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de man haar een bijdrage in haar levensonderhoud betaalt van € 667,- per maand, afgewezen.

4De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 9 mei 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie afgewezen.

4.2

De vrouw is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking (het hof begrijpt:) deels te vernietigen onder verbetering van gronden, en het volgende te bepalen:

I. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen met ingang van de datum van

echtscheiding een bruto partneralimentatie van € 700,- per maand althans een door het hof

in goede justitie te bepalen bedrag;

II. de man te veroordelen om binnen twee weken na afgifte van het in dezen te wijzen

beschikking aan de advocaat van de vrouw te sturen een recente uitdraai vanuit

mijnpensioenoverzicht.nl, zulks onder verbeurte van een direct opeisbare en niet voor

compensatie vatbare dwangsom van € 250,- voor elke dag dan wel dagdeel dat de man

daarmee in gebreke zal blijven;

III. de af te geven beschikking uitvoerbaar voorraad te verklaren;

IV. de kosten in de procedure te compenseren.

4.3

De man voert verweer en verzoekt het hof de grieven van de vrouw te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de man het hof het huwelijk van partijen nietig te verklaren, dan wel te vernietigen.

4.4

De vrouw voert hiertegen verweer en verzoekt het hof de man in zijn incidentele verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren.

4.5

Het hof constateert dat de man bij zijn verweerschrift een recente uitdraai vanuit mijnpensioenoverzicht.nl in het geding heeft gebracht, zodat op dat verzoek van de vrouw door het hof niet meer behoeft te worden beslist.

5De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1

Het hof dient eerst te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze zaak, die internationale aspecten heeft. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hadden partijen beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de verzoeken tot echtscheiding en nietigverklaring van het huwelijk (artikel 3 sub a onder i van de Verordening Brussel II-ter). Op grond van de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland, komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek over de partneralimentatie

(artikel 3 van de Alimentatieverordening).

5.2

Omdat de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast en geen van partijen daartegen een grief heeft gericht, zodat het toepasselijke recht in hoger beroep niet in geschil is, zal het hof ook Nederlands recht toepassen.

5.3

Voordat het hof toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van partijen, zal het hof eerst ambtshalve beoordelen of tussen partijen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland kan worden erkend. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is, zoals hierna nader wordt uitgelegd.

De erkenning van het huwelijk

5.4

Artikel 10:31 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat op grond van het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig in Nederland wordt erkend. Lid 4 van genoemd artikel bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

5.5

Artikel 10:32 BW bepaalt dat ongeacht artikel 10:31 BW aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning wordt onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk niet vrijelijk zijn toestemming tot het huwelijk had gegeven, tenzij deze uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt (sub e).

5.6

Tussen partijen is niet in geschil dat [in] 2018 in [plaats1] (Pakistan) een huwelijksceremonie heeft plaatsgevonden tussen de man en de vrouw. Het hof stelt daarnaast vast dat een kopie van een ’Marriage Certificate’ is overgelegd die volgens dat stuk door de daartoe bevoegde autoriteit in Pakistan is afgegeven. Een beëdigde vertaling van dit stuk ontbreekt.

5.7

Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is het hof verder het volgende gebleken. De vrouw was net 18 jaar toen zij in het huwelijk trad met de man, die ook haar neef is. Dit is niet ongebruikelijk in landen als Pakistan en staat op zichzelf niet in de weg aan de erkenning van het huwelijk 1. De vrouw woonde op het moment van huwelijkssluiting in Pakistan bij haar familie.

De man woonde op dat moment in Nederland, waar hij sinds het jaar 2000 ingeschreven staat. De vrouw heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld dat sprake is van een door haar vader en de man gearrangeerd huwelijk en dat de vrouw als zodanig gedwongen is om in het huwelijk te treden met de man. Ter zitting van het hof heeft de vrouw daarop toegelicht dat als zij de keuze had gehad, zij niet met de man was getrouwd, omdat zij daar nog niet klaar voor was en dit daarnaast betekende (in Pakistan) dat zij niet verder kon studeren, wat wel haar wens was. De vrouw kon echter niet tegen de wil van haar vader ingaan, anders had hij haar vermoord of verstoten, aldus de vrouw. Ook de man heeft in incidenteel hoger beroep betoogd dat sprake is van huwelijksdwang c.q. van een gedwongen huwelijk, waarbij de ouders van de vrouw haar hebben gedwongen om met de man te trouwen. De vrouw is pas vijf jaar na de huwelijksvoltrekking naar Nederland gekomen. De man kwam in de tussentijd in de vakanties naar Pakistan en verbleef dan bij de vrouw en haar familie. Ter zitting heeft de vrouw hierover verklaard dat de man langskwam als zijnde een familielid (neef), maar niet als haar partner met wie zij intiem was. Zij heeft nooit op die manier samengeleefd met de man. De vrouw heeft zich op het Nederlandse consulaat in Pakistan laten adviseren over de te volgen stappen in verband met het gedwongen huwelijk. Uit haar verzoekschrift in eerste aanleg blijkt dat de vrouw is begonnen met Nederlandse lessen, maar dit opzettelijk heeft vertraagd en examens niet heeft gehaald, omdat zij in eerste instantie niet naar Nederland wilde komen en niet getrouwd wilde zijn. De vrouw is uiteindelijk, nadat zij haar Nederlandse taalcertificaat heeft gehaald en de man een verzoek tot gezinshereniging had ingediend, toch naar Nederland gekomen in april 2023. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij graag wilde studeren en de ambassade in Pakistan had toegezegd haar te zullen steunen bij haar komst naar Nederland en het regelen van zaken. De vrouw heeft niet de intentie gehad om bij aankomst in Nederland met de man te gaan samenwonen. Ze wist niet hoe hij met haar zou omgaan en of zij bijvoorbeeld in een ondergeschikte positie zou terechtkomen. Bij aankomst op Schiphol heeft de vrouw (ook) aan de Nederlandse autoriteiten verklaard dat zij in een gedwongen huwelijk zit en tegen haar wil door haar man naar Nederland is gehaald. Vervolgens is zij naar [plaats2] gebracht en heeft zij asiel aangevraagd. Uit het dossier blijkt overigens dat de man aanvankelijk wel in de veronderstelling verkeerde dat de vrouw conform haar wil met hem is gehuwd en bij hem zou komen wonen. Hij voelde zich bedrogen toen hij van de vrouw vernam dat sprake was van huwelijksdwang.

5.8

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de wil van de vrouw tot het sluiten van een huwelijk met de man van meet af aan heeft ontbroken. Op basis daarvan en het feit dat van de ‘Marriage Certificate’ geen beëdigde vertaling is opgemaakt, kan het hof niet vaststellen dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is gesloten. Nu de vrouw niet vrijelijk heeft ingestemd met het huwelijk en zij evenmin nadrukkelijk heeft ingestemd met de erkenning ervan, is erkenning van het huwelijk – wat er ook zij van de rechtsgeldigheid van het huwelijk in Pakistan – onverenigbaar met de Nederlandse openbare orde en dient ook om deze reden in Nederland erkenning aan het huwelijk te worden onthouden.

5.9

Nu het huwelijk van partijen in Nederland niet wordt erkend, is het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk en komt het hof niet toe aan de beoordeling van het nevenverzoek van de partneralimentatie en het verzoek tot nietigverklaring of vernietiging van het huwelijk. Het hof zal partijen in zoverre in hun verzoeken niet-ontvankelijk verklaren. Voor zover partijen in de basisregistratie personen als gehuwd geregistreerd staan, berust dat aldus op een fout en dient dat te worden gecorrigeerd.

5.10

Conform het verzoek van de vrouw zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, bepalen dat het huwelijk niet kan worden erkend, de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot nietigverklaring of vernietiging van het huwelijk, beide partijen in hun verzoek tot echtscheiding en de vrouw in haar verzoek tot partneralimentatie.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

9 mei 2025;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het huwelijk van partijen, gesloten [in] 2018 te [plaats1] (Pakistan), naar Nederlands recht niet voor erkenning in aanmerking komt;

verklaart de vrouw en de man niet-ontvankelijk in hun beider verzoek tot echtscheiding;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot partneralimentatie;

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot nietigverklaring of vernietiging van het huwelijk;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Knot, mr. M.A.F. Veenstra en mr. B.J. Voerman, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, ‘Huwelijks- en gezinsmigratie’ 32 175, nr. 58.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733