Essentie (gemaakt door AI)
Vader verzoekt vaststelling gecombineerde geslachtsnaam voor minderjarige. Wettelijke grondslag om geschil over naamskeuze of naamswijziging aan de rechtbank voor te leggen ontbreekt, nu art. 1:5 BW uitgaat van een gezamenlijke keuze en vervangende toestemming niet is voorzien; ook art. 1:253a BW biedt geen basis. De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de verenigbaarheid van de vangnetbepaling en het ontbreken van rechtsingang met art. 8 en 14 EVRM en andere verdragen.| Datum publicatie | 24-03-2026 |
| Zaaknummer | C/02/411977 / FA RK 23-3406 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Middelburg |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Gezagsgeschil 1:253a BW; Overig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW); Familieprocesrecht; Prejudiciële vragen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De rechtbank stelt vast dat op dit moment een wettelijke basis ontbreekt op grond waarvan een verzoek om wijziging van een geslachtsnaam ter beoordeling aan de rechtbank kan worden voorgelegd. De rechtbank vraagt zich af of de bestaande vangnetbepaling voldoende aansluit bij de recente ontwikkelingen op het gebied van het namenrecht en of de onmogelijkheid om een geschil tussen ouders hieromtrent voor te leggen aan de rechtbank strijdig is met de bepalingen in artikel 8 en 14 van het EVRM. Antwoord op de hierna vermelde vragen is nodig om in deze zaak te kunnen beslissen. Bovendien is beantwoording van deze vragen rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van andere, soortgelijke, zaken.Volledige uitspraak
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaak/rekestnr: C/02/411977 / FA RK 23-3406
datum uitspraak: 3 maart 2026
beschikking betreffende prejudiciële vragen gecombineerde geslachtsnaam
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper te Roosendaal,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. J.A. Scanlan te Roosendaal,
betreffende de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1Het verdere procesverloop
De rechtbank verwijst voor het verloop van de procedure naar de beschikking van 15 juli 2025. In deze beschikking heeft de rechtbank aangekondigd dat zij voornemens is om op grond van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de Hoge Raad der Nederlanden rechtsvragen voor te leggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Overeenkomstig artikel 392 lid 1 Rv heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich schriftelijk uit te laten over de inhoud van de te stellen vragen.
Bij brief d.d. 7 oktober 2025 heeft mr. Pijls-olde Scheper zich namens de man uitgelaten over de prejudiciële vragen die de rechtbank kan stellen aan de Hoge Raad. Op het bijgevoegde F9-formulier d.d. 7 oktober 2025 stelt mr. Pijls-olde Scheper dat mr. Scanlan heeft aangegeven geen verdere aanvulling te hebben op de door haar geformuleerde vragen.
3De (verdere) beoordeling
Waar gaat het om?
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat [minderjarige] een gecombineerde geslachtsnaam krijgt, in die zin dat hij voortaan zal heten: [naam] .
De man stelt hiertoe het volgende. [minderjarige] is geboren uit de affectieve relatie van partijen. Tijdens de zwangerschap hebben partijen uitgebreid gesproken over de door hen aan de baby te geven voorna(a)m(en) en geslachtsnaam. Voor de bevalling is de relatie tussen partijen geëindigd en heeft de vrouw hem niet meer betrokken bij het verdere verloop van de zwangerschap, aldus de man. De man is pas enkele weken na de bevalling door de vrouw geïnformeerd over de geboorte van [minderjarige] met als gevolg dat hij ook niet betrokken is geweest bij de aangifte van de geboorte van [minderjarige] en de naamkeuze. [minderjarige] heeft bij zijn geboorte op basis van een eenzijdige keuze van de vrouw de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam van de vrouw] ’ gekregen. Zoals hij eerder met de vrouw had besproken vindt de man het belangrijk dat [minderjarige] (mede) zijn geslachtsnaam draagt, net als de andere kinderen binnen zijn gezin, maar ook met de bedoeling dat zijn bloedlijn daarmee wordt voortgezet. [minderjarige] is nu het enige kind binnen zijn gezin met een andere geslachtsnaam en valt hiermee buiten het intieme gezinssysteem van de man. [minderjarige] is een kind van beide partijen en de man heeft daarom niet de intentie om de geslachtsnaam van [minderjarige] te wijzigen in die van de man, maar om zijn geslachtsnaam toe te voegen aan die van de vrouw. De vrouw weigert mee te gaan in de wens van de man met als gevolg dat partijen op dit punt niet tot een vergelijk komen. Op basis van de huidige wetgeving kan de geslachtsnaam worden gewijzigd op het moment van erkenning, adoptie of bij het verkrijgen van gezamenlijk gezag dan wel door een verzoek te richten aan De Koning (Dienst Justis). Deze opties zijn alleen mogelijk als beide ouders hier achter staan en een gezamenlijke verklaring omtrent de naamkeuze afleggen of als de andere ouder toestemming geeft aan een ouder om een verzoek te richten aan De Koning. In het geval dat partijen op dit punt niet tot overeenstemming komen en een dergelijke verklaring c.q. toestemming ontbreekt, behoudt [minderjarige] op grond van de vangnetbepaling die volgt uit artikel 1:5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn geslachtsnaam die hij heeft gekregen ten tijde van zijn geboorte. De man meent dat op basis van de huidige wetgeving hem de mogelijkheid ontbreekt om een geschil hieromtrent voor te leggen aan de rechter. De man stelt in dit kader dat de vangnetbepaling en het ontbreken van een rechtsingang in strijd is met de artikelen 8 (recht op eerbiediging van privé- en familieleven) en 14 (verbod op discriminatie) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De wijze waarop de vangnetbepaling is ingevuld is volgens de man discriminatoir en hij verwijst in dit kader naar de wetgeving in België, Luxemburg en Italië, waar in het geval er geen gezamenlijke keuze door ouders wordt gemaakt sprake is van een neutraal vangnet en een kind de geslachtsnamen van beide ouders in alfabetische volgorde krijgt. Volgens de man sluit dit meer aan bij de actuele wetgeving in Nederland. Voor de man is de onderhavige kwestie erg belangrijk. Hij hoopt dat de rechtbank bereid is om op grond van een belangenafweging een principiële beslissing te nemen dan wel om de Hoge Raad te vragen zich hierover uit te laten.
Wat vinden de vrouw en de Raad van dit verzoek?
De vrouw betwist de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] , omdat de wettelijke basis voor een dergelijk verzoek ontbreekt. Op grond van artikel 1:5 BW hebben ouders het recht om een geslachtsnaam voor hun kind te kiezen. Het EVRM noemt niet expliciet het recht op een naam(keuze), maar uit de jurisprudentie volgt wel dat het hebben van een naam onder de werking van artikel 8 EVRM valt. Naar het oordeel van het Europese Hof is het Nederlandse systeem waarbij ouders de mogelijkheid krijgen om een geslachtsnaam voor hun kind te kiezen (en bij gebreke van een keuze dat dit wordt bepaald door de vangnetbepaling) niet in strijd met artikel 8 EVRM (EHRM [arrest] , 27 april 2000). De ouders hebben met de invoering van de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (hierna: WIGG) in 2024 een extra keuzemogelijkheid gekregen in de vorm van een gecombineerde geslachtsnaam. Dat deze gecombineerde geslachtsnaam niet is opgenomen in de vangnetregeling, maakt volgens de vrouw niet dat deze nieuwe regeling nu wel in strijd is met artikel 8 en/of 14 EVRM. Het doel van de vangnetbepaling is namelijk om te voorkomen dat een kind te lang zonder een geslachtsnaam opgroeit. De vrouw stelt dat de keuze ten aanzien van de gecombineerde geslachtsnaam geen plicht impliceert, maar een recht. De (gezamenlijke) keuzevrijheid staat voorop en is niet afdwingbaar via de rechter. Een beslissing van de rechtbank op dit punt strookt dan ook niet met het karakter van een gezamenlijke verklaring ten overstaan van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand, zoals voorgeschreven is in de overgangsregeling WIGG voor kinderen die, net als [minderjarige] , geboren zijn tussen 2016 en 2024 (geldend tot 1 januari 2025). Indien de rechtbank de visie van de vrouw ten aanzien van de ontvankelijkheid van de man niet deelt en de man ontvankelijk acht in zijn verzoek, voert de vrouw verweer tegen dit verzoek. Door omstandigheden en met reden heeft de vrouw destijds de keuze gemaakt om [minderjarige] de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam van de vrouw] ’ te geven. De vrouw stelt nooit de wens te hebben gehad om [minderjarige] de geslachtsnaam van de man te geven. Zij betwist dan ook de stelling van de man hieromtrent. Het toevoegen van de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam van de man] ’ zal ertoe leiden dat er binnen haar gezin veel verschillende geslachtsnamen ontstaan, nu de vrouw ook nog een dochtertje heeft uit een eerdere relatie en zij de naam van haar biologische vader draagt. De vrouw vindt dit verwarrend voor haar kinderen. Daarnaast is [minderjarige] gewend aan zijn huidige geslachtsnaam en de toevoeging van een extra geslachtsnaam maakt het ingewikkeld voor hem, maar ook voor de omgeving, instanties etc. waar deze wijziging moet worden doorgevoerd. De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
Los van de juridische discussie die wordt gevoerd, vindt de Raad het lastig om in het belang van [minderjarige] een advies te geven over de vraag of het geven van een gecombineerde geslachtsnaam aan [minderjarige] in zijn belang is. Gezien zijn jonge leeftijd hoeft een wijziging van geslachtsnaam voor hem geen probleem te zijn. Dit kan [minderjarige] namelijk een gevoel geven dat hij bij het gezinssysteem van zowel de vrouw als de man hoort. Volgens de Raad is het wel belangrijk dat een naamkeuze door beide ouders wordt uitgedragen naar een kind, al valt niet te voorspellen welke impact het op een kind zal hebben.
Wat staat er in de wet?
Artikel 1:5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat ouders gezamenlijk een keuze kunnen maken voor de geslachtsnaam van hun kind. Dit kan voorafgaand aan de geboorte of uiterlijk bij de geboorteaangifte. Zij maken deze keuze dan bij de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand en moeten hiervoor beiden tekenen. Ook ter gelegenheid van een erkenning, adoptie of bij het verkrijgen van gezamenlijk gezag hebben ouders de mogelijkheid om een gezamenlijke verklaring af te leggen betreffende de geslachtsnaamkeuze. De keuze wordt dan in de rechterlijke beslissing vermeld. Terugkomen op de gekozen geslachtsnaamkeuze is niet mogelijk. Er kan wel om wijziging van de geslachtsnaam worden gevraagd. Een dergelijk verzoek kan door de wettelijke vertegenwoordiger van het kind worden voorgelegd aan De Koning en moet dan worden ingediend bij Dienst Justis. Vervolgens wordt daarop bij Koninklijk Besluit beslist (artikel 1:7 BW) .
Op 1 januari 2024 is de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG) in werking getreden. Op basis van deze wet kunnen ouders ervoor kiezen om hun kind dat op of na 1 januari 2024 is geboren een dubbele geslachtsnaam te geven die bestaat uit een combinatie van de geslachtsnamen van beide ouders. Deze extra keuzemogelijkheid geldt met de overgangsbepaling van artikel IIIB van de WIGG tijdelijk ook voor ouders van een kind dat op of na 1 januari 2016 is geboren.
Het overgangsrecht van de WIGG bepaalt dat ouders gedurende heel 2024 een hernieuwde naamkeuze kunnen uitbrengen als hun enige of oudste kind is geboren op of na 1 januari 2016. Er moet dan aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
de ouders verklaren gezamenlijk dat de kinderen een geslachtsnaam behoren te krijgen die bestaat uit een combinatie van de geslachtsnamen van beide ouders in een door hen eensluidend gekozen volgorde;
het oudste kind dat in familierechtelijke betrekking tot beide ouders staat, is geboren op of na 1 januari 2016 en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet;
de verklaring betreft alle kinderen van dezelfde ouders.
Uit het overgangsrecht en de parlementaire geschiedenis van de WIGG volgt dat het moet gaan om een naamkeuze van ouders gezamenlijk. Als één van beide ouders niet meewerkt aan de keuze voor een gecombineerde geslachtsnaam, biedt het overgangsrecht van de WIGG geen mogelijkheid voor wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige. Dat is ook in lijn met het wettelijke systeem van artikel 1:5 BW dat uitgaat van een naamkeuze van beide ouders gezamenlijk. Er bestaat verder geen wettelijke grondslag om in de situatie dat één van beide ouders niet meewerkt aan de keuze voor een (gecombineerde) geslachtsnaam aan de andere ouder vervangende toestemming hiervoor te verlenen. Artikel 1:5 BW voorziet daar niet in. Dit geldt ook voor artikel 1:253a BW, omdat het niet ziet op een geschil tussen ouders over de gezamenlijke uitoefening van het gezag. Voor het doen van een naamkeuze is immers niet vereist dat ouders samen het gezag over hun kind hebben. Daarbij komt dat de wetgever voor wat betreft de keuze van ouders voor een geslachtsnaam voor hun kind er bewust van heeft afgezien om een mogelijkheid te creëren om geschillen over de geslachtsnaam aan de rechter voor te leggen (zie de conclusie van de AG, ECLI:NL:PHR:2006:AU9239, r.o. 3.5-3.9).
Wat wil de rechtbank aan de Hoge Raad vragen?
De rechtbank stelt vast dat op dit moment een wettelijke basis ontbreekt op grond waarvan een verzoek om wijziging van een geslachtsnaam ter beoordeling aan de rechtbank kan worden voorgelegd. De rechtbank vraagt zich af of de bestaande vangnetbepaling voldoende aansluit bij de recente ontwikkelingen op het gebied van het namenrecht en of de onmogelijkheid om een geschil tussen ouders hieromtrent voor te leggen aan de rechtbank strijdig is met de bepalingen in artikel 8 en 14 van het EVRM. Antwoord op de hierna vermelde vragen is nodig om in deze zaak te kunnen beslissen. Bovendien is beantwoording van deze vragen rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van andere, soortgelijke, zaken.
De rechtbank heeft ingevolge artikel 392 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de inhoud van de te stellen prejudiciële vragen. Naar aanleiding van de reactie van partijen heeft de rechtbank de volgende vragen geformuleerd:
Vraag 1:
Levert de vangnetbepaling artikel 1:5 lid 5 BW (waarin een kind de geslachtsnaam krijgt van een van de juridische ouders bij het ontbreken van een gezamenlijke keuze voor een gecombineerde geslachtsnaam) strijd op met:
artikel 8 en/of artikel 14 EVRM?
Artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (zoals thans de Hoge Raad concludeerde op 23 september 1988, NJ 1989. 740)?
Artikel 16, in het bijzonder het eerste lid, onder g, van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (zoals het College voor de Rechten van de Mens thans concludeerde en het Verdragscomité, het DEDAW, al driemaal heeft geconstateerd)?
Vraag 2:
Is er sprake van discriminatie tussen een vader die het kind na de geboorte (met vervangende toestemming) erkend heeft enerzijds en degene die door het huwelijk juridisch ouder wordt anderzijds voor zover dit ziet op het geven van een gecombineerde geslachtsnaam aan een kind?
Vraag 3:
Indien vraag 1 en/of 2 positief worden beantwoord, welke naam dient het kind dan te krijgen bij gebrek aan een gezamenlijke keuze ten aanzien van de geslachtsnaam door de juridische ouders?
Vraag 4:
Levert het ontbreken van de mogelijkheid om vervangende toestemming te krijgen om een gecombineerde geslachtsnaam vast te stellen in het geval een juridisch ouder niet instemt met een naamkeuze strijd op met artikel 6 EVRM?
Vraag 5:
Indien vraag 4 positief wordt beantwoord, welke maatstaf dient de rechter te gebruiken bij het beoordelen van het verzoek tot vervangende toestemming ten aanzien van een naamskeuze?
Boven besproken problematiek is slechts in een beperkt aantal situaties en gedurende een beperkte termijn van toepassing. Buiten deze situaties dient zich de vraag aan wat te doen als de man het niet eens is met de gekozen geslachtsnaam en bij Dienst Justis om wijziging vraagt. Vandaar de volgende twee vragen:
Vraag 6:
Levert het ontbreken van de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot geslachtsnaamwijziging bij Dienst Justis door een ouder zonder gezag op grond van artikel 1:7 BW strijd op met artikel 6 EVRM? En geldt dit ook in het geval er sprake is van gezamenlijk gezag en de andere ouder geen toestemming geeft voor het indienen van het verzoek?
Vraag 7:
Indien vraag 6 positief wordt beantwoord, welke rechter zou een geschil hieromtrent moeten beoordelen?
In afwachting van de beantwoording van de voornoemde prejudiciële vragen zal de rechtbank iedere verdere beslissing op het verzoek van de man aanhouden.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
3De beslissing
De rechtbank
verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden om bij wijze van prejudiciële beslissing de in rechtsoverweging 2.10 omschreven rechtsvragen te beantwoorden;
bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van deze beschikking zendt aan de civiele griffie van de Hoge Raad der Nederlanden, postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage;
bepaalt dat de griffier afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken op eerste verzoek aan de voornoemde griffie van de Hoge Raad zendt;
houdt iedere verdere beslissing aan tot 8 september 2026 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, voorzitter tevens rechter, mrs. De Beer en Dijkman, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Tegen deze beslissing staat geen voorziening open
1.
Artikel 392 lid 3 Rv
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
