Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep over gezamenlijk gezag, omgang en kinderalimentatie. Verzoek vader om gezamenlijk gezag afgewezen wegens ontbreken minimale basis voor overleg; klemcriterium weegt mee. Ook beslissing over ingangsdatum KAL en indexering.| Datum publicatie | 24-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.358/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Gezag; Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzoek gezamenlijk gezag afgewezen, omdat minimale basis voor overleg op ouderniveau ontbreekt. Grotendeels overeenstemming over kinderalimentatie, enkel een beslissing over de ingangsdatum nodig.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.358/01
zaaknummer rechtbank: C/15/342018 FA RK 23-3362
beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. D.E. Oud te Krommenie,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. B.L.A. Bancken te Haarlem .
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats C] ,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] (14 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar) (hierna: de kinderen), de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen en de door de vader te betalen kinderalimentatie.
De rechtbank heeft het verzoek van de vader om mede met het gezag over de kinderen te worden belast, afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld en de kinderalimentatie verhoogd naar een bedrag van € 86,- per kind per maand. De vader is het daarmee niet eens en wil dat het hof hem alsnog mede belast met het gezag over de kinderen. Daarnaast wil hij een uitgebreidere omgangsregeling met de kinderen en verlaging van de kinderalimentatie.
De moeder is het eens met de beslissingen van de rechtbank over het gezag en de omgangsregeling, maar wil dat het hof de kinderalimentatie vaststelt op een hoger bedrag dan de rechtbank heeft gedaan.
2De procedure in hoger beroep
De vader is op 2 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
De moeder heeft op 8 september 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
De vader heeft op 29 oktober 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 26 augustus 2025 (proces-verbaal zitting eerste aanleg);
- een bericht van de zijde van de moeder van 16 januari 2026 met bijlagen (prod. 6-19);
- een bericht van de zijde van de vader van 23 januari 2026 met bijlagen (prod. 3-5).
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om te laten weten wat zij van de zaak vinden. [minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft op 29 januari 2026 buiten aanwezigheid van partijen en in aanwezigheid van de griffier met de voorzitter gesproken. De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. [minderjarige 2] heeft op het door het hof aan haar gezonden Formulier bij kindgesprek haar mening opgeschreven.
De zitting heeft op 30 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De raad is – met bericht van verhindering – niet ter zitting verschenen.
3De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 te [plaats C] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2017 te [plaats C] .
De ouders hebben tot 3 juni 2019 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over de kinderen.
Bij beschikking van 1 maart 2022 heeft dit hof – voor zover nu nog van belang – bepaald dat de vader met ingang van 15 maart 2022 aan de moeder € 67,- per kind per maand aan kinderalimentatie dient te betalen. Op grond van de wettelijke indexering bedraagt deze kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2025 € 78,- per kind per maand.
Bij beschikking van de rechtbank van 25 augustus 2022 heeft de rechtbank een eerder verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen en een omgangsregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de vader verblijven:
- de ene week van woensdag 12:00 uur (uit school) tot 18:00 uur;
- de andere week op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur, waarbij de vader de kinderen ophaalt en terugbrengt.
Aan deze regeling wordt beperkt uitvoering gegeven.
De vader heeft een nieuwe partner en [in] 2022 is hun zoon [minderjarige 3] geboren.
De moeder is [in] 2023 getrouwd met [naam] en [in] 2025 is hun zoon [minderjarige 4] geboren.
4De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vader om mede met het gezag over de kinderen te worden belast, afgewezen.
Daarnaast heeft de rechtbank de volgende omgangsregeling vastgesteld:
De kinderen verblijven bij de vader:
- om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij [minderjarige 1] in beginsel bij de vader mag logeren als zij uiterlijk op donderdag laat weten dat zij dit wil;
- op één van de kerst- en paasdagen, op Vaderdag en om het jaar op Koningsdag;
waarbij de vader de kinderen ophaalt en terugbrengt. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de vader met ingang van 1 juli 2025 aan de moeder € 86,- per kind per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen.
De vader verzoekt in het principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat hij alsnog mede met het ouderlijk gezag over de kinderen wordt belast. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat de omgangsregeling wordt gewijzigd in een regeling waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur bij hem verblijven, waarbij hij de kinderen op zaterdag ophaalt bij de moeder en de moeder de kinderen op zondag ophaalt bij de vader, alsmede dat vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld. Tot slot verzoekt hij de kinderalimentatie te verminderen tot een bedrag van € 46,- per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het beroepschrift (2 juli 2025).
De moeder verzoekt in het principaal hoger beroep de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.
In het incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de vader aan de moeder als kinderalimentatie € 100,- per kind per maand dient te voldoen, met ingang van 1 juli 2025 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen. Daarnaast verzoekt zij de vader te veroordelen in alle kosten van rechtsbijstand die zij heeft moeten maken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, en alle overige kosten die dit geding met zich meebrengt, vermeerderd met nakosten en de wettelijke rente, in het geval de vader deze niet binnen veertien dagen na betekening mocht hebben voldaan.
De vader verzoekt in het incidenteel hoger beroep het verzoek van de moeder af te wijzen, dan wel ongegrond te verklaren.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
5De motivering van de beslissing
De vader heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn grieven met betrekking tot de omgangsregeling en de kinderalimentatie niet meer handhaaft, zodat deze punten geen bespreking meer behoeven. Wel zal de kinderalimentatie hierna nog aan de orde komen in het kader van het incidenteel hoger beroep van de moeder.
Gezag - Het wettelijk kader
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om gezamenlijk gezag heeft afgewezen. Er is geen sprake van een ernstige verstoring van de communicatie of een zodanig conflict dat de kinderen klem dreigen te raken tussen de ouders. De omstandigheid dat de vader op bepaalde momenten niet volledig geïnformeerd was over de situatie van de kinderen rechtvaardigt niet het onthouden van gezag, temeer nu dit niet te wijten is aan de vader, maar aan de moeder. Zij informeert de vader structureel onvoldoende over belangrijke gebeurtenissen in het leven van de kinderen, ondanks zijn herhaalde verzoek om informatie. En hoewel de moeder heeft laten weten toestemming te geven voor het rechtstreeks van school verkrijgen van informatie, blijft enige actie van haar op dat punt uit. De vader heeft op zijn beurt in het kader van de procedure (maar ook al daarvoor) verklaard dat hij zich actief wil inzetten voor de kinderen, dat hij bereid is samen te werken met de moeder en dat hij op constructieve wijze wil bijdragen aan beslissingen over hun opvoeding. De rechtbank heeft deze bereidheid onvoldoende in haar oordeel betrokken en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom moet worden afgeweken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag, aldus de vader.
De moeder betoogt dat de rechtbank terecht het verzoek van de vader heeft afgewezen. Ook de raad heeft tijdens de zitting in eerste aanleg geadviseerd het verzoek van de vader af te wijzen. Partijen kunnen niet met elkaar overleggen en samen beslissingen nemen over de kinderen. Zij hebben tevergeefs geprobeerd om via Ouderschap Blijft en twee mediation-trajecten de communicatie tussen hen te verbeteren. In het belang van de kinderen, en dan met name voor [minderjarige 2] met haar medische achtergrond, dient er adequaat gehandeld te worden bij het nemen van gezagsbeslissingen. De rechter heeft terecht geoordeeld dat partijen dit niet gezamenlijk kunnen. Daarbij is de vader nog steeds niet voldoende betrokken bij de kinderen om juiste beslissingen te kunnen nemen. Na de laatste zitting heeft hij geen stappen ondernomen om zijn betrokkenheid te verbeteren en de kinderen beter te leren kennen. De moeder houdt de vader wel degelijk op de hoogte, maar hij vraagt niet actief naar belangrijke zaken omtrent de kinderen. Het betreurt de moeder dat de vader steeds om het gezamenlijk gezag blijft verzoeken, maar in de praktijk geen stappen onderneemt om een grotere rol te spelen als vader in het leven van de kinderen. Er kan pas geoordeeld worden over gedragingen van de vader als hij deze in de praktijk toont, anders blijven het slechts woorden en geen daden, aldus de moeder.
De beoordeling door het hof
Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag van de ouders over een minderjarig kind het wettelijk uitgangspunt is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders hoeft in beginsel geen beletsel te vormen voor een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, zolang dit maar niet ten koste gaat van, of schadelijk is voor het kind.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde tijdens de zitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de communicatie tussen partijen al sinds het verbreken van hun relatie in 2019 zeer verstoord is. De twee mediationtrajecten en het traject Ouderschap Blijft die partijen hebben doorlopen, hebben hierin geen verbetering kunnen brengen. De door partijen overgelegde berichten laten een beeld zien van twee ouders die zich weinig flexibel kunnen opstellen waar het afspraken over de kinderen betreft. De omgangsregeling die de rechtbank in haar beschikking van 25 augustus 2022 heeft bepaald, leidt al jarenlang tot spanningen tussen partijen, omdat het de vader niet lukt daaraan correct uitvoering te geven. Tot voor kort heeft hij zich niet willen neerleggen bij de beslissing van de rechtbank dat hij verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de kinderen. De omstandigheid dat de vader zich ter zitting in hoger beroep alsnog akkoord heeft verklaard met de omgangsregeling die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft bepaald en ook expliciet heeft toegezegd dat hij het halen en brengen van de kinderen op zich zal (blijven) nemen, doet niet af aan het feit dat partijen in de afgelopen jaren niet in staat zijn gebleken om daarover in overleg te treden. Het hof maakt hieruit op dat de minimaal noodzakelijke basis voor de uitoefening van gezamenlijk gezag tot op heden ontbreekt. De vrees van de moeder dat de kinderen bij gezamenlijk gezag klem of verloren raken tussen de ouders, lijkt dan ook gerechtvaardigd. Het hof ziet geen aanwijzingen voor de stelling van de vader dat partijen in de actuele situatie dan wel in de nabije toekomst wel op ouderniveau met elkaar zullen kunnen overleggen. Hoewel het een positieve ontwikkeling is dat de omgangsregeling tussen partijen niet langer een punt van geschil is, zal de toekomst moeten uitwijzen of partijen deze positieve ontwikkeling kunnen vasthouden. Wellicht dat het hulpverleningstraject dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] via Levvel zullen gaan doorlopen en de bereidheid van de vader om daarbij betrokken te worden, ook daaraan kunnen bijdragen. Op dit moment acht het hof van belang dat de moeder in voorkomende gevallen snel beslissingen voor en over de kinderen kan nemen, zonder dat zij daarvoor afhankelijk is van door de vader bij gezamenlijk gezag te geven medewerking of instemming. Met name voor [minderjarige 2] die kampt met een ontwikkelingsachterstand, moeten beslissingen in het voor haar vereiste tempo kunnen worden genomen. Maar dat geldt natuurlijk ook voor [minderjarige 1] . Het hof zal dan ook net als de rechtbank het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.
Kinderalimentatie
De moeder voert in het incidenteel hoger beroep aan dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte is aangesloten bij het door haar verzochte bedrag aan kinderalimentatie van € 86,- per kind per maand, terwijl uit de berekening van de rechtbank een hoger bedrag van € 100,- per kind per maand voortvloeide. Zij verzoekt dan ook alsnog dat hogere bedrag vast te stellen.
De vader voert verweer. Hij kan de berekening van de rechtbank volgen, maar er is inmiddels sprake van een kink in de kabel. Zijn werkgever heeft besloten om zijn arbeidscontract niet te verlengen na 11 maart 2026. Hoewel hij druk bezig is om een andere baan te vinden, is op dit moment niet duidelijk wat zijn inkomen per 11 maart 2026 zal zijn. Hij verzoekt dan ook de beslissing op dit punt aan te houden totdat hij meer duidelijkheid heeft.
Ter zitting in hoger beroep hebben partijen gedeeltelijk overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie. De vader heeft laten weten dat hij kan instemmen met de door de moeder verzochte kinderalimentatie van € 100,- per kind per maand, mits hij zijn huidige inkomensniveau kan continueren. Mocht echter zijn inkomen per 11 maart 2026 dalen, dan zullen partijen met elkaar (al dan niet via hun advocaten) in overleg treden over de gevolgen daarvan voor de kinderalimentatie. Beide partijen hebben daarbij aangegeven dat zij een nieuwe procedure wensen te voorkomen.
Verder hebben partijen een afspraak gemaakt over de kosten verbonden aan de omgangsregeling. Als in de betreffende maand de twee omgangsmomenten allebei doorgaan, dan betaalt de moeder € 27,60 terug aan de vader.
Partijen hebben daarbij aangegeven dat zij deze reiskosten niet standaard wensen te verdisconteren in de kinderalimentatie, omdat op voorhand niet duidelijk is of de omgangsmomenten telkens zullen doorgaan.
Tussen partijen is alleen nog de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie in geschil. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ingangsdatum bepaald op 1 juli 2025.
De vader verzoekt te bepalen dat de verhoging van de kinderalimentatie niet eerder dient plaats te vinden dan met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking.
De moeder voert verweer en stelt dat de hogere kinderalimentatie per 1 juli 2025 dient in te gaan. Zij heeft kosten voor de kinderen gemaakt en heeft het financieel niet breed, terwijl uit de draagkrachtberekening blijkt dat de vader al per 1 juli 2025 ruimte had voor € 100,- per kind per maand en hij daarmee rekening had kunnen en moeten houden.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
In eerste aanleg heeft de moeder verzocht om de kinderalimentatie te bepalen op € 86,- per kind per maand en dat heeft de rechtbank toegewezen. Pas bij haar verweerschrift in hoger beroep, heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht om de kinderalimentatie op een hoger bedrag te bepalen. Naar het oordeel van het hof heeft de vader niet eerder dan vanaf dat moment rekening kunnen en moeten houden met een hogere alimentatieverplichting. Het hof zal dan ook de datum van binnenkomst van het incidenteel hoger beroep van de moeder als ingangsdatum hanteren, te weten 8 september 2025.
Met inachtneming van het door de Hoge Raad overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. van de beschikking van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de vader verschuldigde onderhoudsbijdrage te verhogen per 1 januari 2026, gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in art. 1:402a BW zou hebben gehad voor de hoogte van de kinderalimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum.
Evident is dat de moeder en de kinderen belang hebben bij toepassing van een indexering gelijk aan de wettelijke indexering. Met toepassing daarvan zou het door de vader verschuldigde bedrag immers per 1 januari 2026 zijn verhoogd met 4,6 %. Daartegenover staat dat het, mede gelet op het gegeven dat de vader per 11 maart 2026 zijn baan is kwijtgeraakt, niet aannemelijk is dat het inkomen van de vader per 1 januari 2026 is of zal zijn meegestegen met het wettelijke indexeringspercentage. Het hof zal dan ook geen rekening houden met de wettelijke indexering per 1 januari 2026.
Proceskosten
Anders dan de moeder heeft verzocht, is het hof van oordeel dat beide partijen ieder de eigen kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep voor hun rekening moeten nemen, nu de procedures betrekking hebben op hun kinderen. Het hof ziet in het door de moeder aangevoerde geen aanleiding om de vader in de proceskosten te veroordelen, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 2 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 juli 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 86,- (ZESENTACHTIG EURO) per kind per maand zal betalen en met ingang van 8 september 2025 € 100,- (HONDERD EURO) per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 5.8 en 5.9;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
