Essentie (gemaakt door AI)
Inkomstenbelasting. Aftrek onderhoudsverplichtingen voor ex‑partner waarin is getwist of betalingen berusten op een dringende morele verplichting art. 6.3 lid 1 sub f Wet IB 2001. Alimentatieovereenkomst maakt uitkeringen in rechte vorderbaar. Gezien levensstandaard tijdens relatie, lage inkomenspositie ex‑partner en zorg voor kinderen is dringende morele verplichting aangenomen. Beroep gegrond; aftrek beperkt tot contractuele partneralimentatie (CZK 286.200 = € 11.093). Aanslag en belastingrente worden verminderd.| Datum publicatie | 23-03-2026 |
| Zaaknummer | 25/834 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Bestuursrecht; Belastingrecht |
| Trefwoorden | Fiscaal familierecht; Fiscaliteiten partneralimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Inkomstenbelasting, onderhoudsverplichtingen, dringende morele verplichting, beroep gegrond.Volledige uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/834
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Tsjechië), belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 januari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 208.984 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.439. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 831 belastingrente in rekening gebracht (belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Feiten
2. Belanghebbende woonde in 2020 het hele jaar in Nederland.
Belanghebbende heeft van 31 mei 2010 tot 1 december 2013 in Nederland samengewoond met zijn ex partner. Uit de relatie zijn twee kinderen geboren. Per 1 december 2013 is de samenleving beëindigd en is de ex-partner geëmigreerd naar Tsjechië. De kinderen waren op dat moment ongeveer 3 en 1,5 jaar oud.
Belanghebbende en zijn ex-partner hebben op 19 januari 2017 een alimentatieovereenkomst gesloten waarin een bijdrage voor het levensonderhoud voor de ex-partner is overeengekomen met ingang van 1 februari 2017. In de alimentatieovereenkomst zijn belanghebbende en zijn ex-partner aangemerkt als ‘parents.’
De overeengekomen bijdrage bedraagt CZK 23.850 per maand en strekt volgens de overeenkomst ter compensatie van het feit dat de ex-partner minder werkt om zorg te kunnen dragen voor de kinderen. Verder is vastgelegd dat aan het einde van ieder jaar ‘parents’ zullen beslissen of een aanpassing van de bijdrage nodig is. Daarnaast betaalt belanghebbende een bijdrage van 50% in de autokosten met een maximum van CZK 4.500 per maand. Belanghebbende heeft bankafschriften overgelegd waaruit volgt dat hij in 2020 in totaal CZK 295.700 per bank heeft overgemaakt aan de ex-partner.
Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 194.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.439. Belanghebbende heeft daarbij een bedrag van € 14.395 wegens onderhoudsverplichtingen voor de ex-partner in aanmerking genomen. Dit bedrag is als volgt te specificeren:
|
Partneralimentatie: |
CZK 295.700 |
|
|
Bijdrage huur: |
CZK 60.000 |
|
|
Incidentele autokosten: |
CZK 15.692 |
|
|
Totaal: |
CZK 371.392 |
= € 14.395 |
De inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 2020 inzicht gevraagd in de financiële situatie van de ex-partner om haar behoeftigheid en draagkracht te kunnen bepalen. Belanghebbende heeft daartoe de aangifte 2016 van de ex-partner uit Tsjechië overgelegd.
De inspecteur heeft op 2 februari 2024 de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd. Bij de aanslag is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte en is de aftrek van uitgaven wegens onderhoudsverplichtingen geweigerd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de aftrek van uitgaven wegens onderhoudsverplichtingen terecht is geweigerd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de onderhoudsverplichtingen berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van de ex-partner. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de aftrek van uitgaven wegens onderhoudsverplichtingen ten onrechte is geweigerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
4. Om na te gaan of in onderhavig geval sprake is van een onderhoudsverplichting moet worden beoordeeld of sprake is ‘van in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud’.
1De bewijslast dat sprake is van een onderhoudsverplichting rust op belanghebbende.
2
Niet in geschil is dat sprake is van een in rechte vorderbare periodieke uitkering nu de verplichting is vastgelegd in de door belanghebbende en zijn ex-partner opgestelde alimentatieovereenkomst. Of ook sprake is van een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud moet worden bepaald naar objectieve maatstaven. Daarbij zijn van belang de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de alimentatieovereenkomst. Daarbij moeten de op dat tijdstip bestaande maatschappelijke positie en vooruitzichten van de betrokkenen worden meegewogen.
3
Belanghebbende heeft toegelicht dat hij en zijn ex-partner op 31 mei 2010 in Nederland zijn gaan samen wonen, maar dat zij daarvoor ook al langere tijd een relatie hadden. Ten tijde van de relatie hadden zij een bovengemiddelde levensstandaard. Dit volgt volgens belanghebbende mede uit het hoge inkomen dat hij reeds tijdens de relatie verdiende. De ex-partner van belanghebbende verrichtte in die periode geen arbeid omdat zij eerst studeerde en zich daarnaast richtte op de zorg voor de kinderen. Belanghebbende stelt dat hij en zijn ex-partner al meteen na de beëindiging van de relatie in onderling overleg het bedrag aan alimentatie hebben vastgesteld, met als doel zijn ex-partner in staat te stellen in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit is in 2017 vastgelegd in de alimentatieovereenkomst. Belanghebbende heeft ten aanzien van de financiële situatie van zijn ex-partner toegelicht dat zij ten tijde van het aangaan van de alimentatieovereenkomst inkomen verdiende met freelance werkzaamheden, zoals volgt uit de door belanghebbende overgelegde aangifte 2016 van de ex-partner. Dit betreft een netto belastbaar inkomen van CZK 122.233, terwijl het minimumloon in Tsjechië CZK 132.000 was. Verder heeft belanghebbende gewezen op de hoogte van de huursommen in [woonplaats] . Tot slot heeft belanghebbende benadrukt dat de alimentatieovereenkomst alleen ziet op een partneralimentatie en dat hij buiten deze overeenkomst ook bijdraagt in de kosten voor de kinderen.
De inspecteur heeft toegelicht dat mogelijk sprake is van een dringende morele verplichting, maar dat belanghebbende onvoldoende inzicht heeft gegeven in de financiële situatie van zijn ex-partner. De inspecteur voert aan dat hij op basis van de overgelegde gegevens niet kan beoordelen of sprake is van een dringende morele verplichting omdat onvoldoende duidelijk is geworden wat de bestedingsbehoefte is van de ex-partner en of de betalingen (deels) worden gedaan ten behoeve van de kinderen. De inspecteur stelt voorts dat een indicatie dat geen sprake is van een dringende morele verplichting is dat de inkomsten van de ex-partner in 2016 ongeveer het minimumloon in Tsjechië bedragen en dat de ex-partner met inbegrip van de periodieke betalingen inkomsten heeft van meer dan driemaal van het aldaar geldende minimumloon.
De rechtbank overweegt dat zij geen reden heeft om aan de verklaringen van belanghebbende te twijfelen. De rechtbank acht aannemelijk dat ten tijde van de relatie sprake was van een bovengemiddelde levensstandaard gelet op het inkomen van belanghebbende en dat de ex-partner geen arbeid verrichtte vanwege studie en om voor de kinderen te kunnen zorgen. Belanghebbende en zijn ex-partner woonden ten tijde van de relatie op hetzelfde adres in Nederland. Belanghebbende was op dat moment de kostwinner en voorzag zijn gezin in het levensonderhoud.
Sinds het verbreken van de relatie zijn de twee – op dat moment jonge – kinderen woonachtig bij de ex-partner. De ex-partner heeft, zoals volgt uit de overgelegde aangifte IB 2016, slechts geringe inkomsten. Dit terwijl zij vanwege de zorg voor de kinderen niet meer kon werken en de kosten voor de huur van een appartement in de stad waar de ex-partner woont gemiddeld CZK 20.000 per maand bedragen. Gelet hierop en gezien het inkomen van belanghebbende en de plaats in de samenleving die belanghebbende en zijn ex-partner hadden voorafgaand aan het aangaan van de alimentatieovereenkomst is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een dringende morele verplichting in de voorziening voor het levensonderhoud van de ex-partner.
Vervolgens is de vraag tot welk bedrag die dringende morele verplichting bestond. Ten aanzien van de hoogte van de aftrek voor onderhoudsverplichtingen heeft belanghebbende ter zitting naar aanleiding van de standpunten van de inspecteur nader het standpunt ingenomen dat hij alleen verzoekt om aftrek van de per bank betaalde bedragen van in totaal CZK 297.500 aan partneralimentatie. De rechtbank beperkt daarom daartoe de beoordeling. De rechtbank stelt voorop dat niet aannemelijk is geworden dat de partneralimentatie voor een hoger bedrag dan in de alimentatieovereenkomst vastgestelde CZK 23.850 per maand (CZK 286.200) in rechte vorderbaar is. Het meerdere komt dus niet voor aftrek in aanmerking. Het bedrag van CZK 286.200 komt wel voor aftrek in aanmerking. Omgerekend is dat € 11.093. Hoewel de bestedingsbehoefte van de ex-partner niet geheel duidelijk is geworden, acht de rechtbank aannemelijk dat in elk geval tot dat bedrag een dringende morele verplichting bestond. Daarbij heeft de rechtbank alle omstandigheden van het geval meegewogen, zoals de levensstandaard voor het verbreken van de relatie als gevolg van het aanzienlijke inkomen van belanghebbende, de beperkte inkomsten van de ex-partner na het verbreken van de relatie (mede) vanwege de zorg voor de kinderen en de kosten van levensonderhoud van de ex-partner. De enkele omstandigheid dat de inkomsten van de ex-partner door de betalingen voor de voorziening in het levensonderhoud ruim boven het in Tsjechië geldende minimumloon liggen acht de rechtbank niet van belang. Ook voor het verbreken van de relatie was sprake van een aanzienlijk hoger gezinsinkomen dan het minimuminkomen. Tot slot is er geen reden om te twijfelen aan de verklaring van belanghebbende dat de alimentatieovereenkomst alleen ziet op partneralimentatie en dat hij voor de kinderen apart daarvan bijdraagt in de kosten.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 197.891 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.439 en vermindert de belastingrentebeschikking evenredig daarmee. De rechtbank staat daarbij een bedrag van € 11.093 aan aftrek voor onderhoudsverplichtingen toe. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 197.891 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.439 en vermindert de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
4
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
ECLI:NL:GHDHA:2023:2216, r.o. 5.4.1.
ECLI:NL:HR:2013:836, r.o. 3.5.2.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
