Essentie (gemaakt door AI)
Toepassing art. 16 lid 1 HKBV 1996: minderjarige in Belgisch ziekenhuis geboren en daar enkele dagen verbleven, zodat haar gewone verblijfplaats bij geboorte in België ligt. Naar Belgisch recht art. 1:373 Belgisch Burgerlijk Wetboek ontstaat gezamenlijk gezag door erkenning; dit gezag blijft bestaan na verhuizing naar Nederland art. 16 lid 3 HKBV 1996. Hoofdverblijf bij moeder; verzoek tot inschrijving op woonadres moeder afgewezen. Voorlopige zorgregeling conform ouderschapsplan. Ook beslissing over KAl.
| Datum publicatie | 18-03-2026 |
| Zaaknummer | C/02/437987 FA RK 25-3780 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Middelburg |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; Kinderen; Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
IPR, artikel 16 HHKV 1996, minderjarige in ziekenhuis in België geboren, daar aantal dagen gebleven, gezag van rechtswege o.g.v. Belgisch recht door gewone verblijfplaats in België, vaststelling hoofdverblijf, voorlopige zorgregeling en kinderalimentatieVolledige uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/437987 FA RK 25-3780
9 februari 2026
beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx uit Breda, voorheen mr. M.C.G. Voogt,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.B. de Bree uit Etten-Leur, voorheen mr. C.G.M. Baas.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland–West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2025 waarbij de zaak is verwezen naar deze rechtbank en alle daarin vermelde stukken;
- de brief van mr. Gulickx van 23 december 2025 met bijlagen;
- de brief van mr. Gulickx van 15 januari 2026 met bijlagen;
- het op 20 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Gulickx van 23 januari 2026 met bijlagen;
- het F-formulier van mr. Gulickx van 23 januari 2026 met bijlage;
- de reactie op het verweerschrift van mr. Gulickx van 23 januari 2026.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 26 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] en naar haar mening gevraagd. Ze heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
Uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag] 2015.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen en [minderjarige] hebben de Belgische nationaliteit.
Partijen hebben na de beëindiging van hun relatie een ouderschapsplan opgesteld. Zij hebben daarin opgenomen dat zij samen het gezag hebben over [minderjarige] en daarnaast onder meer afgesproken dat:
- [minderjarige] in de BRP bij de vrouw staat ingeschreven;
- [minderjarige] voorlopig in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken de even weken bij de man verblijft en in de oneven weken bij de vrouw. Deze regeling zou na 6 maanden worden geëvalueerd. Ook zijn zij een verdeling van de vakanties en feestdagen overeengekomen;
- de man met ingang van 1 augustus 2024 maandelijks bij vooruitbetaling € 126,- aan de vrouw voldoet als onderhoudsbijdrage in de zorg en opvoeding voor [minderjarige] ;
- de man over de periode januari 2023 tot en met juli 2024 € 600,- aan de vrouw verschuldigd is uit hoofde van gemaakte kosten voor [minderjarige] . De man zal dit bedrag met ingang van 1 december 2024 in termijnen van € 25,- per maand aan de vrouw betalen bovenop de onderhoudsbijdrage van € 126,-.
3De verzoeken
De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is gelegen bij de vrouw met daarbij te bepalen [minderjarige] wordt ingeschreven op het adres van de vrouw, alsmede;
- een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de man en [minderjarige] , waarbij de man om het weekend van vrijdag 15:15 uur (vanuit school) ophaalt en [minderjarige] bij de man verblijft tot zondag l9:00 uur, alsmede daarnaast de helft van de schoolvakanties en feestdagen omgang heeft met [minderjarige] , dan wel een omgangsregeling in goede justitie nader te bepalen, alsmede;
- de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het [minderjarige] met
€,126,- per maand, per vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van
1 augustus 2024, alsmede;
- de man een bedrag van € 600,- dient te voldoen aan de vrouw uit hoofde van de
gemaakte onkosten die ten behoeve van levensonderhoud van [minderjarige] zijn gemaakt door de vrouw, te voldoen in 24 termijnen van € 25,- per maand, per vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 1 december 2024, alsmede;
- een en ander kosten rechtens.
Voorts heeft ze verzocht de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I) het [de rechtbank begrijpt: verzoek van] de vrouw onder het tweede punt met betrekking tot de omgangsregeling af te wijzen, en de overige verzoeken toe te wijzen;
Bij wijze van zelfstandig verzoek, eveneens voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
II) te bepalen dat partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over [minderjarige] ;
III) te bepalen dat de voorlopige omgangsregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan wordt omgezet in een definitieve omgangsregeling/ verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij [minderjarige] om de week bij de man verblijft en het wisselmoment zal plaatsvinden op vrijdag om 15.15 uur.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Deze zaak heeft een internationaal karakter vanwege de nationaliteit van partijen en de geboorteplaats en nationaliteit van [minderjarige] . Dat betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de verzoeken en, wanneer dat zo is, welk recht daarop van toepassing is.
Gezag, hoofdverblijf en zorgregeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel IIter- Verordening , nr. 2019/1111 zijn in zaken die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het onderhavige verzoek.
Op grond van artikel 15 lid 1 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, hierna: HKBV) is het Nederlandse recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling gezag
Partijen hebben in het door hen opgestelde ouderschapsplan opgenomen dat zij samen het gezag hebben over [minderjarige] . Dit standpunt heeft de vrouw ook opgenomen in haar verzoekschrift. In haar brief van 23 december 2025 heeft ze dit standpunt echter gewijzigd en gesteld dat zij alleen het gezag over [minderjarige] heeft. De man heeft hierop verzocht te bepalen dat hij, naast de vrouw, ook het gezag krijgt over [minderjarige] . De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht dit verzoek af te wijzen.
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het verzoek van de man om hem ook met het gezag over [minderjarige] te belasten moet de rechtbank, vanwege de internationale elementen in deze zaak, eerst vaststellen wie van rechtswege het gezag heeft over [minderjarige] . De vraag welke recht van toepassing is op het van rechtswege verkrijging van gezag wordt, omdat [minderjarige] is geboren na 1 mei 2011, bepaald door het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Artikel 16 lid 1 HKBV 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid (oftewel: gezag), zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
Uit de stukken en wat er is besproken op de zitting blijkt dat de man [minderjarige] op
4 augustus 2015, dus voor haar geboorte, heeft erkend. Partijen woonden op het moment van de geboorte van [minderjarige] samen in Nederland, maar [minderjarige] is op [geboortedag] 2015 geboren in een ziekenhuis in [geboorteplaats] , België. Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] na haar geboorte daar in ieder geval vijf dagen is gebleven en dat zij daarna, samen met partijen, in Nederland is gaan wonen. De rechtbank moet daarom allereerst de vraag beantwoorden wat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] was ten tijde van haar geboorte.
Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de gewone verblijfplaats van een kind niet, zoals bij gezag, wordt afgeleid van de woonplaats van de gezagsouders maar moet worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak (zie bijv. HvJ EU 28 juni 2018, HR, C-512/17, ECLI:EU:C:2018:513). Daarnaast moet op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU 8 juni 2017, OL v. PQ, C-111/47 PPU, ECLI:EU:C:2017:436 en HvJEU 17 oktober 2018, UD v. XB, C-393/18 PPU, ECLI:NL:C:2018:835) het begrip gewone verblijfplaats aldus te worden uitgelegd dat een kind fysiek aanwezig moet zijn geweest in een lidstaat opdat het kan worden geacht zijn of haar gewone verblijfplaats in die lidstaat te hebben. De bedoeling van partijen om met [minderjarige] na haar geboorte naar Nederland te gaan en daar te gaan wonen kan daarom geen grondslag vormen voor het oordeel dat [minderjarige] voor haar komst in Nederland haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Gelet op het voorgaande had [minderjarige] naar het oordeel van de rechtbank op het moment van haar geboorte, en gedurende de eerste dagen daarna, haar gewone verblijfplaats in België.
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] na haar geboorte in België was, moet de vraag of de man van rechtswege is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] beoordeeld worden naar Belgisch recht. Op grond van artikel 1:373 Belgisch Burgerlijk Wetboek is de man door de erkenning van [minderjarige] van rechtswege met het gezag over haar belast.
Op grond van artikel 16 lid 3 HKV 1996 blijft de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. De latere verplaatsing van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] naar Nederland heeft dan ook geen gevolgen (gehad) voor het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] .
Het voorgaande is tijdens de zitting besproken met partijen. De man heeft hierop zijn verzoek om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten ingetrokken. Dit verzoek kan daardoor niet meer door de rechtbank worden onderzocht en zal worden afgewezen.
Inhoudelijke beoordeling hoofdverblijf, zorgregeling en UHA-verwijzing
Omdat de man mede met het gezag over [minderjarige] is belast zal de rechtbank de verzoeken van partijen tot wijziging/vaststelling van een omgangsregeling interpreteren als een verzoek tot wijziging/vaststelling van een zorgregeling.
Juridisch kader
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Op grond van artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
- een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken
- de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Hoofdverblijf
De vrouw verzoekt te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar zal zijn en verzoekt daarbij te bepalen dat [minderjarige] wordt ingeschreven op haar adres van de vrouw. Uit de stukken en wat is er besproken tijdens de zitting blijkt dat de man hiermee kan instemmen.
Gelet op de overeenstemming van partijen zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om te bepalen dat het hoofdverblijf bij [minderjarige] bij haar zal zijn toewijzen, aangezien de rechtbank geen reden heeft om aan te nemen dat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet.
Het verzoek om daarbij te bepalen dat [minderjarige] op het adres van de vrouw wordt ingeschreven zal de rechtbank, omdat [minderjarige] conform de afspraak in het ouderschapsplan al staat ingeschreven op het adres van de vrouw, bij gebrek aan belang afwijzen.
Zorgregeling en UHA-verwijzing
De vrouw verzoekt de in het ouderschapsplan afgesproken de zorgregeling te wijzigen in die zin dat [minderjarige] om het weekend van vrijdag 15:15 uur (vanuit school) tot zondag l9:00 uur bij de man verblijft, alsmede daarnaast de helft van de schoolvakanties en feestdagen. Ze voert daartoe aan dat de afgesproken co-ouderschapsregeling niet uitvoerbaar is en ook niet in het belang van [minderjarige] . De regeling is niet stabiel en inmiddels meermaals onderbroken. Dit zorgt voor spanningen en onrust bij [minderjarige] . Daarnaast heeft [minderjarige] behoefte aan structuur en dat kan de man niet altijd bieden. Het is daardoor moeilijker voor [minderjarige] om zich emotioneel veilig te voelen en zich optimaal te ontwikkelen. Ze heeft eerst zelf geprobeerd hierover met de man in gesprek te gaan. Later heeft ze ook nog via haar advocaat aan de man gevraagd om het ouderschapsplan te evalueren, maar dat wilde hij niet. Ze realiseert zich dat het voor [minderjarige] het beste is als haar ouders geen strijd hebben en dat de communicatie met de man veel beter moet. Ze staat daarom open voor hulpverlening, maar er zijn te veel (grensoverschrijdende) dingen gebeurd om de huidige regeling te laten doorlopen.
De man voert verweer en verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij verzoekt daarbij, bij wijze van zelfstandig verzoek, te bepalen dat de voorlopige zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan wordt omgezet in een definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er wordt door de vrouw gezegd dat er veel zorgen zijn, maar deze zorgen zijn niet recent. Alle door de vrouw overgelegde stukken wijzen op zorgen van een tijd terug. Het klopt inderdaad dat er vorig jaar een periode geen contact is geweest tussen hem en [minderjarige] . De man had het begrepen als de vrouw toen haar verzoek tot wijziging van de zorgregeling had ingediend, maar dat heeft ze pas gedaan toen het co-ouderschap alweer enkele maanden liep. Hij vindt het logisch dat [minderjarige] haar moeder mist als ze bij hem is en andersom. Ook erkent hij dat er soms woorden vallen in zijn nieuwe, samengestelde, gezin met twee pubers, maar [minderjarige] is veilig bij hem, en heeft het naar haar zin bij hem in zijn nieuwe gezin. Daarnaast wil [minderjarige] graag net zoveel tijd doorbrengen bij haar vader als bij haar moeder en de door de vrouw verzochte regeling verschilt enorm van hoe de regeling nu loopt. Een wijziging van de regeling is daarom niet in het belang van [minderjarige] . De man denkt dat het meer in haar belang is als haar ouders beter met elkaar leren communiceren. Nu werkt hun communicatie niet en maken ze elkaar alleen maar verwijten. Hij wil er alles aan doen om dat te verbeteren en staat daarom open voor hulpverlening. Daar heeft hij overigens altijd voor open gestaan en hij vindt het jammer dat daar niet eerder naar is gekeken.
De Raad wijst partijen erop dat zij een co-ouderschap hebben afgesproken, maar dat [minderjarige] dat moet uitvoeren. De manier waarop dit nu gaat, doet een enorm beroep op haar draagkracht. Daar zal [minderjarige] op termijn last van krijgen en dat kan ze waarschijnlijk niet volhouden. De zorgregeling wijzigen, is geen oplossing voor dit probleem. [minderjarige] moet daar dan aan wennen en daar is zij de dupe van. De Raad snapt, gezien alle ballast, wel dat het zo gelopen is tussen ouders, maar het is belangrijk dat partijen een voorbeeld zijn voor hun dochter en hun problemen samen oplossen. [minderjarige] geeft ook aan dat ze wil dat haar ouders ‘overeenkomen’. Partijen mogen uiteraard hun eigen opvoedstijl hebben, maar zeker gezien het feit dat het [minderjarige] op termijn gaat puberen en grenzen gaat opzoeken, is belangrijk dat ze samen afspraken maken. De Raad adviseert partijen daarom om hulpverlening in te schakelen om beter te leren communiceren en denkt daarbij aan een UHA-verwijzing.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet twee ouders die het beste met hun kind voor hebben. De vrouw maakt zich zorgen over [minderjarige] als zij bij de man verblijft en [minderjarige] weet dat de vrouw de zorgregeling daardoor graag anders zou zien. Daarbij komt dat het partijen door alles wat er tussen hen is voorgevallen niet in staat zijn om op een goede manier met elkaar te communiceren. Hierdoor slagen zij er niet in om samen afspraken te maken die in het belang zijn van [minderjarige] . Door dit alles ervaart [minderjarige] spanningen en zal ze het contact met haar beide ouders niet als onbelast ervaren. Partijen erkennen beiden dat hun communicatie beter moet, maar zijn niet in staat om dit samen op te lossen.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarig kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 26 januari 2026 datum plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking/kennisgeving geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resulta(a)t(en):
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking/kennisgeving gevoegd (bijlage 1).
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vra(a)g(en):
- Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacygevoelige gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat ouders en hun kind in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het (de) verzoek(en) met betrekking tot de zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Voorlopige zorgregeling
Nu de definitieve beslissing op de verzoeken over de zorgregeling wordt aangehouden in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject, is tijdens de zitting met partijen besproken hoe de zorgregeling er de komende periode uit moet zien.
De vrouw heeft aangegeven dat zij vindt dat er, zelfs als er hulpverlening wordt ingeschakeld, teveel is gebeurd tussen partijen en dat de regeling daarom gewijzigd moet worden. De man heeft verzocht de huidige regeling te laten doorlopen.
De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij voornemens is om de tussen partijen in artikel 4 van het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling voorlopig te laten doorlopen omdat zij, net als de Raad, van oordeel is dat een wijziging van de zorgregeling geen oplossing is voor de ontstane situatie, die is ontstaan vanwege het gebrek aan vertrouwen en gebrekkige communicatie tussen partijen. Bovendien is een wijziging van de zorgregeling niet ondersteunend aan het hulpverleningstraject en acht de rechtbank het doorlopen van de huidige regeling ook verantwoord voor [minderjarige] . De vrouw heeft hierop laten weten dat ze (voorlopig) kan instemmen met het doorlopen van de huidige zorgregeling. Gelet op de overeenstemming van partijen zal de rechtbank de huidige zorgregeling als voorlopige regeling vaststellen in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject. Of op termijn een andere invulling van de zorgregeling gewenst is, is eveneens afhankelijk van de uitkomsten van het traject.
Kinderalimentatie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
Nu de onderhoudsgerechtigde in Nederland haar gewone verblijfplaats hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek (artikel 3 sub a Alimentatie Verordening, nr. 4/2009).
Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing, nu de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft (artikel 15 Alimentatie Verordening jo. artikel 3 Haags Alimentatie Protocol 2007).
Inhoudelijk beoordeling
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man met ingang van 1 augustus 2024 maandelijks bij vooruitbetaling € 126,- aan de vrouw voldoet als onderhoudsbijdrage in de zorg en opvoeding voor [minderjarige] . Daarnaast heeft ze verzocht te bepalen dat de man over de periode januari 2023 tot en met juli 2024 € 600,- aan de vrouw verschuldigd is uit hoofde van gemaakte kosten voor [minderjarige] te voldoen in 24 termijnen van € 25,- per maand, per vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 1 december 2024. Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat de man kan instemmen met deze verzoeken en dat hij deze bedragen reeds maandelijks betaalt.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de overeengekomen bijdrage van € 126,- niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Gelet op de overeenstemming van partijen, zal de rechtbank de door de man te betalen kinderbijdrage met ingang van
1 augustus 2024 bepalen op € 126,- per maand. De rechtbank zal daarbij tevens bepalen dat de man over de periode januari 2023 tot en met juli 2024 € 600,- aan de vrouw verschuldigd is uit hoofde van gemaakte kosten voor [minderjarige] te voldoen in 24 termijnen van € 25,- per maand, per vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 1 december 2024.
5De beslissing
De rechtbank
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag] 2015, haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
wijst af het verzoek van de vrouw over de inschrijving van de minderjarige op haar woonadres;
stelt, uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast conform artikel 4 van het ouderschapsplan waarbij [minderjarige] om de week (in de even weken) gedurende de week bij de man verblijft alsmede gedurende een deel van de vakanties en feestdagen;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 augustus 2024 voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 126,- per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man over de periode januari 2023 tot en met juli 2024 een bedrag van € 600,- aan de vrouw verschuldigd is uit hoofde van gemaakte kosten voor [minderjarige] , welk bedrag hij met ingang van 1 december 2024 aan de vrouw dient te voldoen in 24 termijnen van € 25,- per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling;
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 27 oktober 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.28 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt aan de verdere behandeling van en beslissing op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en de beslissing over de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en in tegenwoordigheid van mr. Krocké, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
