Essentie (gemaakt door AI)
Hof oordeelt dat rechtbank eindbeslissing heeft gegeven over kinderalimentatie voor de periode tot de nadere beslissing over het hoofdverblijf, zodat man ontvankelijk is in hoger beroep. Vrouw niet-ontvankelijk in haar incidenteel hoger beroep. Hof stelt de door man aan vrouw te betalen kinderalimentatie voorlopig op nihil met ingang van 25 augustus 2024, omdat de kinderen sinds die datum bij man verblijven en hij de kosten draagt. Vrouw veroordeeld in proceskosten. Hoger beroep man komt voort uit haar proceshouding. | Datum publicatie | 18-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.148/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Familieprocesrecht; Proceskosten |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De rechtbank heeft een eindbeslissing gegeven over de kinderalimentatie voor zover het betreft de periode tot zij nader beslist over het hoofdverblijf. Verzoeker is daarom ontvankelijk. Het hof wijzigt de ingangsdatum van de nihilstelling en veroordeelt verweerster in de proceskosten.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.148/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 238749)
beschikking van 10 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.E. Bentum Jr. te Veendam,
en
[verweerster] (de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer.
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 20 juni 2025;
- een brief namens de man van 21 juli 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de vrouw van 22 januari 2026 met bijlage(n).
De mondelinge behandeling heeft op 3 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen en hun advocaten, en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad).
3De feiten
Het huwelijk van partijen is op 15 januari 2018 ontbonden door echtscheiding.
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in ] 2009;
- [de minderjarige2 ] , geboren [in ] 2010;
- [de minderjarige3] , geboren [in ] 2012.
De ouders hebben in verband met hun echtscheiding afspraken gemaakt over de
verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de verdeling van de kosten van verzorging en
opvoeding van de kinderen. Die afspraken hebben zij vastgelegd in een door hen op 1 november 2017 ondertekend echtscheidingsconvenant tevens ouderschapsplan. Daarin is onder meer opgenomen dat de kinderen bij de vrouw hun hoofdverblijfplaats hebben en dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) aan de vrouw betaalt van € 480,- per maand. Dat is geïndexeerd naar 2024 € 587,- per maand en naar 2025 € 625,- per maand.
Na een incident op 25 augustus 2024 zijn de kinderen naar de man gegaan en is het contact met de vrouw verbroken.
Op 24 september 2024 heeft de man een verzoekschrift ingediend om – voor zover hier van belang – de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen en de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen.
In een kort gedingprocedure heeft de voorzieningenrechter op 26 november 2024 beslist dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben en de kinderalimentatie geschorst, beide totdat er in de bodemprocedure een beslissing is genomen.
4Het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorlopig bij de man bepaald en met ingang van de datum van die beschikking voorlopig de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil gesteld.
De man is met één grief in hoger beroep gekomen van die beschikking. Deze grief ziet op de ingangsdatum van de nihilstelling van de kinderalimentatie. De man verzoekt de beschikking op dat punt te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn verzoek om de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 25 augustus 2024 op nihil te stellen, toe te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
De vrouw voert verweer en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen.
De vrouw is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op het hoofdverblijf van de kinderen. Zij verzoekt – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij haar hebben c.q. houden.
De man voert verweer en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in incidenteel hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen, kosten rechtens.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
5De overwegingen voor de beslissing
Ontvankelijkheid
Ter zitting van het hof heeft de vrouw haar verzoek in incidenteel hoger beroep ingetrokken, omdat de mondelinge behandeling van de kwestie over de hoofdverblijfplaats van de kinderen heel binnenkort bij de rechtbank zal worden voortgezet. Het hof maakt hieruit op dat de vrouw de gronden van haar incidenteel hoger beroep niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek in incidenteel hoger beroep.
Het hof dient ambtshalve de ontvankelijkheid van het verzoek van de man in hoger beroep te beoordelen. Volgens artikel 358 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hoger beroep slechts worden ingesteld tegen een eindbeschikking, behoudens berusting. Volgens lid 4 van dat artikel kan hoger beroep van een tussenbeschikking slechts tegelijk met de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de vraag of sprake is van een eindbeschikking doorslaggevend of in het dictum van de bestreden beschikking een einde is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte. Daarbij is van belang dat de beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Van een deelbeschikking (ook wel gedeeltelijke eindbeschikking) is sprake, wanneer in het dictum zowel een eindbeschikking als een tussenbeschikking is gegeven.
De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorlopig bij de man bepaald, in afwachting van het raadsonderzoek, en de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats aangehouden. De rechtbank heeft om die reden voorlopig de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil gesteld.
In het geval de rechtbank in haar definitieve beslissing de hoofdverblijfplaats van de kinderen (terug)wijzigt, zal dat niet met terugwerkende kracht plaatsvinden, zodat de nihilstelling van de kinderalimentatie in het tijdvak tot die definitieve beslissing evenmin met terugwerkende kracht zal moeten worden gewijzigd of herzien. Dit maakt dat de rechtbank in de bestreden beschikking een einde heeft gemaakt aan het geschil over de kinderalimentatie voor zover het de periode tot de nadere beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats betreft. Omdat sprake is van een eindbeslissing over de alimentatie in dat tijdvak, is de man ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
De kinderalimentatie
De rechtbank heeft de door de man te betalen kinderalimentatie voorlopig op nihil gesteld en wel met ingang van de datum van haar beschikking, met de overweging dat in redelijkheid niet van de vrouw kan worden verlangd dat zij een bedrag aan de man moet terugbetalen. De man is het daar niet mee eens en heeft verzocht de bijdrage met ingang van 25 augustus 2024 op nihil te stellen.
Vanaf 25 augustus 2024 verblijven de kinderen bij de man. Niet in geschil is dat de man vanaf die datum geen kinderalimentatie meer aan de vrouw heeft voldaan. Dit brengt mee dat, anders dan waar de rechtbank van is uitgegaan, de vrouw geen kinderalimentatie aan de man zal hoeven terug te betalen als de kinderalimentatie met ingang van 25 augustus 2024 op nihil wordt gesteld. Daar staat tegenover dat de man over de periode vanaf 25 augustus 2024 alsnog de kinderalimentatie zal moeten betalen als de ingangsdatum van de nihilstelling later is dan 25 augustus 2024. De man heeft echter gesteld dat niet de vrouw, maar hij sinds 25 augustus 2024 de kosten van de kinderen heeft gedragen en de vrouw heeft die stelling niet bestreden. Van de man kan niet worden verlangd dat hij daarnaast ook nog kinderalimentatie aan de vrouw zal moeten betalen, terwijl zij geen kosten voor de kinderen heeft gehad. De vrouw heeft ter zitting van het hof overigens ook verklaard dat zij de kinderalimentatie over de periode vóór 21 maart 2025 niet meer van de man hoeft te ontvangen en dat zij deze niet zal innen.
Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie daarom met ingang van 25 augustus 2024 voorlopig op nihil stellen. Het hof zal de bestreden beschikking op dat punt vernietigen en opnieuw beslissen.
De proceskostenveroordeling
De man heeft verzocht de vrouw in de proceskosten te veroordelen, omdat de hoger beroepsprocedure en de kosten daarvan volgens hem niet nodig zijn geweest. De vrouw is het daar niet mee eens, alleen al omdat zij in deze procedure ook hoger beroep heeft ingesteld. Dat was weliswaar niet binnen de beroepstermijn maar als incidenteel hoger beroep, maar dat was omdat zij op 12 juni 2025 al wist dat de man hoger beroep zou gaan instellen.
In zaken als de onderhavige is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. In het onderhavige geval zijn er evenwel gronden om van dit uitgangspunt af te wijken.
Het hoger beroep van de man komt voort uit de proceshouding van de vrouw. De vrouw heeft niet weersproken dat de man haar na de bestreden beschikking meermalen heeft verzocht of zij bereid was af te zien van de op basis van de bestreden beschikking nog verschuldigde alimentatie over de periode van 25 augustus 2024 tot 21 maart 2025. In reactie daarop heeft zij steeds gezegd zich daarop te beraden en op 12 juni 2025 heeft zij laten weten dat niet expliciet te kunnen verklaren, waarbij zij niet heeft laten weten waarom. Anders dan de vrouw – nu voor het eerst ter zitting in hoger beroep – stelt, was er dan ook geen stilzwijgende in- en overeenstemming om af te zien van de kinderalimentatie in die periode. Ook ter zitting van het hof heeft de vrouw – ondanks dat zij toen verklaarde zich niet tegen de ingangsdatum van 25 augustus 2024 te verzetten – desgevraagd niet expliciet willen toezeggen dat zij de alimentatie over die periode niet zal innen, terwijl de kinderen sindsdien bij de man wonen en hij al hun kosten heeft betaald. De man is daardoor geconfronteerd met de mogelijkheid dat hij alsnog achterstallige kinderalimentatie van in totaal € 4.109,- aan de vrouw zou moeten betalen. De man heeft zich daarom genoodzaakt gevoeld om hoger beroep in te stellen om te bewerkstelligen dat zijn betalingsverplichting alsnog zou komen te vervallen. De vrouw wordt nu in het hoger beroep van de man in het ongelijk gesteld. Door toedoen van de vrouw heeft de man onnodig proceskosten moeten maken. Dat de vrouw later incidenteel beroep heeft ingediend over de hoofdverblijfplaats maakt dat niet anders.
Het hof ziet onder voornoemde omstandigheden aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van het hoger beroep van de man.
De kosten voor de procedure in hoger beroep worden aan de zijde van de man begroot op € 2.580,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten: 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de mondelinge behandeling, tarief II à € 1.290,- per punt) en op € 362,- voor griffierecht.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek in incidenteel hoger beroep;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 maart 2025, voor zover het de voorlopige kinderalimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt het op 1 november 2017 ondertekende echtscheidingsconvenant van partijen voor zover het betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in ] 2009, [de minderjarige2 ] , geboren [in ] 2010, en [de minderjarige3] , geboren [in ] 2012, en stelt met ingang van 25 augustus 2024 voorlopig de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2 ] en [de minderjarige3] op nihil;
veroordeelt de vrouw in de kosten van deze procedure in hoger beroep aan de zijde van de man begroot op:
- € 362,- voor griffierecht;
- € 2.580,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. M.A.F. Veenstra, en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 10 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
