Rechtbank Den Haag 25-11-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25246

Essentie (gemaakt door AI)

Internationale kinderontvoering. Vader verzoekt teruggeleiding en voorlopige voogdij. Vaststaat dat de overbrenging in december 2024 ongeoorloofd is, maar het Hof van beroep Antwerpen stelt op 18 juni 2025 een voorlopige zorgregeling vast, waarin is uitgegaan van verblijf bij moeder in Nederland en geregeld contact bij vader in [land]. Daarmee vervalt het onrechtmatige karakter van het huidige verblijf. Teruggeleiding en voorlopige voogdij worden afgewezen. De rechtbank komt niet toe aan de weigeringsgrond art. 13 lid 1 HKOV.

Datum publicatie18-03-2026
ZaaknummerC/09/692150 / FA RK 25-7273
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; Kinderontvoering
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Internationale kinderontvoering. Afwijzing verzoek tot teruggeleiding, omdat met vaststelling van voorlopige zorgregeling in Belgische procedure het onrechtmatige karakter van de onrechtmatige overbrenging is komen te vervallen.

Volledige uitspraak


Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-7273

Zaaknummer: C/09/692150

Datum beschikking: 25 november 2025

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 26 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres in [land],

advocaat: mr. J. Mulder in Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.T. Wernsen in Voorburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;

  • de brief van 29 september 2025, met bijlage, namens de vader;

  • het bericht van 1 oktober 2025, met bijlage, namens de vader;

  • het verslag van de bijzondere curator van 14 oktober 2025;

  • de berichten van 15 oktober 2025, met bijlagen, namens de vader;

  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de moeder;

  • het bericht van 16 oktober 2025, met bijlagen, namens de vader;

  • het bericht van 16 oktober 2025, met bijlage, namens de moeder.

Bij beschikking van deze rechtbank van 1 oktober 2025 is drs. I. Sandig benoemd als bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats], [geboorteland].

De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Wat geeft [minderjarige] zelf aan over een eventueel verblijf in [land] en een eventueel verblijf in Nederland?

  2. In hoeverre lijkt [minderjarige] zich vrij te kunnen uiten?

  3. In hoeverre lijkt [minderjarige] de gevolgen van het verblijf in [land] of het verblijf in Nederland te overzien?

  4. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?

Op 16 oktober 2025 is de zaak op de van de meervoudige kamer behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vader met mr. E.R. Boertje als waarnemend advocaat;

  • de moeder met haar advocaat;

  • de bijzondere curator;

  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Na de zitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 6 november 2025 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2021 tot [datum 2] 2024.

  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats], [geboorteland].

  • Bij vonnis van 11 september 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt – voor zover hier van belang –:

  • zijn de ouders belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige];

  • is vastgesteld dat [minderjarige] primair bij de moeder verblijft en op haar adres haar domicilie zal hebben;

  • is een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader vastgesteld, waarbij zij in de oneven weken op donderdag van 14.00 uur tot 19.00 uur en in de even weken op zaterdag van 12.00 uur tot 19.00 uur bij hem is.

  • Bij vonnis van 15 november 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, is – voor zover hier van belang – bepaald dat:

  • [minderjarige] bij de vader is in de even weken van vrijdag na school (of 16.00 uur indien geen school) tot maandag naar school (of 09.00 uur indien geen school), in de oneven weken van woensdag na school (of 13.00 uur indien geen school) tot donderdag naar school (of 09.00 uur indien geen school) en dat deze regeling doorloopt tijdens de schoolvakanties;

  • [minderjarige] naar school zal gaan in [plaats 1], waarbij partijen onderling de school dienen te kiezen.

  • In december 2024 is de moeder met [minderjarige] naar [plaats 2] in Nederland verhuisd.

  • Bij arrest van 18 juni 2025 van het Hof van Beroep in Antwerpen is – voor zover hier van belang – bepaald dat:

  • [minderjarige] voorlopig bij de vader is van woensdag 13.00 uur tot donderdag 13.00 uur in de oneven werken en van vrijdag 16.00 uur tot maandag 13.00 uur in de even weken;

  • behoudens andersluidend overleg en akkoord deze regeling wordt opgeschort tijdens de zomervakantie en [minderjarige] van 1 juli 2025 tot 1 september 2025 in de even weken op vrijdag om 18.00 uur naar de vader gaat tot de daaropvolgende week op vrijdag om 18.00 uur;

  • de wissel steeds plaatsvindt aan het politiekantoor in [plaats 3].

  • De vader heeft de Belgische nationaliteit. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Nederlandse en de Belgische nationaliteit.

  • De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:

  • met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te bevelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, althans de terugkeer van [minderjarige] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder [minderjarige] dient terug te brengen naar [land], dan wel – indien de moeder nalaat [minderjarige] terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar [land];

  • te bepalen dat de voorlopige voogdij wordt uitgesproken over [minderjarige];

  • de moeder te veroordelen in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Nederland en [land] zijn partij bij het Verdrag.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats in [land] had, dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast en dat zij dit gezag daadwerkelijk gezamenlijk uitoefenden op het tijdstip van de overbrenging, dan wel dat dit gezag gezamenlijk zou zijn uitgeoefend als de moeder niet met [minderjarige] naar Nederland zou zijn vertrokken. Evenmin is in geschil dat de vader geen toestemming heeft gegeven aan de moeder voor de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland. Uit het voorgaande volgt dat de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland in december 2024 ongeoorloofd is geweest in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Bij de gerechten in [land] worden/zijn meerdere procedures gevoerd tussen de ouders over de hoofdverblijfplaats van en zorgregeling met [minderjarige]. Bij vonnis van 11 september 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, is onder meer vastgesteld dat [minderjarige] ‘primair bij de moeder verblijft en bij haar domicilie zal hebben’ en eveneens is vastgesteld wanneer [minderjarige] ‘secundair bij haar papa verblijft’. In dezelfde procedure is bij vonnis van 15 november 2024 een wijziging van het ‘secundair verblijf van [minderjarige] bij vader’ vastgesteld. Vervolgens is de moeder in december 2024 met [minderjarige] naar Nederland vertrokken. Bij vonnis van 21 februari 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, is het verzoek van de vader om [minderjarige] bij hem in [land] te laten verblijven afgewezen. Tegen het vonnis van 15 november 2024 heeft de moeder hoger beroep ingesteld. In deze procedure in hoger beroep verzoekt de moeder om een ‘klassieke weekendregeling’ en vordert de vader het hoofdverblijf bij hem te bepalen. In het tussenarrest van 18 juni 2025 van het Hof van beroep Antwerpen is, in afwachting van een maatschappelijk onderzoek, in lijn met de afspraken die de ouders op de inleidingszitting op 25 maart 2025 hadden gemaakt, een voorlopige verblijfsregeling met de vader vastgesteld, waarbij [minderjarige] ‘secundair verblijf’ bij de vader in [land] heeft: in de oneven weken van woensdag 13.00 uur tot donderdag 13.00 uur en in de even weken van vrijdag 16.00 uur tot maandag 13.00 uur.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit bovengenoemde vonnissen en het tussenarrest volgt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] sinds 11 september 2023 bij de moeder is. Nadat de moeder en [minderjarige] naar Nederland waren vertrokken heeft het Hof van beroep Antwerpen op 25 maart 2025 en op 18 juni 2025 een voorlopige zorgregeling (‘secundair verblijf’) vastgesteld met/bij de vader, uitgaande van het gegeven dat [minderjarige] bij de moeder in Nederland verblijft, en zij een deel van de tijd bij de vader in [land] doorbrengt. Aan deze regeling is sinds maart 2025 door de beide ouders uitvoering gegeven. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat [minderjarige] – in ieder geval vanaf 25 maart 2025, de datum van de inleidende zitting waarop tussen de ouders afspraken zijn gemaakt – op de momenten dat zij bij de moeder verblijft, niet onrechtmatig in Nederland verblijft. Daarbij komt dat de moeder [minderjarige] op de afgesproken momenten ook aan de vader afgeeft, en de vader haar op zijn ‘zorg’momenten mee kan nemen naar [land]. Het onrechtmatige karakter van het verblijf van [minderjarige] bij de moeder in Nederland – dat het gevolg was van een, in beginsel, onrechtmatige overbrenging als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag – is hiermee komen te vervallen. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak van 6 januari 2023 van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2023:13).

Dat de vader in de nog lopende bodemprocedure bij het Hof van Beroep van Antwerpen heeft verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem in [land] te bepalen, doet aan het vorenstaande niet af. Immers, het al dan niet onrechtmatige karakter van het verblijf van [minderjarige] in Nederland moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van het indienen van het verzoek, op 26 september 2025. Op dat moment was de beslissing van het Hof van Beroep van Antwerpen van 18 juni 2025, en is thans nog steeds, van kracht.

Bij deze stand van zaken zal de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige] naar [land] afwijzen. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de beoordeling van de weigeringsgrond in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

De rechtbank zal bij deze stand van zaken ook het verzoek van de vader voor voorlopige voogdij afwijzen.

Proceskosten

De vader verzoekt de moeder te veroordelen in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding. Nu de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige] naar [land] afwijst, ziet de rechtbank geen aanleiding om de moeder te veroordelen in deze kosten. Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats], [geboorteland],

naar [land];

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte;

*

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 9 december 2025 als beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, C. de Jong-Kwestro en M.F. Baaij, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 november 2025.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de zitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733