Rechtbank Den Haag 03-03-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4200

Essentie (gemaakt door AI)

Vader vordert verklaring voor recht en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door Gemeente bij het verwijderen en later niet (direct) opnemen van zijn erkenning in de BRP. Kernpunt is of de Gemeente onrechtmatig weigert de Canadese erkenning te registreren. De kantonrechter oordeelt dat de Gemeente zorgvuldig onderzoekt, terecht twijfelt bij gebrek aan bewijs van toestemming van moeder en kennis van buitenlands recht, en pas na familierechtelijke beslissing herstelt. Geen onrechtmatige daad; vorderingen afwijzen. Veroordeelt vader in proceskosten.

Datum publicatie17-03-2026
Zaaknummer11893155 Rl EXPL 25-17464
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenOverig
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

onrechtmatig handelen Gemeente door weigeren mededeling erkenning in BRP op te nemen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG

Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag

Zaaknummer: 11893155 / RL EXPL 25-17464

CB/c

Vonnis van 3 maart 2026

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

gemachtigde: mr. J.J. van Kuijk (KCA Advocaten),

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Delft,

zetelende en kantoorhoudende te Delft,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Gemeente,

gemachtigde: mr. M.M.L. Dierikx (Gemeente Delft).

1De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 september 2025 met vijftien producties (nrs. 1 tot en met 15);

- de conclusie van antwoord van 20 november 2025 met veertien producties (nrs. 1 tot en met 14);

- de akte aan de zijde van [eisende partij] voor de zitting van 30 januari 2025, binnengekomen bij de griffie op 22 januari 2026 met drie aanvullende producties (nrs 1 tot en met 3).

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Daarbij is [eisende partij] in persoon verschenen, samen met zijn gemachtigde en zijn namens de Gemeente mevr. [naam] en de gemachtigde verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Een schikking is niet bereikt.

1.3

Tenslotte is vonnis bepaald op vandaag.

2De feiten

2.1

[eisende partij] is de vader van een minderjarige zoon, [de minderjarige] (hierna: de minderjarige), die op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , [geboorteland] is geboren. De moeder van de minderjarige is [de moeder] (hierna: de moeder).

2.2

Ten tijde van de geboorte van de minderjarige had [eisende partij] een relatie met de moeder en woonden zij in [plaats] , Canada. Zij waren niet gehuwd.

2.3

Na terugkeer uit Canada is de relatie van [eisende partij] met de moeder beëindigd.

2.4

Op 5 februari 2024 is de minderjarige in het BRP van de Gemeente ingeschreven. Daarbij is tevens ingeschreven dat [eisende partij] de juridisch vader van de minderjarige was in zin van artikel 1:199 BW.

2.5

Nadat op 28 maart 2025 een bezwaarschrift van [eisende partij] tegen het doorhalen van zijn hoedanigheid van juridische vader van de minderjarige ongegrond was verklaard, heeft de Gemeente die hoedanigheid uit het BRP geschrapt.

2.6

[eisende partij] heeft een procedure gevoerd met de moeder als belanghebbende waarbij hij verzocht heeft te beslissen op de erkenning van de minderjarige, hem tevens met het gezag te belasten en een omgangsregeling vast te stellen. Op 14 mei 2025 heeft de familierechter van deze rechtbank bij beschikking ten aanzien van de erkenning van de minderjarige het volgende overwogen en beslist (voor zover relevant):

Voorvraag: erkenning in Canada?

De man stelt dat hij [de minderjarige] in Canada al heeft erkend. De aangifte van de geboorte van [de minderjarige] is digitaal gegaan met een bijzonder nummer waarmee ingelogd kon worden. De man staat als vader op de geboorteakte. De gemeente Delft heeft in eerste instantie de man als juridische vader in het BRP opgenomen maar die later gecorrigeerd. Zij vonden dat er onvoldoende documenten waren waaruit de juridische afstamming was af te leiden. Het bezwaar van de man tegen de beslissing van de ambtenaar om de correctie door te voeren is afgewezen.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat geen erkenning heeft plaatsgevonden zoals ook door de ambtenaar van de burgerlijke stand is vastgesteld. De vrouw heeft er geen bezwaar tegen dat de man [de minderjarige] erken[t]. Zij wil wel dat [de minderjarige] de achternaam van beide ouders krijgt.

Ter beoordeling ligt eerst de vraag voor of de man [de minderjarige] al heeft erkend bij de aangifte van diens geboorte in Canada. De rechtbank stelt vast dat dit het geval is en legt dit als volgt uit.

Vast staat dat de man op de Canadese geboorteakte van [de minderjarige] als vader is vermeld. Ingevolge artikel 10:101 lid 1 juncto 10:100 leden 1, onder b en c, leden 2 en 3 BW wordt een buitenlands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of erkend, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte erkend, tenzij

- aan de rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of

- de erkenning van de rechtshandeling onverenigbaar is met de openbare orde.

Niet in geschil is dat de geboorteakte door de bevoegde instantie in Canada volgens plaatselijke voorschriften is opgemaakt. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de man de verwekker is van [de minderjarige] zodat hij, naar Canadees recht (artikel 7, 1, Childrens’ Law Act) juridische vader is, zoals ook op de geboorteakte is vermeld.

Vervolgens is de vraag of het in Canada tot stand gekomen vaderschap van de man onverenigbaar is met de openbare orde. Hiervan is sprake als de moeder geen toestemming voor de erkenning door de vader heeft gegeven, wat naar Nederlands recht noodzakelijk is. Omdat de moeder de Nederlandse nationaliteit heeft, is Nederlands recht van toepassing op de vraag of toestemming van de moeder heeft plaatsgevonden. Deze toestemming van de moeder hoeft niet uit de buitenlandse akte te blijken. Voldoende is dat deze achteraf kan worden vastgesteld uit de feiten en omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder toestemming voor de erkenning door de man heeft gegeven en legt dit uit als volgt.

Uit de door de vader overgelegde gegevens volgt dat op [geboortedatum] 2024 op naam van de moeder een aangifte is gedaan van de geboorte van [de minderjarige] , waarbij de man als vader van [de minderjarige] is aangemeld. Uit wat partijen ter zitting hebben verklaard, hebben zij tezamen aangifte gedaan van de geboorte van [de minderjarige] , waarbij zij de man als vader van [de minderjarige] hebben opgegeven. Op de zitting heeft de moeder ook verklaard geen bezwaar te hebben dat de man [de minderjarige] erken[t].

Dit alles betekent dat de geboorteakte waarin de man als juridische vader van [de minderjarige] is aangemerkt voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. De rechtbank zal dit in het dictum opnemen.

2.7

Na de beschikking van 14 mei 2025 heeft de Gemeente [eisende partij] weer als juridisch vader van de minderjarige in het BRP opgenomen.

3Het geschil

3.1

[eisende partij] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (I.) te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW door te weigeren om het gezamenlijke gezag waarover hij beschikte te registreren in de daarvoor bestemde registers en de vadergegevens te verwijderen uit het Brp; (II.) de Gemeente te veroordelen tot betaling van de door hem geleden schade, thans begroot op € 24.007,28 dan wel een nader door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag aan schade; (III.) te bepalen dat de Gemeente gehouden is om de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek te vergoeden, vanaf 13 juli 2025, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een nader door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum; (IV.) de Gemeente te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten ad € 135,00 zonder betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening.

3.2

Aan zijn vordering legt [eisende partij] ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld door de erkenning van zijn zoon aanvankelijk wel in het BRP te registreren, maar die inschrijving vervolgens weer te schrappen, om de inschrijving pas weer te effectueren na een uitspraak van de familierechter. Als gevolg van een en ander heeft [eisende partij] schade geleden, die hij door de Gemeente vergoed wenst te zien.

3.3

De Gemeente voert verweer, welk verweer erop neerkomt dat de Gemeente niet onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld en daardoor niet aansprakelijk is voor schade.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1

Deze procedure gaat over de vraag of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de te weigeren in het BRP op te nemen dat [eisende partij] de minderjarige als zijn zoon heeft erkend, althans om hem als juridisch vader uit het BRP te verwijderen en, indien dat het geval zou zijn, of de Gemeente dan aansprakelijk is voor de schade die hij daardoor heeft geleden.

4.2

Aanvankelijk heeft de Gemeente [eisende partij] als (juridisch) vader in het BRP geregistreerd. Naar aanleiding van een bezoek van [eisende partij] aan de Gemeente vanwege het feit dat hij niet voorkwam in het gezagsregister van de minderjarige is de Gemeente een onderzoek gestart naar het juridisch vaderschap van [eisende partij] . Op grond van dat onderzoek kwam de Gemeente tot het voorlopig oordeel dat uit de Canadese geboorteakte niet kon worden afgeleid dat [eisende partij] de minderjarige formeel (in Canada) had erkend. Na nader onderzoek en een bezwaarprocedure heeft de Gemeente [eisende partij] uit het BRP verwijderd.

4.3

Uitgangspunt bij de beoordeling van dit geschil is dat uit artikel 1:119 onder c. BW voortvloeit dat als juridisch vader van een kind, die niet is gehuwd of een geregisterd partnerschap heeft met de moeder, wordt aangemerkt de man, die het kind heeft erkend. In het geval van een in Nederland geboren kind vindt erkenning plaats ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, waarbij de moeder toestemming moet geven. Niet is gebleken dat een dergelijke erkenning heeft plaatsgevonden ten tijde van het bezoek van [eisende partij] en de moeder op 5 februari 2025 aan de Gemeente om de minderjarige in het BRP in te schrijven.

4.4

Een in het buitenland geboren kind kan reeds, voordat het kind wordt ingeschreven in het Nederlandse BRP, door de vader zijn erkend op de voet van artikel 1:119 onder c. BW, maar het is aan de betreffende gemeente om zich ervan te vergewissen dat erkenning heeft plaatsgevonden. Dat is niet alleen van belang omdat bij het bijhouden van het BRP de grootst mogelijk zorgvuldigheid in acht moet worden genomen, maar – in het geval van minderjarige kinderen – ook dat uit de erkenning het gezag over de kinderen voortvloeit.

4.5

Uit het procesdossier blijkt dat de Gemeente bij nader inzien, toen zij de inschrijving van de erkenning door [eisende partij] nader ging bezien, tot het oordeel kwam dat uit het enige document, waarover zij toen beschikte, namelijk de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde Canadese geboorteakte, niet kon opmaken dat [eisende partij] de minderjarige had erkend. De Gemeente is daarbij niet over een nacht ijs gegaan. Zij heeft zowel bij de Nederlandse Vereniging van Burgerzaken (NVVB), als bij de Canadese ambassade in Nederland, als bij de provincie Ontario advies ingewonnen. Op grond van deze adviezen kon de Gemeente naar haar oordeel niet concluderen dat [eisende partij] de minderjarige had erkend.

4.6

Uit de geboorteakte blijkt dat [eisende partij] de verwekker en dus de vader van de minderjarige is. Zonder nadere kennis van het Canadese (familie)recht is uit de akte evenwel niet af te leiden dat naar Canadees recht de verwekker van een kind tevens als de juridische vader geldt, en het kind dus erkend heeft, zoals de familierechter in de in rechtsoverweging 2.6 aangehaalde beschikking heeft overwogen. Van de Gemeente kan niet worden verwacht dat zij op dit punt relevante kennis van buitenlands recht, meer in het bijzonder Canadees recht, heeft.

4.7

Maar wat hoe dan ook niet uit de akte blijkt is of de moeder toestemming heeft gegeven om het kind te erkennen, hetgeen, zoals de familierechter eveneens heeft overwogen, naar Nederlands recht een vraag van openbare orde is. Daarbij heeft de familierechter ook overwogen dat de toestemming niet uit de buitenlandse akte hoeft te blijken (hetgeen ook niet het geval is), maar dat het ook voldoende is dat achteraf uit feiten en omstandigheden de toestemming van de moeder blijkt.

4.8

Uiteindelijk is voor de familierechter voldoende om te oordelen dat [eisende partij] de minderjarige heeft erkend omdat zij in Canada samen de aangifte van het kind hebben gedaan èn omdat op de zitting de moeder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen erkenning door [eisende partij] .

4.9

Uit deze overweging blijkt dat de combinatie van beide omstandigheden de familierechter tot het oordeel hebben gebracht. In hoeverre het ene zwaarder of minder zwaar weegt dan het andere blijkt niet, maar wel dat beide omstandigheden samengenomen doorslaggevend zijn.

4.10

Omdat, zoals reeds in rechtsoverweging 4.3 is overwogen, niet is gebleken dat de moeder eerder dan op de zitting bij de familierechter toestemming heeft gegeven tot erkenning, kon van de Gemeente zonder dat eerst ofwel [eisende partij] volgens de Nederlandse praktijk de minderjarige zou erkennen (aldus met blijk van toestemming van de moeder) ofwel een rechter een oordeel gaf over de toestemming van de moeder niet gevergd worden dat zij de inschrijving van erkenning door [eisende partij] zou herstellen of handhaven. Naar het oordeel van de kantonrechter is in het voorliggende geval dan ook sprake van zorgvuldig handelen van de Gemeente en geen sprake van onzorgvuldig handelen. Dat eerst een rechterlijke beslissing nodig was om over de vereiste toestemming van de moeder voor erkenning te oordelen, kan dan ook niet aan de Gemeente worden tegengeworpen.

4.11

Uit het voorgaande vloeit voort dat niet is voldaan aan een van de voorwaarden, waaraan een onrechtmatige daad moet voldoen, en dat aldus geen sprake is van een onrechtmatige daad. Reeds daarom moeten de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen, omdat die alle op die grondslag zijn gebaseerd. De kantonrechter hoeft daarmee ook geen oordeel te geven over de hoogte van de gevorderde schadevergoeding.

4.12

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente worden begroot op:

- salaris gemachtigde

1.154,00

(2 punten × € 577,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

totaal

1.298,00.

5De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eisende partij] af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling van [eisende partij] uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733