Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding over straat- en contactverbod waarin afwijzing is gedaan. Vrouw en dochter stellen structurele intimidatie, bedreigingen, aanbellen en langsrijden door man. Man betwist. De voorzieningenrechter oordeelt dat vrouw en dochter hun stellingen onvoldoende met objectieve gegevens onderbouwen; enkel aangiften en eigen verklaringen volstaan niet. Belangenafweging komt niet aan bod. De vorderingen worden afgewezen. Vrouw en dochter worden veroordeeld in de proceskosten. Uitvoerbaarheid bij voorraad ziet enkel op de kostenveroordeling.| Datum publicatie | 16-03-2026 |
| Zaaknummer | C/10/712272 / KG ZA 25-1270 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Straat- en/of contactverbod. Afwijzing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw en de dochter onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de man hen structureel intimideert, bedreigt, belt en/of lastigvalt, of dat er een reële dreiging bestaat dat de man dit in de nabije toekomst gaat doen.Volledige uitspraak
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712272 / KG ZA 25-1270
Vonnis in kort geding van 2 maart 2026
in de zaak van
1 [de vrouw] ,
2. [de dochter] ,
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. A. Aksü,
tegen
[de man] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. F. Çelen.
Partijen worden hierna de vrouw, de dochter en de man genoemd.
1De zaak in het kort
De vrouw en de man waren gehuwd en zijn in het najaar van 2024 gescheiden. De vrouw en de dochter stellen dat de man hen voortdurend opzoekt en intimideert. Zij willen dat dit stopt. Daarom vorderen zij dat aan de man met een dwangsom versterkte straat- en contactverboden worden opgelegd. De man betwist dat hij nog contact heeft met de vrouw en de dochter, en dat hij hen opzoekt, belt en/of (anderszins) intimideert. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw en de dochter af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 en 2;
- de mondelinge behandeling op 16 februari 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de vorderingen ingetrokken voor zover die ook namens de minderjarige dochter van de vrouw waren ingesteld. Verder heeft de man tijdens de mondelinge behandeling zijn verweer ingetrokken voor zover dat tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw en de dochter strekt.
3. De vorderingen
De vrouw en de dochter vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te verbieden om gedurende twaalf (12) maanden na betekening van het vonnis op enigerlei wijze contact met de vrouw en de dochter te zoeken of te hebben, direct dan wel indirect, waaronder begrepen (maar niet beperkt tot) telefonisch contact, berichtenverkeer, contact via derden en het opzoeken of aanspreken van de vrouw en de dochter;
II. de man te verbieden om gedurende twaalf (12) maanden na betekening van het vonnis zich te bevinden dan wel op te houden binnen een straal van 500 meter van de woning van de vrouw en de dochter aan de [adres] te [woonplaats] , althans in een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen gebied;
III. te bepalen dat de man voor iedere overtreding van de onder I. en II. gevorderde verboden een dwangsom verbeurt van € 500,00 per overtreding, met een maximum van € 20.000,00;
IV. de man te veroordelen in de kosten van dit geding.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw en de dochter, met veroordeling van de vrouw en de dochter in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
Het toetsingskader in een kort geding
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de vrouw en de dochter ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
De gevorderde straat- en contactverboden worden afgewezen
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw en de dochter onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de man hen structureel intimideert, bedreigt, belt en/of lastigvalt, of dat er een reële dreiging bestaat dat de man dit in de nabije toekomst gaat doen. Daarom worden de gevorderde straat- en contactverboden afgewezen.
Straat- en contactverboden vormen een vergaande inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de man. Daarom is voor toewijzing van de vorderingen van de vrouw en de dochter alleen plaats als de persoonlijke levenssfeer van de vrouw en de dochter tegen, gestelde, inbreuken daarop door de man niet op een andere manier kan worden veiliggesteld dan door toewijzing van de gevorderde straat- en contactverboden. De voorzieningenrechter moet alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of die verboden, zoals gevorderd, gerechtvaardigd zijn. Het is daarbij aan de vrouw en de dochter om hun belang bij de gevorderde straat- en contactverboden aannemelijk te maken.
De vrouw en de dochter stellen in dit verband het volgende. Tijdens het huwelijk van de vrouw en de man is sprake geweest van fysiek en psychisch geweld. Na het eindigen van het huwelijk intimideert de man de vrouw en de dochter structureel, waardoor de vrouw en de dochter zich voortdurend onveilig voelen en spanning ervaren. Zo rijdt de man met regelmaat langs de woning van de vrouw en de dochter, en belt daar aan. De vrouw en de dochter zijn de man ook tegengekomen in de wijk [naam wijk] , waar de man op een fatbike reed. De man heeft de vrouw herhaaldelijk gebeld vanaf steeds wisselende telefoonnummers. De man heeft tijdens een eerder opgelegd huis- en contactverbod contact gezocht met de vrouw en haar met de dood bedreigd. De vrouw en de dochter vermoeden tot slot ook dat de man ’s avonds/’s nachts bij de woning van de vrouw en de dochter heeft aangebeld.
De voorzieningenrechter constateert dat de man alle stellingen van de vrouw en de dochter betwist. Volgens de man heeft hij al een hele tijd geen contact meer met de vrouw en de dochter, heeft hij daar ook geen behoefte aan, heeft hij dit hoofdstuk uit zijn leven afgesloten en is hij inmiddels gelukkig met een nieuwe partner. Gelet hierop is het aan de vrouw en de dochter om in dit kort geding met onderbouwende stukken aannemelijk te maken dat de man hen wel degelijk intimideert, bedreigt en/of lastigvalt, of dat een reële dreiging bestaat dat de man dit zal doen. Daar zijn de vrouw en de dochter niet in geslaagd. Als onderbouwing voor hun stellingen hebben de vrouw en de dochter drie aangiften van de vrouw en een e-mail van de vrouw en de dochter aan hun advocaat overgelegd. Dit betreffen echter alle geen objectieve gegevens op grond waarvan het door de vrouw en de dochter gestelde gedrag van de man aannemelijk is. Het betreffen immers in feite alle verklaringen van de vrouw (en de dochter). De vrouw en de dochter hebben bijvoorbeeld geen schriftelijke berichten van de man met bedreigingen aan hun adres, of foto’s en video’s van de man in de buurt van hun woning in het geding gebracht. De politie heeft de man blijkbaar ook niet in de omgeving van de man aangetroffen, en de vrouw en de dochter hebben de man blijkbaar ook geen van de momenten waar zij op doelen zelf gezien. Bij deze stand van zaken is onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de man de vrouw en de dochter heeft bedreigd, geïntimideerd en/of lastiggevallen, of dat daar een reële dreiging voor bestaat, en dat het in het verlengde daarvan gerechtvaardigd is om aan de man straat- en contactverboden op te leggen. De angst en vermoedens van de vrouw en de dochter zijn, hoe vervelend het ook voor hen is dat zij dat ervaren, onvoldoende om toewijzing van straat- en/of contactverboden te rechtvaardigen.
Aan een belangenafweging wordt bij deze stand van zaken niet toegekomen. Zo’n afweging kan er immers niet toe leiden dat een straat- en/of contactverbod wordt opgelegd, terwijl niet aannemelijk is dat de daartoe strekkende vorderingen in een bodemprocedure worden toegewezen.
De conclusie
De conclusie is dat de vorderingen worden afgewezen.
De vrouw en de dochter moeten de proceskosten van de man betalen
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak echter aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarvoor is redengevend dat de echtscheiding van de vrouw en de man al enige tijd geleden heeft plaatsgevonden en dat het gevorderde straat- en contactverbod niets te maken hebben met de gevolgen van die echtscheiding.
De proceskosten van de man worden begroot op:
- griffierecht € 93,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.042,00
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt de vrouw en de dochter in de proceskosten van € 1.042,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de vrouw en de dochter de proceskosten niet op tijd betalen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten de vrouw en de dochter € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026.
4041/2009
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
