Rechtbank Gelderland 18-02-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1543

Essentie (gemaakt door AI)

Vaststelling hoogte legitieme portie. Erflater onterft dochter en benoemt echtgenote tot enig erfgenaam. Geschil over waardering auto, caravan, inboedel en enkele schulden; rechtbank waardeert auto op €25.000, caravan €1.200, inboedel €3.850 en erkent creditcardschuld en Zvw-aanslag. Uitvaartkosten, incl. lunch en consumpties, zijn schulden van de nalatenschap. Legitimaire massa leidt tot legitieme portie van €47.152,42. Opeisbaarheid uitgesteld op grond van testament en art. 4:82 BW.

Datum publicatie16-03-2026
ZaaknummerC/05/454232 / HZ ZA 25-187
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsZutphen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Uitleg testament; Legitieme portie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vaststelling hoogte legitieme portie. Legitieme portie nog niet opeisbaar.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/454232 / HZ ZA 25-187

vonnis van 18 februari 2026

in de zaak van

[naam eiser] ,

in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. J. van Berk,

tegen

[naam gedaagde] ,

in [woonplaats] , [gemeente] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. F. Klabbers.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 september 2025

- de mondelinge behandeling van 12 januari 2026.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Op 13 februari 2024 is de heer [naam erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater was ten tijde van zijn overleden in gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde] . Erflater heeft zijn dochter [eiser] bij testament onterfd en [gedaagde] benoemd tot enig erfgenaam en executeur. [gedaagde] heeft haar benoeming tot executeur aanvaard.

2.2.

In het testament zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

B. ONTERVING

Ik bepaal uitdrukkelijk dat mijn dochter, [eiser] (thans genaamd [eiser] ) (…)

alsmede haar eventuele afstammelingen, is/zijn uitgesloten van iedere erfopvolging in mijn

nalatenschap, zodat zij en haar afstammelingen aldus niets uit mijn nalatenschap zullen verkrijgen.

Ik verzoek de bij de afwikkeling van mijn nalatenschap betrokken executeur en/of boedelnotaris mijn voomoemde dochter of haar afstammelingen niet omtrent vorenstaande onterving te informeren.

C. WIJZIGING ERFDELEN

Voor het geval ik vóór mijn voomoemde echtgenote mocht komen te overlijden, benoem ik mijn voomoemde echtgenote tot enig erfgenaam van mijn gehele nalatenschap.

Voormelde erfstelling is mede door mij opgenomen om te voorkomen dat mijn voomoemde echtgenote de erfbelasting (successierechten) en andere eventuele vermogensbelastingen van mijn hierna te noemen zoon alsmede haar drie eigen kinderen, als gevolg van de verkrijging van hun erfdeel uit mijn nalatenschap, direct na mijn overlijden voor en namens deze kinderen zou moeten betalen.

Ik verzoek de genoemde kinderen dan ook deze erfstelling te respecteren.

D. TWEETRAPSMAKING ECHTGENOTE

(…)

E. BEROEP LEGITIEME

Voor het geval één van mijn afstammelingen mijn wens niet mocht respecteren en een beroep mocht doen op zijn/haar legitieme portie bepaal ik dat hij/zij niet meer uit mijn nalatenschap zal verkrijgen dan zijn/haar legitieme vordering en dat eventueel door mij aan deze afstammeling gedane schenkingen dienen te worden ingebracht in mijn nalatenschap. De legitieme vordering van deze afstammeling zal alsdan echter uitsluitend opeisbaar zijn bij het overlijden van mijn voornoemde echtgenote en zal geen rente dragen.”

2.3.

Bij brief van 5 juni 2024 heeft [eiser] een beroep gedaan op haar legitieme portie.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad:

I. de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van erflater vaststelt;

II. [gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur, dan wel erfgenaam, veroordeelt tot betaling aan [eiser] van haar legitieme portie in de nalatenschap van erflater, binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover tot de dag der algehele voldoening;

III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien [gedaagde] deze kosten niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] betaalt.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert ten aanzien van vordering I tot toewijzing, met dien verstande dat de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van erflater dient te worden vastgesteld zoals door [gedaagde] is becijferd. Ten aanzien van vorderingen II en III concludeert [gedaagde] tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de rente daarover vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

De geschilpunten

4.1.

Partijen zijn het eens over de goederen en schulden dit tot de nalatenschap behoren. Verder is er tussen hen overeenstemming over de waarde van het merendeel van de posten van de nalatenschap. Partijen verschillen van mening over (de waarde van) de auto, de caravan, de inboedel, de creditcardschuld, de inkomstenbelasting 2023 en de kosten van de herdenkingsdienst. Daarnaast verschillen partijen van mening over de opeisbaarheid van de legitieme portie. De rechtbank zal de hiervoor genoemde posten afzonderlijk behandelen om tot een vaststelling van de hoogte van de legitieme portie te komen. Daarna zal de rechtbank oordelen dat de legitieme portie nog niet opeisbaar is.

Toetsingskader

4.2.

Op grond van artikel 4:65 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden de legitieme porties berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Artikel 4:6 BW bepaalt dat de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt berekend op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.

De auto

4.3.

Partijen zijn het niet eens over de waarde van de auto, een Volvo XC60 van bouwjaar 2018. De auto is in de boedelbeschrijving opgenomen voor een waarde van € 20.000. [gedaagde] voert ter onderbouwing van dit bedrag aan dat de Volvodealer haar op 11 juni 2024 € 20.000 heeft geboden voor de auto. [eiser] stelt dat de waarde van de auto op het moment van overlijden van erflater hoger was. Het door de Volvodealer gedane bod is de inkoopwaarde voor een Volvodealer en deze is lager dan de waarde in het economisch verkeer, aldus [eiser] . De rechtbank volgt [eiser] in deze stelling, in die zin dat de handelsinkoopwaarde de laagste waarde is, terwijl het in de verhouding tussen partijen meer voor de hand ligt uit te gaan van de waarde tussen particulieren. Dat betekent dat de waarde van de auto ten tijde van het overlijden van erflater in ieder geval hoger was dan € 20.000.

4.4.

[eiser] stelt dat de waarde van de waarde van de auto op het moment van overlijden van erflater € 28.750 bedroeg en onderbouwt dit met een waardebepaling van de ANWB. Nu uit het rapport van de ANWB uitdrukkelijk volgt dat het gaat om een waardebepaling bij nalatenschap, gaat de rechtbank ervan uit dat het bedrag van € 28.750 de waarde van de auto is in het economische verkeer, dus tussen particulieren onderling. Echter, de ANWB heeft de auto niet onderzocht. [gedaagde] heeft daarbij gemotiveerd aangevoerd dat de kilometerstand van de auto op 11 mei 2024 84.147 bedroeg en dus beduidend meer dan 60.000, de waarde uit het rapport van de ANWB. De rechtbank gaat er daarom op basis van het aantal gereden kilometers op 11 mei 2024 en de leeftijd van de auto van uit dat de kilometerstand ten tijde van het overlijden van erflater ruwweg 80.000 bedroeg, zodat de waarde van de auto lager uitkomt dan het door de ANWB vastgestelde bedrag van € 28.750.

4.5.

[gedaagde] heeft ook nog aangevoerd dat de auto in december 2023 schade heeft opgelopen. Zij heeft echter alleen een schaderapport overgelegd van 11 mei 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] hiermee onvoldoende onderbouwd dat de schade al was ingetreden op het moment van overlijden van erflater. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om bijvoorbeeld een Europees schadeformulier van het ongeval over te leggen. In het bedrag van € 20.000 dat de Volvodealer heeft geboden is de schade verdisconteerd. Ook om die reden is dat bedrag te laag. Tot slot heeft [gedaagde] , gelet op de betwisting door [eiser] , haar stelling dat de remschijven van de auto in slechte staat waren onvoldoende onderbouwd.

4.6.

Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank de waarde van de auto ten tijde van overlijden van erflater in goede justitie vast op € 25.000.

De caravan

4.7.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling met stukken onderbouwd dat zij de caravan heeft verkocht voor € 1.200. [eiser] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank de waarde van de caravan op basis van de niet betwiste stellingen van [gedaagde] vaststelt op € 1.200.

De inboedel

4.8.

[eiser] stelt dat de inboedel ten tijde van het overlijden van erflater een waarde vertegenwoordigde van € 10.000. [gedaagde] heeft voor de totale inboedelgoederen een waarde opgenomen van € 2.000. [eiser] is van mening dat [gedaagde] een volledig overzicht had dienen te geven van de gehele inboedel en dat het feit dat zij dit niet heeft gedaan voor haar rekening moet komen.

4.9.

Vaststaat dat tot de inboedel behoorden een op 27 januari 2017 voor € 4.131 aangeschafte tv van LG, op 1 december 2023 voor € 3.998 aangeschafte stoelen en hocker en zes gitaren die voor € 900 via Marktplaats zijn aangeboden. [eiser] heeft daarbij naar voren gebracht dat de aanwezige Gibson gitaar niet is meeverkocht en dat uiteindelijk de overige vijf gitaren zijn verkocht voor het bedrag € 900. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat de Gibson stuk was, maar [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat de koopster via Marktplaats met name geïnteresseerd was in de Gibson, zodat deze een waarde vertegenwoordigde. Gelet op deze stellingen stelt de rechtbank de waarde van de Gibson gitaar in goede justitie vast op € 450, zodat de totale waarde van de zes gitaren wordt vastgesteld op € 1.350. Ten aanzien van de stoelen en hocker heeft [eiser] aan de hand van marktplaatsadvertenties voldoende onderbouwd dat de tweedehands waarde € 1.500 bedraagt. De waarde van de in 2017 aangeschafte LG tv stelt de rechtbank in goede justitie vast op ten minste € 1.000. Voor de overige goederen die in de regel nog enige waarde vertegenwoordigen, zoals de radio-installatie, de wasmachine en de droger, heeft [eiser] de stelling van [gedaagde] dat die al lange tijd geleden zijn aangeschaft en dus geen waarde vertegenwoordigen onvoldoende betwist. Ook heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat de nalatenschap geen kunst of antiek omvat. Op grond van het voorgaande wordt de totale waarde van de inboedel ten tijde van het overlijden van erflater vastgesteld op € 3.850.

De creditcard en aanslag inkomstenbelasting

4.10.

Voorafgaand aan het overlijden van erflater heeft [gedaagde] diverse betalingen verricht met haar creditcard, die hebben te gelden als een schuld van de nalatenschap. [gedaagde] heeft een rekeningoverzicht van haar creditcard overgelegd. [eiser] heeft de bedragen nagerekend en is tot een totaalbedrag van € 605,37 gekomen. [gedaagde] heeft zich hiertegen niet verzet, zodat de rechtbank de creditcardschuld van de nalatenschap vaststelt op € 605,37. Verder heeft [gedaagde] heeft zij aangevoerd dat zij € 161 aan de Belastingdienst dient te betalen, welk bedrag heeft te gelden als een schuld van de nalatenschap 1. [eiser] heeft dit bedrag niet betwist zodat de rechtbank de schuld van de nalatenschap vaststelt op dit bedrag.

De kosten van de herdenkingsdienst

4.11.

[gedaagde] stelt dat de totale kosten van de uitvaart € 2.451,10 bedragen, bestaande uit € 1.276 aan kosten van Uitvaart24 voor de herdenkingsbijeenkomst van erflater, € 947,55 voor de lunch tijdens de herdenkingsbijeenkomst en € 277,55 voor door de dochters van [gedaagde] ingekochte drankjes en pizza’s na afloop van de herdenkingsbijeenkomst. Het bedrag van € 1.276 is niet in geschil. [eiser] betwist wel dat de overige gemaakte kosten voor de herdenkingsbijeenkomst kosten van lijkbezorging zijn in de zin van de wet en voert aan dat de kosten van ingekochte pizza’s en drankjes niet zijn onderbouwd.

4.12.

Artikel 4:7 lid 1 onder b BW merkt de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene, aan als een schuld van de nalatenschap. [gedaagde] heeft aangevoerd dat het de wens was van erflater dat hij geen traditionele uitvaart zou krijgen, maar dat er een kleinschalige herdenkingsdienst zou worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat de door haar gemaakte kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Daarbij kunnen zowel de kosten van de lunch als die van de pizza’s en de drankjes na afloop worden beschouwd als kosten van de uitvaart, in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad hierover. 2 Dat één kant van de familie daarbij niet aanwezig was, maakt nog niet dat sprake is van onredelijke kosten. Verder heeft [gedaagde] ter onderbouwing van de stelling dat de kosten van de pizza’s en drankjes door haar dochter zijn voorgeschoten een betaling via Tikkie van een dag na de herdenkingsbijeenkomst overgelegd met de tekst “Jumbo, Sligro, pizza.” Nu er door [eiser] geen andere redelijke verklaring is aangevoerd voor het tikkie, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd, en [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dat de betaling betrekking heeft op de gestelde pizza’s en drankjes tijdens de herdenkingsbijeenkomst. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de kosten van lijkbezorging € 1.276, vermeerderd met € 947,55, € 227,55 en de bloemen van € 25,00 (niet in geschil) bedragen, verminderd met het door [gedaagde] ontvangen bedrag van de uitvaartverzekering van € 136, dus per saldo € 2.340,10.

De hoogte van de legitieme portie

4.13.

Op grond van het voorgaande bedroeg de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden (de posten waarover discussie bestond telkens als laatste vermeld):

Activa:

woning

€ 585.000

vordering van de kinderen [gedaagde]

€ 30.000

banksaldi

€ 46.874,18

€ 13.067,15

€ 2.184,54

€ 3

teruggaaf IB/PVV 2023 [gedaagde]

€ 2.488

vordering Nationale Nederlanden

€ 53,44

vorderingen SVB

€ 355,47

€ 383,63

€ 494,01

uitkering Aegon

€ 404,92

uitkering BPF Beton

€ 239,10

uitkering ABP

€ 926,86

auto

€ 25.000

caravan

€ 1.200

inboedel

€ 3.850

Totaal

€ 712.524,30

Passiva

hypotheekschuld totaal

€ 140.001

Menzis wasserij

€ 65,86

CAK

€ 565,04

€ 616,87

schuld Belastingdienst

€ 161

creditcard

€ 605,37

Totaal

€ 142.015,14

De totale waarde van de huwelijksgoederengemeenschap bedraagt € 570.509,16.

Het aandeel van erflater (50%): € 285.254,58.

4.14.

De berekening van de legitieme portie van [eiser] luidt dan als volgt:

Uitvaartkosten:

Uitvaart 24

€ 1.276

lunch Knettervers

€ 947,55

pizza’s en drankjes

€ 227,55

bloemen verpleeghuis

€ 25

teruggaaf uitvaartverzekering

€ 136 -/-

Totaal

€ 2.340,10

De legitimaire massa bedraagt dan € 282.914,48. Het erfdeel is 1/3 oftewel : € 94.304,83. De legitieme portie van [eiser] is 50% van het erfdeel, dus € 47.152,42.

De legitieme portie is niet opeisbaar

4.15.

Verder is tussen partijen de opeisbaarheid van de legitieme portie van [eiser] in geschil.

4.16.

[gedaagde] voert aan dat erflater met de bepaling onder E. in het testament gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 4:82 BW om bij testament de opeisbaarheid van de legitieme portie jegens de langstlevende echtgenoot uit te stellen tot na diens overlijden. [eiser] meent dat deze bepaling niet voor haar geldt omdat het onder E. bepaalde betrekking heeft op het respecteren van de tweetrapsmaking onder D. van het testament, althans het respecteren van de inhoud van het testament. [eiser] is van mening dat zij zich niet verzet tegen de tweetrapsmaking onder D. omdat zij in dat geval recht zou hebben op een derde van de nalatenschap. Zodoende respecteert zij de wens van erflater. Dat geldt ook voor de onterving: zij bestrijdt niet dat zij geen erfgenaam is.

4.17.

De rechtbank volgt [eiser] niet in haar stellingen. Uit de opbouw met verschillende kopjes in het testament volgt dat bepaling E. een losstaande bepaling is, die niet enkel samenhangt met onderdeel D. Bij de uitleg van een testament is van belang welke verhoudingen de testeerder heeft willen regelen. Het testament dient naar het oordeel van de rechtbank zo te worden uitgelegd dat de wens van erflater de onterving van [eiser] was, zoals expliciet volgt uit hetgeen is bepaald onder B. in het testament. Dat betekent dat erflater wenste dat [eiser] niets zou ontvangen. Die wens heeft [eiser] niet gerespecteerd. Het bepaalde in onderdeel E. kan niet anders uitgelegd worden dan dat indien deze wens niet wordt gerespecteerd en [eiser] een beroep doet op haar legitieme portie, de legitieme vordering uitsluitend opeisbaar zal zijn bij het overlijden van [gedaagde] . [gedaagde] leeft nog. Daarom concludeert de rechtbank dat de legitieme portie van [eiser] nog niet opeisbaar is.

Overige beslissingen

4.18.

[eiser] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Omdat het op dit moment alleen gaat om het vaststellen van de hoogte van de legitieme portie, is er niets dat ten uitvoer gelegd kan worden. Daarom wijst de rechtbank de vordering in zoverre af.

4.19.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

stelt de legitieme portie van [naam eiser] in de nalatenschap van [naam erflater] vast op € 47.152,42,

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Eskes en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

JV/RE

1

Partijen spreken over inkomstenbelasting, feitelijk betreft het een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet in verband met ontvangen partneralimentatie.

2

Zie Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1284.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733