Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding in familiezaak waarin sprake is van ouderverstoting. De kinderen wonen bij moeder en hebben sinds 2022 vrijwel geen contact met vader. Eerdere zorgregeling en schriftelijke aanwijzing leiden niet tot herstel; hulpverlening bepleit ‘kleine stapjes’ en verzet zich tegen ‘losbreken’. De voorzieningenrechter acht dat niet werkbaar en vertrouwt de kinderen voorlopig toe aan vader, met opdracht aan de GI om de plaatsing voor te bereiden. Primaire vorderingen (incl. dwangsom) worden afgewezen; verzoek zorgregeling wordt afgewezen.| Datum publicatie | 16-03-2026 |
| Zaaknummer | 605581 KG ZA 26-20 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Geen omgang (een van) ouders; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
kort geding in een familiezaak. Er is sprake van ouderverstoting. De kinderen wonen bij de moeder en zien de vader niet meer. Pogingen om het contact te herstellen zijn tot op heden op niets uitgelopen. De hulpverlening staat een traject voor van ‘kleine stapjes’ waarbij geprobeerd wordt de symbiotische relatie los te weken en staat niet achter een traject van losbreken. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee en vertrouwt de kinderen voorlopig toe aan de vader. Alle andere mogelijkheden zijn namelijk niet werkbaar.Volledige uitspraak
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/605681 / KG ZA 26-20
Vonnis in kort geding van 19 februari 2026
in de zaak van
[vader] , de vader,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. van Vonderen-Jagersma,
tegen
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, de GI,
gevestigd in Utrecht,
Spoor030,
gevestigd in Utrecht,
advocaat mr. A.J.F. Vokurka-Viruly,
[moeder] , de moeder,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.J. van de Pol.
1De procedure
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
-
dagvaarding van vader met producties 1 tot en met 15;
-
de brief van de GI van 26 januari 2026, met als productie het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken op grond van artikel 1:265g lid 1 BW;
-
de productie van Spoor030;
-
de conclusie van antwoord van de moeder, akte houdende producties, met producties 1 tot en met 5.
Op 5 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-
de vader met zijn advocaat;
-
namens de GI: [A] , [B] en [C] ;
-
namens Spoor030: [D] en [E] , bijgestaan door de advocaat;
-
de moeder met haar advocaat;
-
[F] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Tijdens de zitting is gelijktijdig het verzoek van de GI om een zorgregeling vast te stellen behandeld (zaaknummer 605735 JE RK 26-93).
2Waar gaat het geschil over?
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest. Zij hebben samen twee kinderen:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , en
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] .
De kinderen wonen bij de moeder.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.
De ouders hebben in hun ouderschapsplan afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en dat de kinderen om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn.
De kinderen zijn onder toezicht gesteld. De gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland voert de ondertoezichtstelling uit.
Bij beschikking van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank de volgende zorgregeling vastgesteld:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven elke vrijdag uit school tot het avondeten bij de vader thuis. Dit wordt binnen een halfjaar onder regie van de GI opgebouwd naar een week-op-week-afregeling, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag uit school.
De GI heeft op 30 oktober 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter heeft deze schriftelijke aanwijzing op 9 december 2025 bekrachtigd. In de schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen:
“- Je bent aanwezig bij het startmoment (zolang Spoor030 dit in het belang van de kinderen acht) om van daaruit samen met Spoor030 de kinderen te begeleiden naar de omgangslocatie.
- Je hebt met Spoor030 wekelijks een vast moment voor een hulpverleningsgesprek ruim voor de omgang. Het is belangrijk dat de hulpverleningsgesprekken een op een met jou plaatsvinden. Een vertrouwenspersoon kan hierbij niet aanwezig zijn. Je komt deze afspraak na. Mocht je onverhoopt verhinderd zijn, neem je het initiatief om de afspraak op een haalbaar tijdstip in dezelfde week door te laten gaan.
- Je komt de zorgregeling na zoals door de rechtbank is vastgelegd in de beschikking van 15 augustus 2025.”
Tussen de vader en de kinderen is sinds 10 april 2022 geen contact meer op drie contactmomenten onder begeleiding van de hulpverlening na.
De vader vordert nu in kort geding het volgende:
Primair jegens de GI:
-
Veroordeling van de GI om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis:
Directe uitvoering zorgregeling: De wekelijkse contactmomenten van vrijdag uit school tot avondeten onmiddellijk te laten plaatsvinden conform punt 4.1 van de beschikking van 15 augustus 2025; -
Regie-uitoefening: Concrete uitvoering te geven aan de opdracht uit punt 3.6 door daadwerkelijk door te pakken met contactherstel zonder verdere kleine stapjes;
-
Begeleiding normalisering: Ervoor te zorgen dat Spoor030 of een andere aangewezen partij de omgang daadwerkelijk begeleidt met als doel normalisering, niet verder onderzoek of trauma-inventarisatie voorafgaand aan contact;
-
Opbouw week-op-week-af: Een concrete tijdlijn en plan van aanpak op te stellen en uit te voeren voor de opbouw naar week-op-week-af regeling uiterlijk 15 februari 2026.
-
Dwangsom: Een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat de GI in gebreke blijft de rechterlijke beschikking van 15 augustus 2025 daadwerkelijk uit te voeren, met een maximum van € 50.000,-, dan wel een door uw rechtbank te bepalen dwangsom per dag met een door u te bepalen maximum in goede justitie te bepalen.
Primair jegens Spoor030:
6. Veroordeling van Spoor030 om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis:
Directe uitvoering te geven aan de hulpverleningsopdracht uit punt 3.6 door daadwerkelijk de gesprekken met beide ouders te voeren over de uitvoering van de zorgregeling en daadwerkelijk de hulpverlening bij de omgang in te zetten om de omgang te normaliseren.
7. Dwangsom: Een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat Spoor030 in gebreke blijft de rechterlijke beschikking van 15 augustus 2025 daadwerkelijk uit te voeren, met een maximum van € 50.000,-, dan wel een door uw rechtbank te bepalen dwangsom per dag met een door u te bepalen maximum in goede justitie te bepalen.
Jegens de moeder:
8. Veroordeling van de moeder om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis:
Directe uitvoering te geven aan de zorgregeling van de beschikking van 15 augustus 2025 door de zorgregeling van vrijdag uit school tot avondeten onmiddellijk te laten plaatsvinden conform punt 4.1 van de beschikking van 15 augustus 2025 concreet door de kinderen bij vader te brengen en op te halen op deze tijdstippen;
9. De kinderen op de door onder de regie van de GI bepaalde omgangsmomenten (aanvullend op de beschikking) bij vader te brengen en te halen;
10. De bekrachtigde schriftelijke aanwijzing na te komen door de wekelijkse gesprekken met de begeleiding van Spoor030 te voeren;
11. Dwangsom: Een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat moeder in gebreke blijft de rechterlijke beschikking van 15 augustus 2025 daadwerkelijk uit te voeren door de kinderen niet volgens de rechtbank bepaalde omgangsregeling bij vader te brengen (specifiek van vrijdag na school tot na het avondeten), met een maximum van € 50.000,-, dan wel een door uw rechtbank te bepalen dwangsom per dag met een door u te bepalen maximum in goede justitie te bepalen.
12. Dwangsom: Een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat moeder in gebreke blijft de rechterlijke beschikking van 15 augustus 2025 daadwerkelijk uit te voeren door de kinderen niet volgens de rechtbank bepaalde omgangsregeling bij vader te brengen vanaf 15 februari 2026 volgens de zorgregeling week op week af bij vader te brengen ingaande op de eerste vrijdag 20 februari 2026, dan wel een door uw rechtbank te bepalen dwangsom per dag met een door u te bepalen maximum in goede justitie te bepalen;
13. Dwangsom: Een dwangsom van € 1.000,- voor elke keer dat moeder zich niet houdt aan de instructie van de GI voor het bijwonen van de wekelijkse gesprekken met de begeleider van Spoor030 of een andere door de GI aan te wijzen begeleidende hulpverlenende instantie, dan wel een door uw rechtbank te bepalen dwangsom per dag met een door u te bepalen maximum in goede justitie te bepalen.
Subsidiair
Te bepalen dat de kinderen voorlopig aan vader worden toevertrouwd, waarbij zij voorlopig bij vader verblijven vanaf een door U E.A. in goede justitie te bepalen ingangsdatum of anders per direct, waarbij wordt bepaald dat de GI deze overdracht dient te begeleiden, waarbij een omgangsregeling met moeder in overleg met vader wordt vastgesteld eerst onder begeleiding van de GI of een door Spoor030 aan te wijzen hulpverlener.
De vader vordert ook de GI, Spoor030 en de moeder in de proceskosten te veroordelen.
3De beoordeling
UitgangspuntenHet gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening of maatregel. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de vader ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat wil zeggen dat de vader nu een beslissing van de voorzieningenrechter nodig heeft en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan afwachten. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. In de beschikking van 15 augustus 2025 is namelijk een zorgregeling vastgesteld waarbij binnen een half jaar naar co-ouderschap moet zijn toegewerkt. Dit is echter niet van de grond gekomen; de vader en de kinderen hebben sindsdien maar één contactmoment gehad.
Inhoudelijke beoordeling
De voorzieningenrechter zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig toevertrouwen aan de vader. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de primaire verzoeken van de vader zal afwijzen en het subsidiaire verzoek (gedeeltelijk) zal toewijzen. Hieronder legt de voorzieningenrechter deze beslissing uit.
Al sinds april 2022 hebben de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen contact met hun vader gehad. Er zijn enkele contactmomenten geweest in het kader van contactherstel, maar daar is het bij gebleven. De kinderen willen niet naar de vader en de moeder lijkt niet in staat om intrinsieke emotionele toestemming te geven voor contact. Inmiddels is sprake van ouderverstoting.
In rapportages wordt verder een symbiotische relatie beschreven tussen enerzijds [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onderling en anderzijds de kinderen en de moeder. Ook daardoor zijn er, los van het contactverlies tussen de vader en de kinderen, grote zorgen over de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder herkent zich niet in deze zorgen, zo heeft zij op de zitting verklaard. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar het eindrapport van Youké van maart 2025. Daarin staat bijvoorbeeld in het verslag van de bijeenkomst van 23 januari 2025 met moeder: ‘… in gesprek over de dynamiek die in voorgaande onderzoeken naar voren komt (verstrengeling moeder en de kinderen, een kluwengezin.’ In hetzelfde verslag staat onder de bijeenkomst van 7 maart 2025 van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : ‘Gezien de sterke afstemming tussen de meiden die is waargenomen in de sessie met vader (waarbij [minderjarige 2] de emoties van [minderjarige 1] lijkt te reguleren) gaan we in op relaties.’ Dit zijn observaties van hulpverleners; de voorzieningenrechter heeft geen reden aan deze observaties te twijfelen. Het kenmerkt wel hoe anders de moeder aankijkt tegen de problematiek dan de hulpverlening.
De hulpverlening staat een traject voor van ‘kleine stapjes’ waarbij geprobeerd wordt de symbiotische relatie los te weken. De hulpverlening hoopt zo dat bij de kinderen (en de moeder) ruimte komt voor andere gedachten over de vader. De hulpverlening wil daarbij meer inzetten om de intentie van de vader aan de kinderen duidelijk te maken, waardoor de stellige overtuigingen mogelijk wat gaan wankelen. De hulpverlening staat niet achter een traject van grote stappen, waarbij geen sprake is van losweken, maar van losbreken.
In de stukken en op de zitting is besproken wat de mogelijkheden zijn in deze situatie. De voorzieningenrechter bespreekt die verschillende mogelijkheden hierna.
Uithuisplaatsing
Eén van de mogelijkheden om de situatie te doorbreken is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen, ieder op een eigen, neutrale plek, bij voorkeur op een locatie die geografisch gezien op een behoorlijke afstand van beide ouders ligt. In het verleden heeft Youké zoiets al gesuggereerd voor het geval de methode van de kleine stapjes geen resultaat oplevert. Ook de voorzieningenrechter ziet voordelen in deze drastische maatregel. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen dan werken aan contactherstel met de vader én aan hun eigen identiteitsontwikkeling, zonder dat zij daarbij beïnvloed kunnen worden door de moeder of elkaar. Een verzoek uithuisplaatsing ligt echter niet voor en de voorzieningenrechter noch de kinderrechter kan ambtshalve een machtiging uithuisplaatsing afgeven.
Doorgaan met contactherstel
Een andere mogelijkheid is om door te gaan met het contactherstel. De GI wil dit nu proberen te bereiken in (heel) kleine stapjes, op advies van Spoor030. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen optie. Met deze methode wordt namelijk feitelijk doorgegaan op de manier zoals nu al heel lang is geprobeerd. Tot nu toe is deze methode niet succesvol gebleken. In de laatste beschikkingen is daarom geprobeerd dat stramien te doorbreken, het tempo te verhogen en de moeder tot meewerken te bewegen door middel van een schriftelijke aanwijzing. Ook dit heeft allemaal niet geholpen. De GI wil nu het tempo weer omlaag brengen, waarbij de GI de regie voert op het proces van contactherstel tussen de vader en de kinderen. De GI wil zorgvuldig toewerken naar een contactmoment, in samenspraak met de (trauma)behandelaar en bezien hoe ‘mogelijke vervolgcontacten vormgegeven kunnen worden’. Dit traject draagt geen enkele succesgarantie in zich. Daarbij komt dat het nog maar de vraag is of daadwerkelijk sprake is van trauma bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook zegt de moeder weliswaar dat zij wil meewerken aan een NIFP-rapportage, maar of ze dat ook daadwerkelijk kán én of daar vervolgens ook iets werkbaars uit voortvloeit, is zeer de vraag. Dit zou daarom meer dan waarschijnlijk betekenen dat er nog heel lang een ondertoezichtstelling moet zijn, waarbij continu aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt getrokken door hulpverleners. Dat is een vooruitzicht dat in zichzelf traumatisch is en slechts moet worden uitgevoerd als er daadwerkelijk uitzicht op succes is. Dat is niet het geval.
De vader wil primair opbouwen naar co-ouderschap zonder verdere (kleine) tussenstapjes. Daarbij wil de vader dat de voorzieningenrechter dwangsommen oplegt aan de GI, Spoor030 en de moeder om dit te bewerkstelligen. Het verleden heeft geleerd dat zonder dwangsommen de co-ouderschapsregeling niet van de grond komt. Het opleggen van dwangsommen ziet de voorzieningenrechter echter niet als werkbare optie en daarom zal de voorzieningenrechter de primaire vorderingen van de vader afwijzen. Nog daargelaten of het opleggen van dwangsommen (ook) bij Spoor030 kan en/of maatschappelijk wenselijk is, is de vastgestelde zorgregeling in feite een opdracht aan de ouders. In dit geval zijn het echter óók de kinderen zelf die weigerachtig zijn om naar de vader te gaan. De hulpverlening heeft al veel in het werk gesteld om dit voor elkaar te krijgen. De keer na het laatste contactmoment bij de vader thuis, wilden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer in de auto van de hulpverleners stappen en een gesprek van drie kwartier veranderde dat niet. Van de hulpverlening kan niet worden gevraagd de kinderen (steeds) met geweld bij de vader te brengen.
Ophouden met contactherstel
In de gegeven omstandigheden kan het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] helpen om even niet bezig te hoeven zijn met het contactherstel met de vader. De hulpverlening hoeft dan niet op die manier aan hen te trekken. In de rust die daardoor ontstaat, kan binnen de ondertoezichtstelling gewerkt worden aan het doorbreken van de symbiotische relaties waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten en komen zij mogelijk toe aan hun eigen identiteitsontwikkeling. Desgevraagd was geen van de aanwezigen ter zitting hier voorstander van en de voorzieningenrechter zal dit dan ook niet doen.
Voorlopige toevertrouwing aan de vader
De laatste optie die voorligt aan de voorzieningenrechter, is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig aan de vader toe te vertrouwen. De voorzieningenrechter zal deze vordering toewijzen. Al het voorgaande is immers niet werkbaar, zodat alleen deze optie overblijft. Vanuit een plaatsing bij vader, eventueel te effectueren met behulp van de politie, kan de symbiotische relatie met de moeder worden doorbroken, vindt contactherstel met de vader plaats en kan worden bekeken hoe een zorgregeling met de moeder op termijn kan worden vormgegeven. Dit zal niet makkelijk zijn; rekening moet worden gehouden met grote weerstand bij de kinderen. Daarom is een goede voorbereiding noodzakelijk. De vader moet ervoor zorgen dat hij (en zijn partner) beschikbaar is en er moet intensieve hulpverlening worden ingezet. Ook moeten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar school, waarbij bedacht moet worden dat de moeder werkzaam is op de school van [minderjarige 2] . Om dit in goede banen te leiden, zal de voorzieningenrechter de voorlopige toevertrouwing bij de vader laten ingaan per 9 maart 2026 en de GI opdracht geven hier een plan voor op te stellen en uit te voeren. In de OTS-zaak met nummer 605735 JE RK 26-93 is die opdracht verder uitgewerkt.
De voorzieningenrechter beseft terdege dat dit een forse ingreep is in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Een ingreep die zij niet willen. Dat hebben zij bij de hulpverlening en ook in hun e-mails aan de kinderrechter laten weten. Toch verkiest de voorzieningenrechter deze optie boven de andere opties. Weliswaar kan deze beslissing een traumatische uitwerking hebben op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar ook de weg die de GI en de moeder voorstaan is traumatisch voor de kinderen. Bovendien verwacht de voorzieningenrechter dat de traumatische situatie minder lang zal duren dan de weg die de GI en de moeder willen bewandelen. Ook is er het voordeel dat de kinderen in elk geval tijdelijk uit de invloedssfeer van hun moeder zullen zijn. Het nadeel dat dit alles averechts uitpakt en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vader nooit meer willen zien, is ook meegewogen en aan de vader voorgehouden. Die heeft desgevraagd verteld te denken dat het zal meevallen, maar dat ook in dat geval er uiteindelijk wel duidelijkheid zal zijn.
De GI heeft op de zitting verklaard niet achter deze optie te staan, omdat zij niet actief trauma willen toevoegen aan de kinderen. De voorzieningenrechter is het eens met de GI dat het toevoegen van trauma zoveel mogelijk vermeden moet worden. De voorzieningenrechter is het echter niet eens met de GI dat alleen de weg van het losbreken in plaats van het losweken actief trauma toevoegt. Ook de weg die de GI voorstaat, die van het losweken, voegt trauma toe aan de kinderen. Zij worden immers langer blootgesteld aan een situatie die in de beschikking van 9 december 2025 is gekenmerkt als een constante vorm van kindermishandeling.
Zorgregeling
De vader heeft verder nog gevorderd dat als de kinderen voorlopig aan hem worden toevertrouwd, te bepalen dat de GI de overdracht dient te begeleiden, waarbij een omgangsregeling met de moeder in overleg met de vader wordt vastgesteld, eerst onder begeleiding van de GI of een door Spoor030 aan te wijzen hulpverlener. De voorzieningenrechter zal dit deel van de vordering afwijzen. In de procedure waarin de GI om het vaststellen van een zorgregeling heeft gevraagd, heeft de vader een zelfstandig verzoek gedaan om een zorgregeling vast te stellen. Op de zitting heeft de vader uitgelegd dat de zorgregeling in die procedure een nadere precisering is van het verzoek in deze kortgedingprocedure. In de OTS-zaak neemt de kinderrechter een beslissing over de zorgregeling. Onder deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter in deze procedure het verzoek over de zorgregeling afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep is ingesteld.
Proceskosten
In familiezaken is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren vanwege de relatie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Iedere partij moet daarom de eigen kosten dragen.
4De beslissing
De voorzieningenrechter:
vertrouwt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 9 maart 2026 voorlopig toe aan de vader;
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W.J. van Elsdingen, voorzieningenrechter, in samenwerking met mr. A. Minkjan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
