Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7814

Essentie (gemaakt door AI)

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet beoordeeld worden volgens de Brussel II-ter bevoegdheidsregels. De verordening definieert het begrip ‘gewone verblijfplaats’ niet. Op grond van de door het Hof van Justitie gegeven invulling aan het begrip moet worden vastgesteld of de man zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Het hof oordeelt dat dit niet het geval is.

Datum publicatie16-03-2026
Zaaknummer200.354.089/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenIPR familierecht; IPR ontbinding huwelijk;
Familieprocesrecht; Bevoegdheid
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Rechtsmacht op grond van artikel 3 sub a onder vi Brussel II-ter. Nederlandse rechter niet bevoegd omdat verzoeker zijn gewone verblijfplaats niet heeft verplaatst naar Nederland.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.354.089/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 321493)

beschikking van 9 december 2025

in de zaak van

[verzoekster] (de vrouw),

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. A.D. Haja te Twello,

en

[verweerder] (de man),

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. C. Simmelink te Maarssen.

1De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 30 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2De procedure in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 29 april 2025;

- een journaalbericht namens de vrouw van 29 mei 2025 met bijlage(n);

- het verweerschrift met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de vrouw van 29 juli 2025 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de man van 13 augustus 2025 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de vrouw van 17 oktober 2025 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de vrouw van 7 november 2025 met bijlage(n).

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw bijgestaan door een tolk [taal] en door haar advocaat en verder de man met zijn advocaat. De vrouw en de tolk hebben aan de zitting deelgenomen via een videoverbinding.

3De feiten

3.1.

Partijen zijn [in] 1988 te [plaats1] ( [land] ) getrouwd.

3.2.

De vrouw heeft de [nationaliteit] nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw woont in [land] . De man heeft zich op 8 maart 2024 ingeschreven in [woonplaats] , [gemeente] . Daarvoor, vanaf [datum] 2008, was de man ingeschreven in [land] .

4De omvang van het geschil

4.1.

Bij beschikking van 30 januari 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

4.2.

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van deze beschikking.

Deze zien op de ontvankelijkheid, de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht.

4.3.

De man voert verweer. Hij verzoekt, zo begrijpt het hof, de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

5De motivering van de beslissing

De rechtsmacht

5.1.

De zaak heeft een internationaal karakter. Dat betekent dat het hof moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen.

5.2.

Omdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend na 1 augustus 2022, dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordeeld te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019/1111). Artikel 3 bepaalt:

Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a. a) op het grondgebied waarvan:

i) de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben;

ii) zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft;

iii) de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft;

iv) in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt;

v) zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of

vi) zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening het verzoek verblijft, en onderdaan van de betrokken lidstaat is; of

b) waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten.

5.3.

Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ wordt in de verordening niet gedefinieerd.

Het Hof van Justitie heeft invulling gegeven aan het begrip gewone verblijfplaats en dit gedefinieerd als: ‘de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn’. 1 Een echtgenoot die zich wil beroepen op de bevoegdheidsgrond van artikel 3 lid 1 sub a onder vi Brussel II-ter moet zijn gewone verblijfplaats hebben verplaatst naar een andere lidstaat dan die van de voormalige gemeenschappelijke gewone verblijfplaats.

5.4.

Het hof moet op grond van het voorgaande vaststellen of de man zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Het hof legt hieronder uit hoe hij tot dit oordeel komt.

5.5.

Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de man het permanente centrum van zijn belangen van [land] heeft verplaatst naar Nederland. De man erkent dat hij meer in [land] verblijft dan in Nederland. Hij is vanaf het moment dat hij is ingeschreven in Nederland [in] 2024 tot [in] 2025 zeventien keer een weekend of enkele dagen in Nederland geweest. De man verblijft dan in Nederland in een appartement van een vriend. Hij heeft in Nederland geen eigen woning of ander bezit. De bezittingen van de man bevinden zich nog steeds in [land] . De man heeft een eenmanszaak die gevestigd is in [land] . Hij is als zzp-er werkzaam voor [naam1] -group, een onderneming die in Nederland en in [land] gevestigd is. De werkzaamheden van de man bestaan uit het aansturen van de productieleiding en de administratie ter plaatse in [plaats2] in [land] . De man huurt in verband daarmee een verblijf in [plaats2] . Het zwaartepunt van de werkzaamheden van de man ligt derhalve in [land] . Dat de man ook deel uitmaakt van het managementteam van [naam1] in Nederland maakt dit oordeel niet anders. Deze functie heeft hij al meerdere jaren en dat hij daarvoor veel in Nederland moet zijn is niet gebleken. De man heeft het verzoek om technisch directeur in Nederland te worden afgewezen, volgens hem in afwachting van de echtscheidingsprocedure. Om gezondheidsredenen wil de man zijn eenmanszaak verplaatsen naar Nederland en zijn dienstverband bij [naam1] beëindigen, aldus de man. Hij heeft dit echter nog niet gedaan. De man heeft zijn werkzame leven en economische belangen dus niet verplaatst naar Nederland. Naast dat de man in [land] belastingplichtig is, is hij ook in [land] verzekerd voor zijn pensioen en ziektekosten. De man heeft in [land] zijn huisarts, wordt in [land] behandeld in het ziekenhuis en ontvangt daar zijn medicijnen. Hij koopt zijn bril in [land] en doet daar zijn boodschappen. Hij rijdt in een auto met een [land] kenteken die in [land] verzekerd is. Ook het persoonlijke leven van de man speelt zich dus voor het grootste gedeelte in [land] af.

5.6.

Het hof komt tot de conclusie dat de man zijn professionele, vermogens- en privéleven in [land] heeft en dat hij het centrum van zijn belangen niet heeft verplaatst naar Nederland. Dat betekent dat de man zijn gewone verblijfplaats in [land] heeft en de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft en onbevoegd is van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen. Dat de man, zoals hij heeft gesteld, de intentie heeft zich volledig in Nederland te vestigen doet daaraan niet af omdat het bij de beoordeling van de bevoegdheid gaat om de situatie ten tijde van de indiening van het verzoek tot echtscheiding.

5.7.

Nu de Nederlandse rechter niet bevoegd is, komt het hof niet meer toe aan de beoordeling van de overige grieven.

5.8.

Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het in familiezaken gebruikelijke uitgangspunt om de kosten van de procedure te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en zal in overeenstemming daarmee beslissen.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 30 januari 2025 en opnieuw beslissend:

verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen;

bepaalt dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. M.A.F. Veenstra en mr. L. van Dijk, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 9 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1

HvJ EU 25 november 2021, ECLI:EU:C:2021:955 en HvJ EU 1 augustus 2022, ECLI:EU:C:2022:619.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733