Essentie (gemaakt door AI)
Klacht tegen notaris over schenkingsakte bij volmacht van erflaatster aan broer. Kern: onvoldoende onderzoek naar wilsbekwaamheid en ontbreken waarborgen voor vrije wilsvorming en Belehrung. Hof stelt vast dat erflaatster de akte vooraf niet heeft gezien, notaris haar inhoudelijk niet (afdoende) heeft gesproken, signalen van beïnvloeding en kwetsbaarheid heeft genegeerd en geen Stappenplan heeft toegepast. Klachtonderdelen gegrond. Zwaardere maatregel: schorsing uitoefening ambt drie maanden. Proceskostenveroordeling in hoger beroep uitgesproken.| Datum publicatie | 11-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.353.843/01 NOT |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Tuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid notaris; Erfrecht; Wilsonbekwaamheid erflater |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Klacht tegen notaris. Schenkingsakte. Beoordeling wilsbekwaamheid. Vrije wilsvorming. Belehrung. Had erflaatster de wil om te schenken? Onzorgvuldig handelen door de notaris. Klacht gegrond. Schorsing uitoefening ambt voor de duur van drie maanden.Volledige uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.353.843/01 NOT
nummer eerste aanleg : 753951 / NT 24-18
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 februari 2026
inzake
[appellante] ,
wonend te [plaats 1] ,
appellante,
gemachtigde: mr. A. de Groot, advocaat te Alkmaar,
tegen
mr. [geïntimeerde] ,
notaris te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. H.P. Hieltjes, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden hierna klaagster en de notaris genoemd.
1De zaak in het kort
De notaris heeft in 2022 bij volmacht een schenkingsakte verleden, waarbij de moeder van klaagster een bedrag van € 182.503,- aan de broer van klaagster heeft geschonken. De moeder van klaagster is in 2024 overleden. Klaagster verwijt de notaris onvoldoende zorgvuldig te hebben gehandeld bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflaatster en onvoldoende te hebben gewaarborgd dat erflaatster haar wil op onafhankelijke wijze – zonder beïnvloeding door derden – aan de notaris heeft kunnen overbrengen. In eerste aanleg is de klacht gegrond verklaard en is aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hof legt aan de notaris een zwaardere maatregel op (schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van drie maanden).
2Het geding in hoger beroep
Klaagster heeft op 24 april 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 27 maart 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (gepubliceerd onder ECLI:NL:TNORAMS:2025:3).
De notaris heeft op 30 juni 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2025. Klaagster, vergezeld van haar gemachtigde, en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
3Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Op 18 februari 2024 is te [plaats 2] ( [provincie] ) overleden [naam 1] (hierna: erflaatster). Zij heeft als erfgenamen achtergelaten haar beide kinderen, te weten klaagster en haar broer (hierna: de broer).
Op 11 mei 2021 is bij erflaatster de diagnose MCI, op de grens van dementie gesteld. Bij brief van 16 augustus 2021 heeft erflaatster een indicatiebesluit van het CIZ ontvangen, met het profiel ‘beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging’.
Op 10 maart 2022 is op verzoek van de broer een concept-memo opgesteld door twee belastingadviseurs (hierna: de belastingadviseurs). In dit concept-memo is een voorstel uitgewerkt waarbij door erflaatster aan de broer een bedrag van € 182.503,- wordt geschonken. In het concept-memo is vermeld dat het voorstel op 16 maart 2022 bij erflaatster thuis, samen met de broer, nader zal worden besproken. Volgens opgave van de belastingadviseurs is het concept-memo op 14 maart 2022 door erflaatster voor akkoord ondertekend
Op 17 maart 2022 is het memo definitief opgesteld en vervolgens toegezonden aan erflaatster. In het memo staat onderaan het volgende vermeld:
“Zoals eerder afgesproken zouden wij dit memo met het voorstel om in 2022 de schenking aan [hof: de broer] te doen nader met u bespreken op 16 maart 2022 bij u thuis samen met [hof: de broer], maar omdat [het hof begrijpt dat hier had moeten staan: ‘u’] en [hof: de broer] al met het concept d.d. 10 maart 2022 akkoord zijn was er geen noodzaak en/of behoefte meer om het memo te bespreken.
Per e-mail ontvingen wij van [hof: de broer] de scans van het door u op 14/3/2022 voor akkoord getekende memo. Op basis hiervan zullen wij de aangifte schenkbelasting 2022 voor [hof: de broer] verzorgen van uw schenking van € 182.502 aan [hof: de broer] per 1 april 2022.”
Bij e-mail van 5 juli 2022 heeft een (oud-)notaris van een ander notariskantoor aan de echtgenoot van klaagster geschreven: “Wij gaan eerst eens kijken hoe dit dossier zo gegaan is.
Er zijn nog geen akten gepasseerd en wij hebben een aantekening in het dossier gemaakt dat je schoonmoeder vermoedelijk wilsonbekwaam is. Maar dat is door niemand van ons tot nu toe geconstateerd.
[hof: naam kandidaat-notaris, werkzaam op het kantoor van de betreffende (oud-)notaris] is op de hoogte en zij constateert dat een medewerkster op verzoek van je zwager een ontwerp heeft gemaakt dat 1 juli jl. is verzonden. (…)”
Bij e-mail van 18 juli 2022 heeft de advocaat van klaagster, aan de broer geschreven: “(…) Reden waarom uw zuster verzocht heeft om mijn bijstand zijn de recentelijke ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot het welzijn van uw moeder. Zoals u bekend, is er aan de zijde van uw moeder sprake van een geriatrische aandoening, zijnde dementie. Uw moeder heeft daardoor last van wanen en kan de gevolgen van haar handelen niet goed overzien.
Dit strekt zich ook uit tot het kunnen nemen van vermogensrechtelijke beslissingen. Uw moeder heeft contact opgenomen met [hof: klaagster] aangezien zij declaraties ontving van [bedrijf] en de notaris voor werkzaamheden waarvan zij zich niet kan herinneren daarvoor opdracht te hebben gegeven. De indruk is ontstaan dat in opdracht van u, moeder is bewogen om de leningen die aan u in het verleden zijn verstrekt (die ook zichtbaar zijn in de aangifte erfbelasting van uw in begin 2021 overleden vader) kwijt te schelden.
Moeder is echter kwetsbaar en kan dergelijke beslissingen niet meer overzien en dat al geruime tijd niet meer. Dit is ook de reden dat ik namens uw zuster een verzoekschrift tot onderbewindstelling van de goederen die uw moeder toebehoren en zullen toebehoren heb ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar. Ik stuur u dit verzoekschrift als bijlage (*). (…)”
Op 2 augustus 2022 heeft de notaris de akte van schenking (hierna: de akte) verleden, waarbij een bedrag van € 182.503,- aan de broer is geschonken. De akte is bij volmacht gepasseerd, waarbij een dag eerder op het kantoor van de notaris in aanwezigheid van een medewerkster van de notaris de volmachten door erflaatster en de broer zijn ondertekend. Op deze dag (1 augustus 2022) is ook de concept-akte van schenking aan erflaatster per post toegestuurd.
Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 9 november 2022 zijn de goederen van erflaatster onder bewind gesteld, met benoeming van twee bewindvoerders.
Naar aanleiding van vragen van één van de bewindvoerders heeft de notaris bij e-mail van 17 april 2023 aan de betreffende bewindvoerder geschreven: “[Erflaatster] en haar zoon hebben op mijn kantoor volmachten getekend op 1 augustus vorig jaar.
De volmachten zijn getekend in het bijzijn van een van mijn medewerksters. Daarbij is de medewerkster niet gebleken van enig signaal dat wijst op mogelijke wilsonbekwaamheid.
Het stappenplan is niet gevolgd, omdat er geen aanleiding toe bestond.”
4De klacht
Klaagster verwijt de notaris – samengevat – a) onvoldoende zorgvuldig te hebben gehandeld bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflaatster en b) onvoldoende te hebben gewaarborgd dat erflaatster haar wil op onafhankelijke wijze – zonder beïnvloeding van derden – aan de notaris heeft kunnen overbrengen.
5Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen de notaris gegrond verklaard. De kamer heeft aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd.
Ook heeft de kamer de notaris veroordeeld tot betaling aan klaagster van € 50,- aan griffierecht, € 50,- aan kosten klaagster en € 1.050,- aan kosten rechtsbijstand, alsmede tot betaling van € 2.000,- voor de kosten van behandeling van de klacht door de kamer.
Anders dan de kamer zal het hof de klachtonderdelen a) en b) afzonderlijk beoordelen.
Klachtonderdeel a (onvoldoende onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflaatster).
Klaagster stelt dat er verschillende indicatoren aanwezig waren op grond waarvan de notaris het Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid (hierna: het Stappenplan) had moeten volgen. Erflaatster was op hoge leeftijd en tamelijk recent weduwe. Erflaatster was dementerend hetgeen de notaris persoonlijk en zelfstandig had kunnen vaststellen, als hij haar zelf had ontmoet en haar in de hoedanigheid van notaris had gesproken. De akte betrof een ingewikkelde materie. Sinds het memo van de belastingadviseurs waren vier maanden verstreken tot aan het passeren van de akte en het definitieve exemplaar is in het geheel niet door de notaris met erflaatster besproken. Uit het memo van de belastingadviseurs blijkt dat de schenking door de belastingadviseur(s) slechts één keer met erflaatster telefonisch is besproken (in het bijzijn van de broer, de begunstigde van de schenking). Erflaatster had geen enkel belang bij de akte; uitsluitend (de vastgoedmaatschappij van) de broer werd bevoordeeld met een fors bedrag. De akte is op verzoek en op initiatief van de broer opgesteld. Dit geldt ook voor (het laten tekenen van) de volmacht. De notaris heeft, aldus klaagster, erflaatster niet gezien of gesproken. Al deze omstandigheden hadden op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, reden moeten zijn voor de notaris om eerst een nader onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflaatster uit te voeren. De notaris heeft dit nagelaten.
In hoger beroep voert klaagster aan dat ook de door de broer ingeschakelde belastingadviseurs op geen enkele wijze hebben geverifieerd of a) het juist was (wat zij in het memo hebben opgenomen) dat erflaatster in het verleden ongelijke schenkingen heeft gedaan aan klaagster en haar broer en of erflaatster dat met deze schenking heeft willen rechttrekken en b) of de beweerdelijk geplaatste handtekening van erflaatster onder het concept-memo ook daadwerkelijk van erflaatster afkomstig was. Volgens klaagster is vast komen te staan dat de notaris bij de kamer diverse verklaringen heeft afgelegd die in strijd met de waarheid zijn. Aldus heeft hij geprobeerd te verhullen dat hij erflaatster in het geheel niet gesproken heeft. Er zijn geen gespreksaantekeningen voorhanden, geen opdrachtbevestiging, geen (telefoon) notities, geen reactie op een concept of een uitdraai van de kantooragenda of tijdschrijflijst. Dankzij en met behulp van de notaris heeft de broer van klaagster bewerkstelligd dat erflaatster bij de medewerkster van de notaris een volmacht heeft afgegeven op basis waarvan zij een bedrag van ruim €180.000,- heeft geschonken aan de broer terwijl – in dit geval – het benodigde onderzoek naar haar wilsbekwaamheid op geen enkele wijze is uitgevoerd. De door de kamer opgelegde maatregel van een waarschuwing is volgens klaagster niet alleen onvoldoende gemotiveerd maar ook in het geheel niet passend voor de ernst van de verweten gedragingen.
De notaris heeft in eerste aanleg naar voren gebracht dat indien een notaris, ook al heeft hij kennis van één of meerdere indicatoren, geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, hij het Stappenplan niet hoeft te volgen. Het feit dat het Stappenplan niet is gevolgd betekent niet dat er dus onvoldoende onderzoek is gedaan naar de wilsbekwaamheid. Op basis van het advies van de belastingadviseurs van erflaatster heeft de notaris een eenvoudige schenkingsakte opgesteld. Het concept daarvan heeft hij zowel naar erflaatster gestuurd als naar de broer. Op 1 augustus 2022 zijn erflaatster en de broer naar kantoor gekomen om de volmachten te ondertekenen. De notaris had daardoor de gelegenheid om erflaatster te spreken en met haar de akte door te nemen. Hoewel de notaris dit niet met absolute zekerheid meer weet, staat het de notaris bij dat hij erflaatster buiten de aanwezigheid van de broer heeft gezien. Hij weet in ieder geval zeker dat hij rechtstreeks met erflaatster heeft gesproken zonder inmenging van de broer. Erflaatster heeft helder en duidelijk kunnen uitleggen wat haar wens was en de notaris heeft niet getwijfeld aan de wilsbekwaamheid van erflaatster. Dit gold ook voor de medewerkster van de notaris in aanwezigheid van wie erflaatster en de broer de volmachten hebben ondertekend. De indicatie van beginnende dementie was de notaris niet bekend. Zelfs al zou dit wel bekend zijn geweest bij de notaris dan betekent dat volgens vaste rechtspraak nog niet dat de betrokken cliënt bij voortduring wilsonbekwaam is. De notaris erkent dat de vastlegging van zijn gesprek met erflaatster onvoldoende is geweest waardoor hij ook enige reserve heeft bij zijn weergave van het gesprek met erflaatster.
In hoger beroep brengt de notaris naar voren dat er geen sprake is geweest van liegen tegen de kamer. Hij heeft in alle openheid aangegeven dat dit zijn herinneringen waren en dat hij twijfelde over de precieze wijze waarop het contact destijds is gelopen. Tussen de notaris en de broer was geen sprake van een vriendschappelijke relatie zoals door klaagster is gesuggereerd. De verwijten van klaagster jegens de belastingadviseurs van de broer zien niet op het handelen van de notaris. De notaris is overtuigd van de juistheid van zijn herinnering dat hij erflaatster – weliswaar onvoldoende – persoonlijk heeft gesproken. De notaris heeft lering getrokken uit de klacht en hij zal in elk dossier, nog meer dan voorheen, aandacht geven aan de wilsbekwaamheid van zijn cliënten.
De kamer heeft geoordeeld dat de door klaagster aangevoerde feiten en omstandigheden en de ter zitting gegeven verklaringen van de notaris tot de conclusie hebben geleid dat de notaris onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de wilsbekwaamheid van erflaatster. Bij deze beoordeling heeft de kamer de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:
- niet erflaatster zelf maar de broer heeft de notaris benaderd met het verzoek om de schenkingsakte op te maken;
- de in het memo vermelde schenkingshistorie (de -vermeende- eerdere schenkingen aan klaagster) heeft de notaris niet zelf onderzocht of geverifieerd;
- het concept-memo is door de notaris niet met erflaatster in persoon besproken;
- de broer werd in ruime mate bevoordeeld door de akte;
- de notaris heeft de akte opgesteld aan de hand van instructies van de adviseurs;
- de notaris heeft de conceptakte pas op 1 augustus 2022 – de dag dat de volmachten werden getekend – aan erflaatster en de broer gestuurd;
- de volmacht is slechts in aanwezigheid van een medewerkster van de notaris door erflaatster getekend;
- op verzoek van de broer is de akte bij volmacht gepasseerd;
- de notaris heeft geen gespreksaantekeningen gemaakt van zijn gesprek met erflaatster;
- de notaris heeft verklaard dat hij zich niet meer concreet kan herinneren hoe het gesprek met erflaatster voorafgaand aan het tekenen van de volmacht was verlopen behalve dat zij haar paspoort was vergeten en dat de broer dit is gaan ophalen. In de tussentijd zou de notaris de gelegenheid hebben gehad om haar onder vier ogen te spreken.
Omdat de notaris ter zitting van de kamer niet heeft kunnen verklaren waarom hij in zijn onder 3.9. genoemde bericht aan de bewindvoerder niet heeft gemeld dat hij erflaatster ook zelf had gesproken heeft de kamer het aannemelijk geacht dat de notaris erflaatster niet voldoende uitgebreid heeft gesproken. Daarbij speelt mee dat de notaris zijn verklaringen in het verweerschrift in eerste aanleg “Hiervoor zou, dat was voor erflaatster van belang, geen betaling van erflaatster nodig zijn”, alsmede: “Deze verhuizing was voor erflaatster overigens ook een reden om daarvoor de beoogde schenking te doen, omdat daarmee haar vermogen verkleind werd en een lagere bijdrage verschuldigd zou zijn” ter zitting bij de kamer weer heeft ingetrokken. De notaris heeft aldaar verklaard dat erflaatster dit (toch) niet tegen hem heeft gezegd.
Met de kamer is het hof van oordeel dat de notaris onvoldoende zorgvuldig is geweest bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflaatster. Het hof kwalificeert de handelwijze van de notaris als zeer onzorgvuldig en baseert dat, naast de door de kamer vastgestelde en in hoger beroep niet ter discussie staande feiten en omstandigheden, ook op het navolgende. Op de zitting in hoger beroep is vast komen te staan dat in de door erflaatster ondertekende volmacht niet de tekst van de schenkingsakte stond opgenomen. Dit betekent dat erflaatster onder de door de kamer onder 5.5. genoemde omstandigheden in feite via de volmacht een schenkingsakte heeft ondertekend die zij voordien zelfs nooit heeft kunnen zien. Op 1 augustus 2022, de dag waarop erflaatster de volmacht heeft ondertekend, had erflaatster immers de schenkingsakte nog niet gezien of zelfs kunnen zien; de schenkingsakte waar de volmacht op zag is pas op diezelfde dag per post naar haar verstuurd. De notaris wist dit of had dit moeten weten. Desgevraagd ter zitting in hoger beroep heeft de notaris bevestigd dat het oordeel van de kamer dat “niet is komen vast te staan dat de notaris erflaatster zelf heeft gesproken over de inhoud van de akte, laat staan op welke wijze dit is gebeurd” als juist moet worden aangemerkt. De notaris heeft onvoldoende kunnen onderbouwen dat hij erflaatster zelf heeft gesproken over de inhoud van de akte en voor zover hij dit wel zou hebben gedaan waarom hij, gegeven de onder rov. 5.5. genoemde omstandigheden, geen nader onderzoek behoefde in te stellen naar haar wilsbekwaamheid. De (enkele) verklaring van de notaris dat hij (en zijn medewerkster) niet heeft getwijfeld aan de wilsbekwaamheid van erflaatster is in dit geval onvoldoende. Klachtonderdeel a is gegrond.
Klachtonderdeel b (vrije wilsvorming).
Volgens klaagster heeft erflaatster onder invloed van de broer (de volmacht voor) de schenkingsakte ondertekend. Het verzoek aan de notaris tot dienstverlening kwam van de broer, de enige die ook belang had bij de akte. Onder de gegeven omstandigheden had de notaris extra alert moeten zijn op een mogelijke beïnvloeding van erflaatster door de broer. Niet is gebleken dat de notaris op enigerlei wijze heeft getoetst in hoeverre de wil van erflaatster werd beïnvloed door (de aanwezigheid van) de broer.
Volgens vaste rechtspraak is het de verantwoordelijkheid van de notaris om te waken voor de vrije en onafhankelijke wilsvorming van zijn cliënt(e). De notaris dient dan ook al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat zijn cliënt(e) bij het vormen en uiten van zijn/haar wil niet op ongewenste wijze wordt beïnvloed. Desgevraagd is ter zitting in hoger beroep door de notaris verklaard dat hij in dit geval op geen enkele wijze uitvoering heeft gegeven aan deze verplichting. De gegrondheid van klachtonderdeel b staat daarmee vast.
Maatregel
Het hof is van oordeel dat de notaris met zijn handelwijze zijn kerntaken als notaris ernstig heeft veronachtzaamd. Notariële kernwaarden als ‘onafhankelijkheid’, ‘onpartijdigheid’ en ‘zorgvuldigheid’ zijn door de notaris op grove wijze geschonden. Bij de totstandkoming van de volmacht en de schenkingsakte heeft de notaris niet en al helemaal niet met de onder de gegeven omstandigheden vereiste mate van zorgvuldigheid onderzocht of erflaatster wilsbekwaam was, noch of zij haar wil vrij kon vormen en uiten. Daarnaast heeft de notaris niet aan zijn informatie- en Belehrungsp(f)licht voldaan. De notaris heeft op geen enkele wijze oog gehad voor de kwetsbare positie van erflaatster. Door enkel en alleen af te gaan op de informatie van de belastingadviseurs (van de broer) en de daaropvolgende instructies van de broer, nota bene een direct belanghebbende bij de betreffende akte, heeft hij zich niet zoals vereist kritisch en onderzoekend opgesteld ten opzichte van diensten die van hem werden verlangd. De notaris heeft in hoger beroep weliswaar erkend dat zijn handelwijze niet erg zorgvuldig is geweest, maar hij heeft ook toen nog steeds onvoldoende inzicht getoond in de ernst van zijn gedragingen. Het hof rekent hem dit alles zwaar aan. Dat geldt ook voor het feit dat vast is komen te staan dat hij in eerste aanleg in een tegen hem aangespannen tuchtrechtelijke procedure onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Dat hij – zoals door hem ter zitting in hoger beroep is verklaard – niet de bedoeling heeft gehad om de kamer voor te liegen maakt dit niet anders. Gelet op de ernst van de aan de notaris gemaakte verwijten en in het belang van het maatschappelijk vertrouwen in een integere en zorgvuldige uitoefening van het ambt van notaris is het hof van oordeel dat een zware maatregel op zijn plaats is en dat beslist niet kan worden volstaan met de door de kamer opgelegde maatregel van waarschuwing. Het hof ziet in de ernst van de gebleken gedragingen aanleiding om aan de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van drie maanden op te leggen.
Ingevolge artikel 105 van de Wet op het notarisambt is het aan de kamer om te bepalen op welke datum de aan de notaris opgelegde maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van drie maanden van kracht wordt en dit bij aangetekende brief aan de notaris mee te delen. Voor een overzicht van de werkzaamheden die de notaris wel en niet mag verrichten gedurende zijn schorsing verwijst het hof naar overweging 6.15 van zijn beslissing van 14 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:137).
Kostenveroordeling in hoger beroep
Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513) in werking getreden. Het hof hanteert bij de toepassing van de richtlijn de ‘Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof).
Omdat het hof de klacht gegrond verklaart, dient de notaris het door klaagster betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50,- aan haar te vergoeden.
Nu het hoger beroep van klaagster leidt tot oplegging van een zwaardere maatregel, ziet het hof – overeenkomstig de uitgangspunten – aanleiding om de notaris, naast de door de kamer uitgesproken (proces)kostenveroordeling, te veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep waarbij wegingsfactor 1 wordt gehanteerd op de twee laatstgenoemde posten:
a. a) € 50,- kosten van klaagster;
b) € 1.050,- kosten van klaagster in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
c) € 2.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.
De notaris dient het griffierecht in hoger beroep en de kosten van klaagster in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klaagster te voldoen. Klaagster dient hiervoor een rekeningnummer op te geven aan de notaris.
De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR). De termijn waarbinnen en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan, worden door het LDCR schriftelijk aan de notaris meegedeeld.
Conclusie
Nu het hof met betrekking tot de maatregel tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer in zoverre niet in stand blijven en zal de beslissing op dat punt worden vernietigd. Voor het overige zal de beslissing van de kamer met verbetering van de motivering worden bevestigd, inclusief de door de kamer opgelegde (proces)kostenveroordeling.
6Beslissing
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing wat betreft de opgelegde maatregel;
en, in zoverre opnieuw beslissende:
- legt aan de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van drie maanden op;
- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige, onder verbetering van de motivering;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klaagster van haar kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50,- aan griffierecht, € 50,- aan kosten klaagster en € 1.050,- aan kosten rechtsbijstand, in totaal € 1.150,-, binnen vier weken na vandaag;
- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000,- aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris wordt meegedeeld.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, O.J. van Leeuwen en J.A.H. Bruggemann en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door de rolraadsheer.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
