Essentie (gemaakt door AI)
Hof bekrachtigt afwijzing van het verzoek van de bewindvoerder om aanvullende uren op grond van artikel 3 lid 6 Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, waarin onderzoek naar cryptovaluta speelt. Zonder concrete, gespecificeerde onderbouwing is niet vast te stellen dat sprake is van incidentele extra werkzaamheden buiten de forfaitaire beloning. Ook het aanvullende verzoek om uren voor de beroepsprocedure als uitzonderlijke omstandigheden aan te merken wordt afgewezen, nu proceshandelingen daar niet onder vallen.| Datum publicatie | 12-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.863/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Meerderjarigenbescherming; Bewind |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 3 lid 6 Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter waarin het verzoek van de bewindvoerder om aanvullende uren in verband met uitzonderlijke werkzaamheden (onderzoek naar cryptovaluta) gedeeltelijk is afgewezen. Zonder concrete en gespecificeerde onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat sprake is ven incidentele extra werkzaamheden die een aanvullende vergoeding rechtvaardigen. Het aanvullende verzoek in hoger beroep om ook de aan de beroepsprocedure bestede uren aan te merken als uitzonderlijke omstandigheden wordt eveneens afgewezen. Proceshandelingen vallen niet onder de incidentele extra werkzaamheden als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Regeling en hangen bovendien niet rechtstreeks samen met de feitelijke werkzaamheden rond de cryptovaluta.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.356.863/01
zaaknummer rechtbank : NL:TZ:0000317882:B001
beschikking van de meervoudige kamer van 10 februari 2026
inzake
[de bewindvoerder] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: [de bewindvoerder] ,
advocaat mr. E. Kattestaart, te Rotterdam,
tegen
[de betrokkene] ,
verweerder in hoger beroep,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de betrokkene.
Als belanghebbende in deze zaak is aangemerkt:
[de broer] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de broer.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
[de bewindvoerder] is op 15 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.
Bij het hof is voorts een journaalbericht van de zijde van [de bewindvoerder] van 15 juli
2025 met bijlagen ingekomen op 14 augustus 2025.
De mondelinge behandeling heeft op 7 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen is
[de bewindvoerder] , vertegenwoordigd door de [vertegenwoordiger van de bewindvoerder] en bijgestaan door mr. E. Kattestaart. De betrokkene en zijn broer zijn door het hof behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in
hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
De betrokkene is geboren op [geboortedatum] te [plaats] , Suriname.
Bij beschikking van 11 januari 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam
zijn alle goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden voor de duur van vijf jaar met een evaluatie van de maatregel na drie jaar en [de bewindvoerder] is tot bewindvoerder benoemd.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank drie extra uren toegekend conform artikel 3 lid 6 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en het meer of anders gevraagde afgewezen.
[de bewindvoerder] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog aan het (het hof leest: in eerste aanleg gedane) verzoek tegemoet te komen in die zin;
- dat voor recht wordt verklaard dat alle werkzaamheden terzake de uitzonderlijke omstandigheden omtrent het achterhalen van crypto en/of het verrichten van het beroep met de daarbij komende werkzaamheden uitzonderlijke omstandigheden betreffen in de zin van artikel 3 lid 6 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren; en/of
- dat het machtigingsverzoek van [de bewindvoerder] alsnog wordt toegewezen in die zin dat de uren die voor de uitzonderlijke werkzaamheden met betrekking tot crypto (waaronder tevens verstaan het telefonisch contact en de uren gemoeid met de onderhavige procedure) in rekening mogen worden gebracht bij de betrokkene en gespecificeerd mogen worden in de rekening en verantwoording, dan wel dat er 10 uren in rekening mogen worden gebracht, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen aanvullende beloning in rekening mag worden gebracht;
een en ander voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.
De grieven van [de bewindvoerder] zien op de afwijzing van het verzoek tot toekenning
van aanvullende uren in verband met uitzonderlijke werkzaamheden omtrent het achterhalen, omzetten en afwikkelen van cryptovaluta. Daarnaast ziet het verzoek op het machtigingsverzoek om deze uren bij de betrokkene in rekening te brengen. [de bewindvoerder] heeft hiertoe – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De betrokkene heeft [de bewindvoerder] na het instellen van het bewind benaderd omdat hij crypto zou bezitten en dit voldoende waarde zou hebben om zijn schulden af te lossen. Crypto betreft een vermogensrecht zodat het de taak van de bewindvoerder is om het mogelijke bezit daarvan nader uit te zoeken. [de bewindvoerder] is het eens met de beslissing van de kantonrechter dat dit uitzonderlijke werkzaamheden/omstandigheden betreffen. Zij kan zich niet vinden in de beperking van het aantal toegekende uren. De kantonrechter heeft miskend dat het contact met de betrokkene van in totaal 3 uur ook uitzonderlijke omstandigheden betreffen die een andere/aanvullende beloning van de bijkomende werkzaamheden rechtvaardigen. Dit betreffen incidentele werkzaamheden die niet passen binnen de verschillende voor professionele vertegenwoordigers onderscheiden categorieën werkzaamheden. [de bewindvoerder] merkt ten slotte op dat het verzoek tot toekenning van extra uren op grond van artikel 3 lid 6 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren dient te worden aangepast naar 10 uur. De grondslag hiervoor is dat [de bewindvoerder] door het voeren van de onderhavige beroepsprocedure meer werkzaamheden heeft verricht.
Het hof zal de grieven in het hoger beroep bespreken.
5De motivering van de beslissing
Het juridisch kader
Op grond van artikel 3, eerste lid, jo. zesde lid van de Regeling beloning curatoren,
bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling) kan de kantonrechter in afwijking van het eerste lid van dit artikel wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van de bewindvoerder op andere wijze vaststellen. In de toelichting op de Regeling is aangegeven dat wat onder uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan, niet in een limitatieve opsomming in de Regeling kan worden vastgesteld en dat niet te snel mag worden overgegaan tot afwijking van de Regeling.
Oordeel van het hof
Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting oordeelt het hof als volgt. De
door de rechter in eerste aanleg toegewezen drie extra uren door uitzonderlijke omstandigheden hebben betrekking op contactmomenten met betrokkene over de cryptovaluta. [de bewindvoerder] stelt dat zij in verband met het achterhalen, omzetten en afwikkelen van cryptovaluta voor de betrokkene meer dan drie uren uitzonderlijke werkzaamheden heeft verricht en dat alle daarmee samenhangende uren, en dus ook de door de rechter afgewezen 3 uren van telefonisch contact met betrokkene en de uren die besteed zijn aan de onderhavige procedure in hoger beroep, voor vergoeding in aanmerking moeten komen op grond van artikel 3 lid 6 van de Regeling. Ter onderbouwing heeft zij een (summiere) urenopgave overgelegd gelijk aan de urenopgaaf bij de kantonrechter. Het hof is van oordeel dat [de bewindvoerder] daarmee niet, althans onvoldoende, heeft aangetoond dat de in hoger beroep verzochte aanvullende uren kwalificeren als uitzonderlijke werkzaamheden in de zin van artikel 3 lid 6 van de Regeling. Daarbij weegt het hof mee dat bij beschikking van 11 januari 2024 aan [de bewindvoerder] een forfaitaire beloning voor aanvangswerkzaamheden en de jaarlijkse beloning volgens het hoge tarief in verband met problematische schulden is toegekend. Dat hogere forfaitaire bedrag is mede bedoeld om de extra werkzaamheden die samenhangen met de problematische schulden in beginsel te dekken. Indien daarbovenop incidentele, uitzonderlijke werkzaamheden worden verricht die niet binnen deze forfaitaire vergoeding passen, rust op de bewindvoerder de plicht om het soort werkzaamheden inzichtelijk te maken en concreet te onderbouwen. Van de reeds in eerste aanleg overgelegde urenopgave zijn drie uren toegewezen. De kantonrechter heeft een deel van de werkzaamheden, te weten het contact met de betrokkene (dat de toegekende drie uur te boven gaat) als niet uitzonderlijk beschouwd en dit gedeelte van het verzoek afgewezen. [de bewindvoerder] heeft in hoger beroep wederom hetzelfde staatje van verrichtte werkzaamheden overgelegd en hiermee niet inzichtelijk gemaakt dat het niet toegekende deel van het verzoek ziet op werkzaamheden die het forfaitair toegekende bedrag te boven gaan. [de bewindvoerder] heeft ondanks gerichte vragen van het hof, geen nadere specificatie, datum en duur van de werkzaamheden kunnen geven. Zij heeft evenmin met een specificatie of anderszins aannemelijk gemaakt dat deze werkzaamheden niet (al dan niet gedeeltelijk) binnen het forfaitaire tarief vallen. Daarbij komt dat de (telefonische) contacten met de betrokkene in beginsel behoren tot de reguliere taakuitoefening van de bewindvoerder en dan ook in beginsel geacht al dan niet gedeeltelijk te zijn verdisconteerd in de forfaitaire jaarbeloning. Hetzelfde geldt voor de overige door [de bewindvoerder] genoemde werkzaamheden rond de cryptovaluta. Zonder concrete en gespecificeerde onderbouwing kan immers niet worden vastgesteld dat sprake is van incidentele extra werkzaamheden die een aanvullende vergoeding rechtvaardigen.
Het in hoger beroep aanvullende verzoek van [de bewindvoerder] om ook de aan deze
beroepsprocedure bestede uren aan te merken als uitzonderlijke omstandigheden, wordt eveneens afgewezen. Proceshandelingen vallen niet onder de incidentele extra werkzaamheden als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Regeling. Deze uren hangen bovendien niet rechtstreeks samen met de feitelijke werkzaamheden rond de cryptovaluta. De door [de bewindvoerder] toegelichte proceskosten staan daarom niet in redelijke verhouding tot de daadwerkelijk verrichte cryptowerkzaamheden.
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om meer of extra uren toe
te kennen dan reeds door de kantonrechter zijn toegewezen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst het meer of anders in het hoger beroep verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Koper, H.J.M. Smid-Verhage en D.E. Valle Robles-Roomer, bijgestaan door griffier mr. S. Şener en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
