Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep inzake kinderalimentatie waarin het beroepschrift van vader geen gronden bevat en een onduidelijk petitum heeft; ondanks herhaalde herstelverzoeken blijft dit gebrek bestaan. Het hof verklaart vader niet-ontvankelijk. Onder verwijzing naar HR 18-02-1994 ([[ECLI:NL:HR:1994:ZC1274]]) wordt ook moeder niet-ontvankelijk in incidenteel appel wegens nietigheid van het principale processtuk. Vader wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.| Datum publicatie | 12-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.012/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Familieprocesrecht; Ontvankelijkheid; Hoger beroep |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk vanwege ontbreken grieven in beroepschrift.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.356.012/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-1736
zaaknummer rechtbank : C/09/662724
beschikking van de meervoudige kamer van 4 maart 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R. van Noord te Ridderkerk,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. H.J. Roetman te Gouda.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[jong meerderjarige] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [jong meerderjarige] .
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
De man is op 17 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Bij mailbericht van 17 juni 2025 heeft het hof de advocaat van de man bericht dat de bestreden beschikking niet was bijgevoegd bij het beroepschrift. De advocaat van de man heeft vervolgens op 20 juni 2025 de bestreden beschikking aan het hof toegezonden.
Bij mailbericht van 24 juni 2025 heeft het hof de advocaat van de man bericht dat in het beroepschrift wordt gesteld dat de bestreden beschikking door de Rechtbank Rotterdam is gewezen, terwijl de bestreden beschikking door de rechtbank Den Haag is gewezen, en het beroepschrift is gedateerd op 17 maart 2025. Het hof heeft de man de gelegenheid gegeven om dit verzuim te herstellen tot en met 31 juli 2025.
Bij uitstelverzoek van 8 augustus 2025 heeft de advocaat van de man uitstel gevraagd voor de indiening van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en een ‘kleine wijziging beroepschrift’. Dit uitstelverzoek is toegewezen.
Op 4 september 2025 heeft het hof de fysieke exemplaren van het beroepschrift inclusief producties ontvangen. De advocaat heeft naar aanleiding van de mail van het hof van 24 juni 2025 op het hoger beroepschrift aangepast en opgenomen dat het beroepschrift zich richt tegen de bestreden beschikking gewezen door de rechtbank Den Haag (in plaats van Rotterdam) maar heeft nagelaten de datering van het beroepschrift aan te passen, zodat het beroepschrift nog immer is gedateerd op 17 maart 2025. Bij mailbericht van 17 september 2025 heeft het hof de advocaat van de man (onder meer) opnieuw verzocht de nog steeds (mogelijk) onjuiste datering van het beroepschrift aan te passen. Bij mailbericht van 19 september 2025 om 09.31u heeft het hof de advocaat van de man ‘in aanvulling op ons telefoongesprek zojuist’ verzocht tezamen met het aangepaste beroepschrift ook per mail een onbeschreven versie van het verzoekschrift in eerste aanleg te overleggen. Bij mailbericht van 19 september 2025 om 13.26 heeft het hof de advocaat van de man bericht dat telefonisch was besproken dat het aangepaste beroepschrift meteen zou worden toegestuurd, maar dat het aangepaste beroepschrift en de onbeschreven versie van het verzoekschrift nog niet door het hof zijn ontvangen. De advocaat van de man wordt verzocht deze ‘vandaag nog’ aan het hof te sturen.
Bij brief van 23 september 2025 heeft het hof de advocaat van de man een termijn tot 6 oktober 2025 gegeven om voornoemde stukken aan het hof te overleggen.
De vrouw heeft op 26 november 2025 een verweerschrift tevens incidenteel appel ingediend.
De man heeft op 18 januari 2026 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 31 juli 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 januari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 21 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
De advocaat van de vrouw heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de indiening van het journaalbericht met bijlagen van de zijde van de man van 20 januari 2026. De advocaat van de vrouw is van mening dat de financiële stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat zij buiten de tiendagentermijn zijn ingediend. De procedure tussen partijen loopt al geruime tijd en ook in eerste aanleg was heeft de man nagelaten om financiële stukken te overleggen.
De advocaat van de man heeft gesteld dat, ondanks de late indiening ervan, de stukken van eenvoudige aard zijn en bovendien bekend zijn bij de wederpartij. Daarnaast was de periode tussen de verweertermijn voor het verweerschrift op het incidenteel appel en de mondelinge behandeling zeer kort.
Tijdens de zitting heeft het hof beslist dat voornoemd journaalbericht met bijlagen van 20 januari 2026buiten beschouwing zal worden gelaten, omdat deze stukken niet van recente datum zijn en dan ook zonder noodzaak één dag voor de mondelinge behandeling zijn ingediend. Daarbij heeft het hof overwogen dat er door de man in het beroepschrift geen standpunten, dan wel onvoldoende gemotiveerd standpunten zijn ingenomen ten aanzien van de financiële situatie van de man en de stukken daarom geen specificering van een standpunt zijn.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 2004 tot 22 december 2021.
Partijen zijn de ouders van de thans nog minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] );
en de thans jong meerderjarige:
- [jong meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (hierna: [jong meerderjarige] ),
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
[minderjarige] woont bij de moeder.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 december 2021 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen ouders uitgesproken en het door hen overeengekomen ouderschapsplan aangehecht.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is – met wijziging in zoverre van de onderlinge regeling die is vastgelegd bij de beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 december 2021 –;
- bepaald dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
- bepaald dat de vader aan de moeder over de periode van 1 mei 2023 tot en met december 2023 een maandelijkse bijdrage voor [jong meerderjarige] dient te voldoen van € 367,- per maand;
- bepaald dat de vader aan de moeder over de periode van 1 januari 2024 tot en met 9 juli 2024 een bijdrage voor [jong meerderjarige] dient te voldoen van € 378,- per maand;
- bepaald dat de vader aan de moeder vanaf 1 maart 2024 een bijdrage voor [minderjarige] dient te voldoen van € 378,- per maand en vanaf 1 januari 2025 van € 402,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
De beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de bijdrage voor [minderjarige] vanaf 1 januari 2025, zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, en te bepalen dat moet worden uitgegaan van het nader op te geven inkomen.
De vrouw verzoekt het hof in principaal appel het beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.
In incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de vader aan de moeder de onterecht ontvangen kinderbijslag over kwartaal 4 van 2023 voor [jong meerderjarige] en kwartaal 2 van 2024 voor [minderjarige] à € 773,12 aan de moeder dient te voldoen en te bepalen dat de vader is gehouden de daadwerkelijke proceskosten van de vrouw in hoger beroep te vergoeden à € 4.386,60 dan wel een ander bedrag aan proceskostenveroordeling vast te stellen dat het hof juist voorkomt, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
5De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid principaal appel
Het hof stelt voorop dat een beroepschrift ingevolge artikel 359 juncto artikel 278 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een duidelijke omschrijving dient te vermelden van het verzoek (in hoger beroep) en de gronden waarop dit verzoek berust. Vereist is daarom dat blijkt (niet alleen dát de verzoeker de door hem/haar bestreden beslissing onjuist acht, maar ook) op welke gronden de verzoeker oordeelt dat de door hem/haar bestreden beslissing onjuist is. Dit houdt in dat het verzoek met redenen, in hoger beroep veelal aangeduid als grieven, moet zijn omkleed. Alleen in dat geval kan de wederpartij zich daartegen verweren en kan de rechter de grieven beoordelen. Het ontbreken van gronden (grieven) leidt tot (ambtshalve) niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin desnoods beroep kan worden ingesteld zonder dat de grieven in het beroepschrift worden voorgesteld, maar de grieven eerst in een later stadium worden aangevoerd. Om proceseconomische redenen zal het hof eerst de ontvankelijkheid van de man, dat door de advocaat van de vrouw in incidenteel appel ter discussie is gesteld, bespreken.
De advocaat van de vrouw stelt dat het beroepschrift van de man niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De advocaat van de vrouw heeft in het beroepschrift gronden moeten achterhalen. Daarbij komt dat de advocaat in zijn inleidende beroepschrift heeft aangegeven dat de gronden nader zullen worden aangevuld, maar dat is niet gedaan. De onduidelijkheid van het beroepschrift belemmert de advocaat van de vrouw in haar werkzaamheden.
De advocaat van de man stelt dat in het beroepschrift duidelijk wordt gemaakt tegen welke aspecten van de bestreden beschikking de man in hoger beroep is gekomen. De gronden van het hoger beroep zijn volgens de advocaat van de man gelegen in het feit dat hij zich niet kan vinden in de alimentatieberekening. Er zijn ten onrechte argumenten over een mindering van de kinderalimentatie niet door de rechtbank overgenomen.
Het hof overweegt dat het beroepschrift niet voldoet aan de door de wet gestelde eisen. Het hof deelt het oordeel van de advocaat van de vrouw dat het niet is duidelijk waar zij zich tegen dient te verweren. Naast het feit dat de gronden in het beroepschrift ontbreken, is ook het petitum onvoldoende duidelijk, zodat het (voor de advocaat van de vrouw en) ook het hof niet duidelijk is waartegen het beroep van de man zich richt. Daarnaast overweegt het hof dat de advocaat van de man, ondanks herhaaldelijke verzoeken van het hof, heeft verzuimd een beroepschrift en procesdossier in te dienen conform de eisen van de wet en het procesreglement verzoekschriftprocedures Familiezaken Gerechtshoven. Gelet op de onder 2 weergegeven gang van zaken is het hof van oordeel dat aan de advocaat van de man voldoende gelegenheid is geboden om die verzuimen te herstellen. Dit heeft hij evenmin gedaan. Het hof merkt hierbij voorts op dat weliswaar de aard van het geschil volgens vaste rechtspraak meebrengt dat de rechter in hoger beroep, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, in beginsel acht dient te slaan op grieven die na het verzoekschrift (respectievelijk het verweerschrift) in hoger beroep worden aangevoerd. De advocaat van de man heeft echter volledig nagelaten de gronden van het hoger beroep tijdig aan te vullen, terwijl hij zelf in zijn beroepschrift aangeeft dit te zullen doen.
Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het beroepschrift niet voldoet aan de in de hiervoor gestelde eisen en dat de man daarom niet in zijn verzoek in hoger beroep kan worden ontvangen.
Ontvankelijkheid incidenteel appel
Nu het hof van oordeel is dat het principaal appel van de man niet-ontvankelijk is dient het hof vervolgens te beoordelen of het incidenteel appel van de vrouw ontvankelijk is. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1274, NJ 1994,606 (Zoontjens/Kijlstra) de regel aanvaard dat de omstandigheid dat het principale hoger beroep geen effect kan sorteren – behoudens in het geval dit het gevolg is van nietigheid van het processtuk dat het beroep inleidt of overschrijding van de beroepstermijn – niet in de weg staat aan ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep. Deze regel is aanvaard met het oog op het gerechtvaardigd belang van de verweerder en gelet op de hanteerbaarheid van het systeem. Omdat in de onderhavige zaak sprake is van één van de door de Hoge Raad in bovenstaande uitspraak genoemde uitzonderingen (de nietigheid van het processtuk) dient ook de vrouw in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarbij merkt het hof op dat het op de weg van de advocaat van de vrouw had gelegen, toen zij navraag deed over de eventuele ontvankelijkheid van het beroepschrift, om zelf zo spoedig mogelijk hoger beroep tegen de bestreden beschikking in te stellen. De hoger beroepstermijn liep immers ook voor de vrouw vanaf de datum van de bestreden beschikking. Dat de advocaat van de vrouw dit heeft nagelaten, dient voor rekening en risico te komen van de vrouw.
Proceskostenveroordeling
De vrouw heeft het hof verzocht om de man te veroordelen in de kosten van de procedure. Nu het beroepschrift van de advocaat van de man ondeugdelijk is, waarbij hij heeft verzuimd concrete grieven aan te voeren en, net als in eerste aanleg, geen financiële stukken in het geding heeft gebracht stelt de vrouw dat de man misbruik maakt van het procesrecht. De man verweert zich hiertegen en stelt dat hij het recht heeft op een beoordeling van de zaak in twee feitelijke instanties.
Het hof ziet aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, zoals door de vrouw verzocht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man, vanwege de gebreken in het beroepschrift die door de advocaat van de man tijdig opgelost hadden kunnen worden, niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. De vrouw is echter wel op hoge kosten gejaagd waarbij de advocaat van de vrouw een omvangrijk verweerschrift heeft moeten indienen, nu grieven in het beroepschrift ontbraken en zij zich, ongewis van hetgeen zou worden aangevoerd door de tegenpartij, tegen zoveel mogelijk in te nemen standpunten heeft verweerd. De kosten van het hoger beroep worden aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 4.386,6, zijnde het griffierecht van € 362,- en de advocaatkosten begroot op € 4.024,60. Het hof wijst deze proceskostenveroordeling toe. Het hof zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
7De beslissing
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn principaal hoger beroep;
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar incidenteel hoger beroep;
veroordeelt de man in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de vrouw begroot op de advocaatkosten van € 4.024,60 en griffierecht van € 362,-, aldus in totaal € 4.386,60;
verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Koper, H.J.M. Smid-Verhage en K.T.J.M. Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. M.J. Meeusen als griffier en is op 4 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
