Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep inzake verdeling huwelijksgemeenschap waarin de vrouw tijdens het huwelijk de Turkse woning aan haar moeder overdraagt en deze later aan derden is verkocht. art. 3:194 lid 2 BW vindt geen toepassing omdat de gemeenschap toen nog niet ontbonden is. Het hof kwalificeert de overdracht als benadeling/verspilling in de zin van art. 1:164 BW en veroordeelt de vrouw tot vergoeding van € 75.946 aan de gemeenschap; taxatiekosten bij helfte. Verzoeken over gouden sieraden en contant geld worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vrouw wordt V| Datum publicatie | 12-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.355.708/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Benadeling gemeenschap (1:164 BW); Opzettelijk verzwijgen 3:194 BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De vrouw is in de proceskosten veroordeeld omdat zij onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld aangezien zij tijdens het huwelijk de woning te Turkije heeft verkocht. Zij heeft de woning aan haar moeder verkocht. Het hof is van oordeel dat er sprake is van verspilling in de zin van art. 1:164 BW. De man kon in hoger beroep zijn verzoek vermeerderen, dit was niet in strijd met de twee conclusie regel of in strijd met een goede procesorde.Volledige uitspraak
Team Familie
Zaaknummer : 200.355.708/01
Rekestnummers rechtbank : FA RK 23-5392 en FA RK 25-722
Zaaknummers rechtbank : C/10/662724 en C/10/693519
beschikking van de meervoudige kamer van 25 februari 2026
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principale hoger beroep,
verweerder in het incidentele hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. T. Erdal te Rotterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principale hoger beroep,
verzoeker in het incidentele hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna ook: de rechtbank) van 17 maart 2025, uitgesproken onder voormelde zaak- en rekestnummers (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
De man is op 13 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 8 augustus 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 19 september 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man:
- een journaalbericht van 2 juli 2025, met bijlage, ingekomen op 7 juli 2025;
- een journaalbericht van 16 oktober 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
van de zijde van de vrouw:
- een journaalbericht van 18 november 2025, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 19 december 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat.
De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1] .
In hoger beroep is vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking, zijnde de bestreden beschikking, op 23 april 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voort heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding:
- de wijze van verdeling gelast zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.4.4 tot en met 3.4.17;
- bepaald dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van de maandelijkse aflossingen van de leaseovereenkomst ten behoeve van de Mercedes per peildatum tot aan datum feitelijke teruggave, alsmede voor de helft van de beëindigingskosten en bepaald dat, voor zover de man meer dan zijn helft van deze maandelijkse en beëindigingskosten aan de leasemaatschappij heeft voldaan, de vrouw dat meerdere aan de man voldoet.
De man verzoekt het hof, bij beschikking, de bestreden beschikking ten aanzien van de woning in [plaats 2] (Turkije), de gouden sieraden en het contant geld te vernietigen, en:
I. primair:
- te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de woning in [plaats 2] aan de man heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW en dat de vrouw gehouden is de man volledig schadeloos te stellen voor de geleden schade, door aan hem een bedrag te voldoen gelijk aan de volledige waarde van de woning,
- te bepalen dat de waarde van de woning alsnog ex nunc wordt vastgesteld door middel van een geveltaxatie, uit te voeren door een onafhankelijke makelaar in Turkije;
- te bevelen dat de vrouw haar volledige medewerking verleent aan deze waardebepaling, en de daarmee gemoeide kosten volledig voor haar rekening komen;
subsidiair:
- te bepalen dat de vrouw aan de man de helft van de getaxeerde waarde van de woning voldoet, dan wel haar medewerking verleent aan verkoop van de woning en de opbrengst bij helfte met de man deelt;
- te bepalen dat de waarde van de woning alsnog ex nunc wordt vastgesteld door middel van een geveltaxatie, uit te voeren door een onafhankelijke makelaar in Turkije;
- te bevelen dat de vrouw haar volledige medewerking verleent aan deze waardebepaling, en de daarmee gemoeide kosten volledig voor haar rekening komen;
II. de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van het contant geld en alsnog te bepalen dat dit geen onderdeel van de gemeenschap vormt;
III. de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de verdeling van de gouden sieraden en te bepalen dat de gouden sieraden worden toegedeeld conform de herkomst, dan wel - bij ontbreken van medewerking - aan de man;
IV. de vrouw te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, waaronder het door de man betaalde griffierecht, de deurwaarderskosten en de kosten van juridische bijstand.
Kosten rechtens.
De vrouw verzoekt het hof:
I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn hoger beroep af te wijzen;
II. de man te veroordelen in de daadwerkelijk proceskosten, alsmede salaris advocaat en griffiekosten.
In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof:
III. de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de woning in [plaats 2] , Turkije, de gouden sieraden en de kosten van de Mercedes, en;
IV. te bepalen dat de man primair € 30.000,- aan de vrouw dient te betalen wat betreft de gouden sieraden in de kluis bij De Nederlandse Kluis in verband met art. 3:194 BW, subsidiair € 15.000,-;
V. te bepalen dat de man primair € 5.000,- aan de vrouw dient te betalen wat betreft de gouden sieraden in de kluis in de echtelijke woning in verband met art. 3:194 BW, subsidiair € 2.500,- ;
VI. te bepalen dat de man primair € 10.000,- aan de vrouw dient te betalen in verband met het geld in de kluis op grond van art. 3:194 BW, subsidiair € 5.000,-;
VII. te bepalen dat de man wat betreft de Mercedes en de leaseovereenkomst de beëindigingskosten geheel dient te voldoen alsook de maandelijkse aflossingen geheel dient te voldoen;
VIII. de man te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten, alsmede salaris advocaat en griffiekosten.
De man verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
Bij voornoemd journaalbericht van 16 oktober 2025 heeft de man zijn verzoeken in hoger beroep gewijzigd. De man verzoekt het hof:
in incidenteel hoger beroep
I. de vrouw in haar verzoeken c.q. incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
in principaal hoger beroep
De bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de woning in [plaats 2] (Turkije), de gouden sieraden en het contant geld, en:
I. primair:
- te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de woning te [plaats 2] (Turkije) aan de man heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW, nu zij de woning opzettelijk en met kwade trouw heeft overgedragen aan haar moeder zonder toestemming van de man, hetgeen tevens een verboden rechtshandeling oplevert ex artikel 1:88 BW;
- te bepalen dat de waarde van de woning is vastgesteld op grond van het door de man overgelegde taxatierapport d.d. 23 september 2025, namelijk 3.705.000 TL oftewel € 75.946,- , althans vast te stellen dat de waarde van de woning wordt bepaald door een onafhankelijke makelaar in Turkije via geveltaxatie en te bevelen dat de vrouw haar volledige medewerking verleent aan deze waardebepaling en dat de daarmee gemoeide kosten volledig voor haar rekening komen;
- te bepalen dat de vrouw gehouden is de man volledig schadeloos te stellen voor de daardoor geleden schade, door aan hem te voldoen een bedrag gelijk aan de volledige waarde van de woning, zijnde 3.705.000 TL oftewel € 75.946,-, vermeerderd met de door de man gemaakte kosten van taxatie, zijnde 18.750 TL oftewel € 384,34 en de beëdigde vertaling, zijnde 13.476,60 TL oftewel € 276,24;
II. subsidiair:
- te bepalen dat de vrouw gehouden is de door haar veroorzaakte schade aan de gemeenschap, althans aan de man te vergoeden op grond van artikel 1:164 lid 1 BW, althans artikel 6:162 BW, bestaande uit de volledige waarde van de woning, zijnde 3.705.000 TL oftewel € 75.946,- , vermeerderd met de gemaakte kosten van taxatie, zijnde 18.750 TL oftewel € 384,34 en beëdigde vertaling, zijnde 13.476,60 TL oftewel € 276,24;
- te bepalen dat de waarde van de woning is vastgesteld op grond van het door de man overgelegde taxatierapport d.d. 23 september 2025, namelijk 3.705.000 TL oftewel € 75.946,- , althans vast te stellen dat de waarde van de woning wordt bepaald door een onafhankelijke makelaar in Turkije via geveltaxatie en te bevelen dat de vrouw haar volledige medewerking verleent aan deze waardebepaling en dat de daarmee gemoeide kosten volledig voor haar rekening komen; althans te bepalen dat de vrouw gehouden is tot vergoeding van de helft van de getaxeerde waarde van de woning namelijk 1.825.500 TL oftewel € 37.973,- en helft van de kosten van taxatie, zijnde 9.375 TL oftewel € 192,17 en de beëdigde vertaling, zijnde 6.738,30 TL oftewel € 138.12;
- te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 1:100 BW gehouden blijft tot medewerking aan een volledige en juiste afwikkeling van de gemeenschap;
III. de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van het contant geld en alsnog te bepalen dat dit geen onderdeel van de gemeenschap vormt;
IV. de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de verdeling van de gouden sieraden en te bepalen dat de gouden sieraden worden toegedeeld conform de herkomst, dan wel - bij ontbreken van medewerking - aan de man;
V. en de vrouw te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, waaronder het door de man betaalde griffierecht, de deurwaarderskosten en de kosten van juridische bijstand.
5De motivering van de beslissing
Toelaatbaarheid aanvulling hoger beroep door de man
De vrouw heeft bij voornoemd journaalbericht van 18 november 2025 bezwaar gemaakt tegen de aanvulling door de man van zijn hoger beroep op 16 oktober 2025. Volgens de vrouw levert deze aanvulling strijd op met de goede procesorde. Zij bepleit dat de man niet-ontvankelijk is in zijn aanvulling van het hoger beroep. De man heeft ter zitting op de reactie van de vrouw gereageerd. Vervolgens heeft het hof ter zitting beslist dat de aanvulling door de man van zijn hoger beroep is toegestaan. Deze aanvulling - ruim twee maanden voor de zitting door de man gedaan – levert naar het oordeel van het hof geen strijd met de tweeconclusieregel of de goede procesorde op. De man heeft een geveltaxatie laten verrichten en naar aanleiding van de uitkomsten daarvan zijn eerder aangevoerde grieven en stelling nader uitgewerkt en gepreciseerd. Hier staat de tweeconclusieregel niet aan in de weg (zie ook Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1334, rov. 3.1.2).
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
Peildatum
Partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Door de indiening van het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding op 21 juli 2023 is de huwelijksgemeenschap per die datum ontbonden. Voor de omvang en de samenstelling van de huwelijksgemeenschap is deze datum bepalend.
Woning in Turkije
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de woning in Turkije wordt toebedeeld aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde, welke waarde tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld, waarbij de kosten aan de taxatie en de verdeling en levering of verkoop van de woning door partijen bij helfte gedragen zal worden. De woning is gemeenschappelijk aangeschaft en behoort tot de huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft de woning voor de peildatum op 10 juli 2023 op naam van haar moeder gezet. De moeder heeft de woning op 14 september 2023 doorverkocht aan een derde. In zijn beroepschrift stelt de man dat de vrouw opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen, heeft zoekgemaakt en/of verborgen heeft gehouden. Op grond van artikel 3:194 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de vrouw haar aandeel in de woning verbeurd waardoor de vrouw gehouden is de man volledige schadeloos te stellen voor de geleden schade. De vrouw dient primair de volledige waarde van de woning aan de man te voldoen, zijnde € 75.946,-, vermeerderd met de taxatiekosten en de beëdigde vertalingskosten. In zijn aanvulling op het beroepschrift stelt de man dat mocht het hof van oordeel zijn dat artikel 3:194 lid 2 BW eerst toepassing vindt na ontbinding van de gemeenschap, het handelen van de vrouw valt onder artikel 1:164 lid 1 BW nu zij zonder toestemming van de man een rechtshandeling heeft verricht als bedoeld in artikel 1:88 BW en daarmee de gemeenschap heeft benadeeld. Indien het hof van oordeel is dat ook artikel 1:164 lid 1 BW geen toepassing vindt, kwalificeert het handelen van de vrouw in elk geval als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. De vrouw heeft willens en wetens in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die zij jegens de man in acht diende te nemen door een gemeenschappelijk goed zonder enig overleg te vervreemden en hem zijn aandeel te ontnemen. De daardoor geleden schade is gelijk aan de waarde van het onttrokken goed en de bijkomende kosten.
De vrouw stelt dat er op de peildatum geen sprake (meer) is van een woning in Turkije. De woning valt buiten de gemeenschap van goederen omdat de woning is aangekocht met een schuld bij de moeder van de vrouw van € 50.000,-. Partijen hadden helemaal geen geld voor een woning in Turkije. Er blijkt ook nergens uit hoe partijen een woning hebben kunnen kopen voor € 50.000,- . De vrouw heeft de woning overgedragen aan haar moeder omdat de vrouw vreesde dat de man aanspraak zou willen maken op de woning in Turkije, zonder te willen delen in de schuld bij de moeder van de vrouw.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt. De rechter mag slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig het bewijsrecht zijn komen vast te staan. In hoger beroep is vast komen te staan dat de vrouw de woning in Turkije heeft aangekocht tijdens het huwelijk. Doordat de woning is aangekocht ten tijde van het huwelijk, behoorde de woning in Turkije tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Voorts is vast komen te staan dat de woning op naam van de vrouw stond en dat de vrouw de woning op 10 juli 2023 heeft overgedragen aan haar moeder. De moeder van de vrouw heeft de woning op 14 september 2023 verkocht aan een derde.
Het hof overweegt voorts als volgt. Van verzwijging, zoekmaking of verborgen houden ex artikel 3:194 lid 2 BW kan naar het oordeel van het hof geen sprake zijn aangezien de huwelijksgoederengemeenschap nog niet was ontbonden op het moment van de overdracht van de woning door de vrouw. Anders gezegd: art. 3:194 lid 2 BW is alleen van toepassing op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (zie ook art. 3:189 lid 2 BW) . Op de peildatum behoorde de woning echter niet meer tot de huwelijksgoederengemeenschap en kon dus ook geen sprake ervan zijn dat een goed behorend tot de gemeenschap opzettelijk is verzwegen, zoekgemaakt of verborgen is gehouden, zoals bedoel in art. 3:194 lid 2 BW.
In artikel 1:164 lid 1 BW is bepaald dat, indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het (echtscheidings)geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, hij gehouden is na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. De overdracht van de woning heeft plaatsgevonden binnen de termijn van zes maanden voor aanvang van het echtscheidingsgeding. De woning stond op naam van de vrouw waardoor zij ingevolge het Nederlandse huwelijksvermogensrecht beschikkingsbevoegd was zolang de huwelijksgoederengemeenschap nog niet was ontbonden. De man heeft onvoldoende onderbouwd waarom de vrouw met de verkoop van de woning in strijd met art. 1:88 BW heeft gehandeld. Het is het hof niet gebleken dat er bijvoorbeeld sprake van was van de verkoop van een door de echtgenoten tezamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning, waarvoor de toestemming van de echtgenoot ingevolge art. 1:88 BW benodigd was geweest.
Het hof ziet echter aanleiding om op grond van artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. De vrouw was weliswaar bevoegd de woning over te dragen, maar er bestond geen rechtsgrond om de woning in feite zonder daarvoor een tegenprestatie ten goede te laten komen aan de huwelijksgoederengemeenschap over te dragen. De door de vrouw gestelde lening bij haar moeder, met welke schuld de vordering tot betaling van een koopsom zou zijn verrekend, is, gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, immers niet aangetoond. Door de vrouw zijn geen objectieve gegevens of verificatoire bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat de woning is aangeschaft met een lening bij haar moeder. Voorts is voor het hof onduidelijk hoe hoog deze lening was op de peildatum dan wel de datum van overdracht van de woning door de vrouw aan haar moeder. De vrouw heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij de lening bij haar moeder niet heeft opgenomen in haar aangifte inkomstenbelasting, waartoe zij wel gehouden is. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw met de overdracht van de woning wegens verspilling de gemeenschap heeft benadeeld in de zin van artikel 1:164 BW. Dit betekent dat het hof de vrouw zal veroordelen de aangerichte schade ter zake die benadeling aan de (inmiddels ontbonden) gemeenschap te vergoeden.
Uit de door de man uitgevoerde geveltaxatie (door de man overgelegd als productie 6 bij journaalbericht van 16 oktober 2025) blijkt dat de woning een waarde heeft van 3.705.000 TL, hetgeen overeenkomt met € 75.946,- conform de wisselkoers per 16 oktober 2025. Het lag op de weg van de vrouw om eveneens een (gevel)taxatie in het geding te brengen. Nu de vrouw dit heeft nagelaten, gaat het hof uit van een waarde van de woning van € 75.946,-.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de vrouw veroordelen een bedrag van € 75.946,- aan de gemeenschap te vergoeden.
Taxatiekosten
Door de man zijn ten behoeve van de taxatie van de woning in Turkije kosten gemaakt, respectievelijk € 384,34 voor de taxatie en € 276,24 voor de beëdigde vertaling (zoals blijkt uit de door de man overgelegde facturen bij productie 7 van zijn aanvullend beroepschrift van 16 oktober 2025). Het hof zal bepalen dat partijen deze kosten ieder voor de helft moeten betalen/dragen. Anders dan de man, ziet het hof geen reden om te bepalen dat de vrouw de taxatiekosten en de kosten voor de beëdigde vertaling voor haar rekening moet nemen. In het kader van de verdeling hadden partijen deze kosten eveneens moeten maken. De kosten dienen bij helfte te worden gedragen.
Gouden sieraden en contant geld
Aan de orde zijn eveneens de gouden sieraden en het contant geld.
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man op geen enkele wijze heeft aangetoond dat de gouden sieraden zijn verkocht en de opbrengst aangewend zou zijn ter financiering van de woning in Turkije en ten onrechte niet heeft kunnen vaststellen bij wie de gouden sieraden in bezit zijn. Het merendeel van het goud is ingeruild voor de aanschaf van de woning in Turkije. De man wil dat het goud geschonken door de moeders van partijen wordt verdeeld in zoverre dat het goud geschonken door de moeder van de man aan de man wordt toegedeeld en het goud geschonken door de moeder van de vrouw aan de vrouw wordt toegedeeld. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het contant geld bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. De man betwist het bestaan van enig contant geld, de vrouw heeft haar stelling dat dit aanwezig was niet onderbouwd.
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende in staat is om vast te stellen wat er met de gouden sieraden is gebeurd en waar deze zich nu bevinden. De man heeft als laatste toegang gehad tot de kluis bij De Nederlandse Kluis op 30 augustus 2023, terwijl hij eerder aangaf geen sleutel te hebben. De man heeft opzettelijk de tot de gemeenschap behorende goederen verzwegen, zoekgemaakt en/of verborgen gehouden. Dit geldt ook voor het goud met een waarde van € 5.000,- (4 ringen, 10 gouden munten, 1 ketting, armband en oorbel, diamanten set: ketting, oorbel en ketting) en het contant geld van € 10.000,- uit de kluis.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt. Indien de rechter op grond van artikel 3:185 BW wordt verzocht de wijze van verdeling te gelasten dan wel de verdeling vast te stellen, dienen aan de rechter voldoende gegevens te worden verschaft om de wijze van de verdeling te gelasten dan wel de verdeling te kunnen vaststellen. De rechter zal dan onder meer inzicht moeten hebben in de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap op de peildatum en in de waarde van de boedelbestanddelen.
Partijen hebben een verschil van inzicht over welke gouden sieraden er zijn en waar deze gouden sieraden zich bevinden. Het hof kan niet vaststellen dat er op de peildatum gouden sieraden aanwezig waren, nu geen van partijen met een begin van bewijs zijn gekomen over welke gouden sieraden er zijn en behoren tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, waar deze zich bevinden en wat de mogelijke waarde hiervan is. Iedere nadere specificatie ontbreekt, waardoor partijen niet hebben voldaan aan hun stelplicht. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens kan het hof de verdeling van de gouden sieraden niet vaststellen noch de wijze van verdeling gelasten.
Het hof kan op basis van de overgelegde stukken evenmin vaststellen of er op de peildatum contant geld aanwezig was. Indien er contant geld op de peildatum aanwezig was, behoort dit geld tot de te verdelen huwelijksgemeenschap van partijen. Indien dit contant geld niet langer aanwezig was op de datum van verdeling, lag het op de weg van de man een staat van ontvangsten en uitgaven over te leggen, om te onderbouwen wat er met dit geld gebeurd is, of het geld gebruikt is ten behoeve van het huwelijk en of daarmee uitgaven zijn gedaan die vallen onder artikel 1:81 en 1:84 BW. Voor zover alsnog zou blijken dat de man het contant geld behorende tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap verduisterd heeft – zoals de vrouw stelt – , verbeurt de man op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in dit contant geld aan de vrouw.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en de inleidende verzoeken van de man en de vrouw ten aanzien van de gouden sieraden en het contant geld, alsnog afwijzen.
Mercedes
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw als partij bij de leaseovereenkomst gehouden is de helft van de beëindigingskosten en de helft van de maandelijkse aflossingen te voldoen. De man is aansprakelijk en verantwoordelijk voor de kosten van de Mercedes vanaf het uiteengaan van partijen vanaf juli 2023. De man heeft als enige gebruik gemaakt van de Mercedes, de vrouw heeft er nooit de beschikking over mogen hebben.
De man stelt dat het de vrouw vrij stond om zelf het gebruik van de Mercedes op te eisen. De man heeft de auto nooit verborgen gehouden of aan het zicht van de vrouw onttrokken. De lasten van de leaseovereenkomst en de beëindigingskosten dienen door partijen bij helfte te worden gedragen.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij op 9 september 2021 een leaseovereenkomst hebben afgesloten voor een Mercedes. Voorts is niet in geschil dat deze leaseovereenkomst op 16 september 2024 (voortijdig) is beëindigd. Daarnaast is niet in geschil dat de beëindigingskosten € 5.657,83 bedroegen. De leaseovereenkomst is tijdens het huwelijk aangegaan door beide partijen zodat ook de vrouw contractueel gebonden is aan deze overeenkomst. Dit maakt dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de maandelijkse lasten van de leaseovereenkomst vanaf de peildatum tot aan de datum feitelijke teruggave en de beëindigingskosten van de leaseovereenkomst. Dat de vrouw geen gebruik heeft gemaakt van de Mercedes, doet daar niks aan af. De deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen. Indien een overeenkomst ontbreekt, lag het op de weg van de vrouw de kantonrechter te verzoeken een beheersregeling te treffen op grond van artikel 3:168 BW. De grief van de vrouw treft geen doel.
Proceskosten
Het hof ziet aanleiding de vrouw te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, zoals door de man verzocht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het hof de handelswijze van de vrouw als onrechtmatig kwalificeert, zodat het hof het redelijk en billijk acht de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure. Het hof zal voor de begroting van de proceskosten aan de zijde van de man, aansluiten bij het toepasselijk liquidatietarief. Het hof stelt de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de man vast op € 3.642,- (3 punten x tarief II), vermeerderd met het door de man voldane griffierecht van € 362,-, aldus in totaal € 4.004,-.
6De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2025, voor zover het de woning in Turkije, de gouden sieraden en het contant geld betreft, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vrouw uit hoofde van artikel 1:164 BW aan de gemeenschap dient te vergoeden een bedrag van € 75.946,-, waarvan de helft, zijnde € 37.973,- toekomt aan de man;
bepaalt dat de taxatiekosten van de woning in Turkije en de kosten van de beëdigde verklaring bij helfte worden gedeeld;
wijst de inleidende verzoeken van de man en de vrouw ten aanzien van de verdeling van de gouden sieraden en het contant geld, alsnog af;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
veroordeelt de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 4.004,-, te voldoen binnen veertien dagen na de dag van uitspraak van deze beschikking;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en R.L.M.C. Jansen, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier, en is op 25 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
