Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep inzake huurrecht echtelijke huurwoning en verdeling huwelijksgemeenschap. Het huurrecht blijft bij man na belangenafweging, mede wegens NAH en unieke werkplaats. Verdeling: auto aan man tegen waarde; zeilboot te verkopen en opbrengst te delen; sloep en trailer om niet aan man; ieder eigen fiets zonder verrekening; bankrekeningen aan ieder met kleine verrekening; inboedel conform lijst; vergoedingsrecht vrouw wegens erfenis; man betaalt huishoudkostenverrekening; lijfrentepolis te splitsen, subsidiair toedeling aan man met waardering o.g.v. Uitvoerings| Datum publicatie | 12-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.723 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgemeenschap na echtscheiding. Huurrecht woning. Roerende zaken. Waardering lijfrentepolis aan de hand van (uitvoeringsbesluit) Successiewet 1956.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.723/01
(zaaknummer rechtbank Gelderland 443324)
beschikking van 3 maart 2026
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B.P.G. Dijkers,
en
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S.P ter Linden.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens houdende verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij
voorraad en houdende nevenverzoeken met producties 1 tot en met 37, ingekomen
op 7 juli 2025;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties A tot en
met H;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, tevens vermeerdering verzoek met
producties 38 tot en met 49;
- een journaalbericht van mr. Dijkers van 3 januari 2026 met producties 50 tot en met 55;
- een journaalbericht van mr. Ter Linden van 7 januari 2026 met producties I tot en met O.
De mondelinge behandeling heeft op 19 januari 2026 plaatsgevonden. Daar zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3De feiten
Partijen zijn [in] 1977 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.
De vrouw heeft op 5 november 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek gedaan.
In haar beschikking van 7 april 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 15 juli 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
De rechtbank heeft in die beschikking (hierna ook: de bestreden beschikking) niet alleen de echtscheiding uitgesproken, maar ook bepaald dat de man voortaan huurder zal zijn van de woning aan de [adres] in [woonplaats] met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De beslissing over het huurrecht is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder is beslist dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen. De verzoeken van partijen zijn voor het overige afgewezen.
Het hof heeft in zijn beschikking van 23 september 2025 de werking van de bestreden beschikking geschorst voor de duur van het geding in hoger beroep voor zover deze het huurrecht van de echtelijke woning betreft.
4De omvang van het geschil
De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Aan een door de vrouw geformuleerde algemene grief komt geen zelfstandige betekenis toe, zodat het hof die niet afzonderlijk zal bespreken. De vrouw verzoekt het hof:
-
te bepalen dat het huurrecht van de woning haar toekomt; en
-
de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap te gelasten zoals zij die voorstaat,
dan wel (subsidiair) de verdeling vast te stellen.
De man voert verweer en is op zijn beurt in (incidenteel) hoger beroep gekomen. Hij verzoekt het hof de verdeling vast te stellen op de wijze die hij voorstaat, althans de wijze van verdeling te gelasten.
5De motivering van de beslissing
het huurrecht van de woning aan de [adres] in [woonplaats]
Beide partijen hebben belang bij het huurrecht van de woning. De rechtbank heeft die belangen gewogen en het huurrecht aan de man toegekend. Daar is de vrouw het niet mee eens. Volgens haar had de belangenafweging in haar voordeel moeten uitvallen.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank over het huurrecht in stand laten en licht dat hierna toe.
Niet ter discussie staat dat de man niet aangeboren hersenletsel (NAH) heeft als gevolg van een herseninfarct. Hij heeft als gevolg daarvan behoefte aan structuur en rust. In dat kader heeft hij vier uur per week begeleiding van sociaal-maatschappelijke aard. Vanwege de stress in verband met de echtscheiding en de spanningen tussen partijen heeft hij enkele keren in een logeerhuis verbleven. Bij de woning staat een grote schuur/werkplaats die man zelf heeft gebouwd die hij gebruikt om hout te bewerken. Ook doet hij af en toe klussen buiten de deur. In de schuur bevindt zich zijn gereedschap. Door de man is uiteengezet dat deze werkzaamheden voor hem heel belangrijk zijn en hem houvast geven in het leven en hem structuur bieden. Een dergelijke ruimte is voor hem elders niet te vinden.
De vrouw heeft fysieke klachten. Zij heeft chronische rugklachten en is volgens haar gediagnostiseerd met fybromyalgie. In de woning zijn enkele voorzieningen aangebracht, mede om het de vrouw makkelijker te maken. Volgens de vrouw is zij economisch meer gebonden aan [woonplaats] dan de man, vanwege haar werkzaamheden voor de kledingbank. Ook vangt zij de kleinkinderen regelmatig in de woning op.
Het hof kan zich gelet op bovenstaande er goed in vinden dat de rechtbank de belangenafweging in het voordeel van de man heeft laten uitvallen. Voor hem is de schuur en het werken met hout belangrijk voor zijn functioneren en een dergelijke werkplaats zoals bij de woning is niet elders voorhanden. Door zijn NAH heeft hij behoefte aan structuur en rust en veranderingen zullen hem daarbij ontregelen. Dat belang vindt het hof zwaarder wegen dan de door de vrouw gestelde belangen. Het aanbod van de vrouw dat de man de werkplaats ook mag blijven gebruiken als zij het huurrecht zou krijgen maakt dit niet anders. Gebleken is dat partijen op geen enkele manier tot enige overeenstemming kunnen komen waardoor het in het belang van beide partijen is dat zij niet meer samen tot (een deel van) de woning gerechtigd zijn. Hoewel de vrouw fysieke klachten heeft, ziet het hof niet in waarom de door haar genoemde voorzieningen en aanpassingen niet ook in een andere woning zouden kunnen worden aangebracht. Ook het opvangen van kleinkinderen kan in een andere woning. Een gebondenheid aan [woonplaats] zoals de vrouw die stelt maakt nog niet dat daarvoor specifiek deze woning nodig is. Een verhuizing is voor de vrouw naar het oordeel van het hof net iets minder ingrijpend dan voor de man. De grieven 1 en 2 van de vrouw slagen niet.
de verdeling
Partijen zijn in 1977 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Die gemeenschap is ontbonden door indiening van het verzoek tot echtscheiding op 5 november 2024. Dat is ook de peildatum voor de omvang en samenstelling van de te verdelen gemeenschap.
Beide partijen hebben het hof verzocht de huwelijksgemeenschap te verdelen, dan wel de wijze van verdeling daarvan te gelasten. Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen op de peildatum tot die gemeenschap behoren:
-
auto Suzuki
-
zeilboot [naam1]
-
elektrische motorboot/sloep en trailer
-
elektrische fiets vrouw
-
fiets man
-
lijfrentepolis
-
Abn Amro privérekening op naam van de vrouw
-
Abn Amro spaarrekening op naam van de vrouw
-
Rabo betaalrekening op naam van de man
-
Rabo spaarrekening op naam van de man
-
huisraad/inboedel.
Verder heeft de vrouw gesteld dat zij een vergoedingsvordering jegens de gemeenschap heeft, vanwege een door haar onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenis van € 4.231,22.
Partijen hebben ieder voorstellen gedaan ten aanzien van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Het hof zal de verschillende bestanddelen van de tot de gemeenschap behorende goederen hierna bespreken aan de hand van de door partijen ingenomen stellingen en daarover beslissen.
a. de auto Suzuki
Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de man kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 4.500. De man heeft hier echter de voorwaarde aan verbonden dat de vrouw hem de helft van de apk en reparatiekosten van € 965,26 dient te vergoeden.
Het hof zal de auto toedelen aan de man tegen een waarde van € 4.500. Ten aanzien van de onderhoudskosten van € 965,26 heeft de man niet aangetoond of gesteld op grond waarvan de vrouw hem de helft zou moeten vergoeden. De man heeft niet aangetoond dat die kosten door hem zijn betaald en van welk geld die kosten zijn betaald (van gemeenschapsgeld of van geld dat buiten de gemeenschap viel). Daarmee heeft hij ook niet aangetoond dat sprake is van een vermogensverschuiving tussen hem en de vrouw en dat hij een vergoedingsrecht heeft op de vrouw.
b. de zeilboot [naam1]
Geen van partijen wil de zeilboot toegedeeld krijgen. De vrouw heeft de boot inmiddels via sociale media te koop gezet. Het hof zal bepalen dat de boot verkocht dient te worden en dat partijen de verkoopopbrengst bij helfte dienen te delen. De man heeft de sleutels van deze boot. Op de mondelinge behandeling heeft de man toegezegd te zullen meewerken aan verkoop en bezichtiging van de boot.
Ten aanzien van de zeilboot is liggeld verschuldigd en dienen verzekeringspremies te worden betaald. Die moeten partijen gezamenlijk, ieder voor de helft, dragen.
c. de elektrische boot (sloep) en trailer
Bij de woning staat een sloep op een trailer. Volgens de man zijn die niets waard en wil hij deze (na toedeling aan hem) schenken aan de scouting. De vrouw heeft verzocht de sloep en trailer om niet aan haar toe te delen.
Het hof zal de sloep en trailer om niet aan de man toedelen. De sloep en trailer staan bij de woning en kunnen daar dan ook blijven staan.
d. en e. de beide fietsen
Er zijn twee fietsen. De ene fiets wordt door de vrouw gebruikt en de andere door de man. De fiets van de man is (deels) bekostigd vanuit de WMO. De man heeft aanvankelijk gesteld dat die fiets niet tot de gemeenschap behoort, dan wel dat deze aan hem is verknocht. Die stellingen heeft hij op de mondelinge behandeling laten vallen. De man heeft gesteld dat de fietsen een verschillende waarde hebben, hetgeen de vrouw betwist. Volgens de vrouw zijn de beide fietsen ongeveer evenveel waard. Noch de man noch de vrouw heeft de stelling over de waarde nader onderbouwd en op dit punt bewijs aangeboden. Het hof gaat bij gebreke van informatie ervan uit dat de fietsen ongeveer evenveel waard zijn en zal de fiets van de vrouw aan haar toedelen en de fiets van de man aan hem, zonder nadere verrekening.
f. lijfrentepolis
Er is een beleggingsverzekering bij [naam2] (voorheen bij de [naam3] ). De einddatum van die verzekering is volgens een van die polis overgelegd stuk
1 september 2025. Ten aanzien van die verzekering geldt een lijfrenteclausule. Die houdt in dat op de einddatum, als de verzekerde dan nog leeft, het verzekerd bedrag beschikbaar komt en dit moet worden gebruikt voor het kopen van een lijfrente met periodieke uitkeringen.
Partijen geven er de voorkeur aan dat deze polis gesplitst wordt, zodat ieder van hen een eigen lijfrente kan kopen en daar zelf belasting over zal betalen. Niet duidelijk is echter of splitsing mogelijk is. Partijen zullen dat nog navragen bij de verzekeringsmaatschappij en als dit mogelijk is de splitsing zelf doen bewerkstelligen.
Indien splitsing niet mogelijk is zal het hof de (rechten uit) de polis toedelen aan de man. De man dient dan de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden. Die waarde dient te worden vastgesteld door het jaarlijkse totaal van de door de man ontvangen periodieke uitkeringen te vermenigvuldigen met een factor als opgenomen in artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Daarop dient dan nog in mindering te komen de belasting die de man te zijner tijd over de periodieke uitkeringen verschuldigd is. Die zal het hof schatten op 30% van de waarde van de lijfrente zoals die is berekend op de wijze zoals hiervoor vermeld. Hierbij sluit het hof aan bij het percentage dat is opgenomen in artikel 20 lid 6 onder c Successiewet 1956 voor stamrechten.
g, h, i en j. de saldi op de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat ieder de bankrekeningen houdt die op zijn of haar naam zijn gesteld en dat saldi op de peildatum bij helfte moeten worden gedeeld. Beiden hebben zij bankafschriften overgelegd waaruit die saldi blijken. In zijn pleitnotitie heeft de advocaat van de vrouw de saldi van de vier bankrekeningen genoemd en berekend dat de vrouw per saldo € 61,54 moet betalen aan de man. Van de zijde van de man is hiermee op de zitting ingestemd. Het hof zal daarom bepalen dat de vier bankrekeningen en de saldi daarop worden toegedeeld aan degene op wiens naam de rekening staat en dat de vrouw per saldo aan de man € 61,54 moet betalen wegens verrekening van de saldi.
k. inboedel/huisraad
Na de mondelinge behandeling zijn partijen het eens geworden over de verdeling van de inboedel/huisraad en hebben het hof op 6 februari 2026 een lijst doen toekomen waarop die verdeling staat. Zij verzoeken het hof die lijst aan de beschikking te hechten en te bepalen dat ieder de inboedelzaken krijgt toegedeeld conform deze lijst en dat andersluidende verzoeken worden ingetrokken.
Het hof zal aldus beslissen en een kopie van de lijst aan de beschikking te hechten. Het hof gaat ervan uit dat ieder van partijen in waarde ongeveer evenveel van de inboedel/huisraad heeft toegedeeld gekregen, zodat die toedeling zonder nadere verrekening zal zijn.
door de vrouw ontvangen erfenis van € 4.231,22
Niet ter discussie staat dat de vrouw in mei 2021 uit de nalatenschap van haar moeder € 4.231,22 heeft ontvangen en dat op deze verkrijging een uitsluitingsclausule van toepassing is. Volgens de vrouw heeft zij een vergoedingsrecht op de gemeenschap ter grootte van dit bedrag. De man betwist dat.
Het hof zal bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft van € 4.231,22. Vaststaat dat met het bedrag van € 4.231,22 kosten van de huishouding (in dit geval gemeenschapsschulden) zijn voldaan. Er is daardoor sprake van een vermogensverschuiving tussen het eigen vermogen van de vrouw en het vermogen van de gemeenschap, waardoor een vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap is ontstaan. De man voert verweer en stelt dat er een grond was voor deze vermogensverschuiving, omdat de vrouw op grond van artikel 1:84 BW gehouden was de kosten van de huishouding te dragen met haar eigen vermogen. De vrouw betwist dat. De man voert een bevrijdend verweer; de bewijslast daarvan rust op de man. Niet duidelijk is wat de kosten van de huishouding ieder jaar waren en door wie en van welke rekening die zijn betaald. Er kan dus ook niet worden vastgesteld of de vrouw gehouden was om de kosten van de huishouding te dragen met haar eigen vermogen. De man heeft ook niet aangeboden zijn stelling te bewijzen. Het hof gaat daarom daaraan voorbij.
verrekening kosten van de huishouding van 5 november 2024 tot en met 26 oktober 2025
Partijen zijn het op de mondelinge behandeling erover eens geworden dat dat man ter verrekening van de kosten van de huishouding van 5 november 2024 tot en met 26 oktober 2025 aan de vrouw € 1.575,76 dient te voldoen. Het hof zal aldus beslissen.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de vrouw ten aanzien van het huurrecht. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen. Aanvullend zal het hof de verdeling van de huwelijksgemeenschap vaststellen dan wel de wijze van verdeling gelasten zoals hierna vermeld.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure het huurrecht van de echtelijke woning en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.
7De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 april 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en beslist aanvullend als volgt:
deelt de auto Suzuki toe aan de man tegen een waarde van € 4.500, onder de verplichting voor hem om € 2.250 aan de vrouw te vergoeden;
bepaalt dat de zeilboot [naam1] verkocht dient te worden en de verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld;
deelt de (elektrische) sloep en trailer toe aan de man zonder nadere verrekening;
deelt de fiets van de vrouw toe aan de vrouw en de fiets van de man aan de man, zonder nadere verrekening;
verstaat dat partijen de lijfrentepolis zullen splitsen, zodat ieder van hen een eigen lijfrente kan aanschaffen en deelt als dat niet mogelijk is de rechten uit de polis toe aan de man, onder de verplichting de waarde met de vrouw te verrekenen zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.18 vermeld;
deelt de bankrekeningen en de saldi daarop toe aan degene op wiens naam deze zijn gesteld, onder de verplichting voor de vrouw om aan de man € 61,54 te voldoen ter verrekening van de saldi:
deelt de inboedel/huisraad toe overeenkomstig hetgeen partijen zijn overeengekomen en door hen is vastgelegd in een lijst die aan deze beschikking zal worden gehecht en daarmee deel uitmaakt van deze beschikking en beslissing, de verdeling is zonder nadere verrekening;
bepaalt dat de vrouw een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap heeft van € 4.231,22;
bepaalt dat de man aan de vrouw € 1.575,76 dient te voldoen wegens verrekening van kosten van de huishouding van 5 november 2024 tot en met 26 oktober 2025;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en L. Hamer, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 3 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
