Rechtbank Rotterdam 21-01-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2441

Essentie (gemaakt door AI)

Verzoek WSNP afgewezen. Verzoekster is gehuwd in gemeenschap van goederen; partner erkent omvangrijke fraude met valse CZ-declaraties (circa €70.000). Onzekerheid over wetenschap en beschikking van verzoekster over deze middelen maakt dat goede trouw bij het onbetaald laten van schulden niet met voldoende waarschijnlijkheid is vast te stellen. Tevens twijfel over naleving Wsnp-verplichtingen wegens instabiele financiële situatie. Geen voldoende belang bij toelating omdat schulden van partner verhaalbaar blijven. art. 284 Fw.

Datum publicatie11-03-2026
ZaaknummerFT RK 25/1822
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Insolventierecht
TrefwoordenOverig
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek WSNP afgewezen. Gehuwd in GVG. Partner heeft een fraudevordering laten ontstaan. De rechtbank kan niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vaststellen dat de schulden te goeder trouw onbetaald zijn gelaten. De rechtbank ziet geen belang bij toelating. Artikel 284 Faillissementswet.

Volledige uitspraak


Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 21 januari 2026

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster.

1De procedure

Verzoekster heeft op 6 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Ter zitting van 13 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoekster;

  • de heer [persoon A] partner van verzoekster;

  • mevrouw [persoon B] en mevrouw [persoon C] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening).

2De feiten

Verzoekster is gehuwd in gemeenschap van goederen. Verzoekster ontvangt inkomsten uit een Participatiewet-uitkering. De partner van verzoekster heeft geen inkomsten. Hij kan naar eigen zeggen geen werk vinden en heeft geen recht op een uitkering. Hij heeft de Belgische nationaliteit waardoor hij eerst drie maanden betaalde arbeid moet hebben verricht voordat hij een bijstandsuitkering kan aanvragen. Het (gezamenlijke) inkomen bedraagt ca. € 1.259,-- per maand. Gebleken is echter dat de partner van verzoekster in de jaren 2024 en 2025 wel inkomsten heeft genoten door het plegen van fraude met valse declaraties bij CZ. Ter zitting is dit door hem erkend. De totale vordering van CZ uit dien hoofde bedraagt € 69.163,28. Aannemelijk is dus, dat zij dat jaar veel meer inkomen hadden dan er op papier is genoten. De (gezamenlijke) schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 28.579,78. De fraudevordering van CZ ter hoogte van € 69.163,28 is daar niet bij inbegrepen.

3De beoordeling

Goede trouw

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Het is voor de rechtbank onduidelijk gebleven in hoeverre verzoekster voor juli 2025 bekend was met de herkomst van het geld dat haar partner van CZ heeft ontvangen door fraude te plegen met valse facturen (voor ca. € 70.000,-- in totaal). CZ heeft alleen de partner aangesproken voor deze fraude. Het lijkt niettemin aannemelijk dat verzoekster op enig moment wel wist van het extra geld waarover haar partner beschikte. Ter zitting heeft zij ter verdediging van haar partner verklaard dat het niet gebeurd was als haar partner beter was geholpen door instanties en hij wel recht had gehad op een uitkering. Op dit moment leeft het gezin van een alleenstaande-uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens verzoekster en haar partner lukt het hem niet om werk te vinden en heeft hij daarom fraude gepleegd. Relevant in dit verband is bovendien dat verzoekster en haar partner (naar eigen zeggen) in gemeenschap van goederen zijn gehuwd naar Belgisch recht. Dat betekent dat CZ voor deze schuld (waarschijnlijk) verhaal kan nemen op het vermogen van de huwelijksgemeenschap en dat verzoekster voor deze schuld hoofdelijk verbonden is. Bovendien is het geld dat de partner van verzoekster heeft verdiend, onderdeel geworden van de huwelijksgemeenschap. Het geld wat door de partner van verzoekster is ontvangen, is echter niet gebruikt voor afbetaling van de gezamenlijke schuldeisers. Nu onduidelijk is of verzoekster wetenschap had van de fraude en gedeeltelijk beschikking had over het geld, kan de rechtbank voor verzoekster niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vaststellen dat zij te goeder trouw is geweest bij het onbetaald laten van haar schulden.

Verplichtingen

Tegen deze achtergrond, en omdat de partner van verzoekster op dit moment geen werk heeft en er nog altijd geen recht is op een bijstandsuitkering naar de gezinsnorm, bestaat er bij de rechtbank ook twijfel over de financiële stabiliteit en de vraag of verzoekster de verplichting om geen nieuwe schulden te maken wel kan nakomen.

Belang bij de Wsnp

De recente betrokkenheid van de partner van verzoekster bij omvangrijke fraude in de jaren 2024 en 2025 (voor een totaalbedrag van ca. 70.000,--) en zijn recente strafrechtelijke veroordelingen voor onder andere geweldsdelicten, maken dat de rechtbank het Wsnp-verzoek van de partner van verzoekster in ieder geval niet toewijsbaar acht. Aan verzoekster is gevraagd om een aanvullende toelichting op haar belang om – bij dat gegeven – toch toegelaten te worden tot de Wsnp. De rechtbank ziet dit belang, zonder nadere toelichting, niet. Schuldeisers kunnen na een succesvolle Wsnp van verzoekster verhaal blijven nemen voor hun vordering op het gemeenschappelijk vermogen en het inkomen van verzoekster en haar partner, nu die schulden ten aanzien van de partner van verzoekster niet gesaneerd zullen worden. Een eventuele schone lei heeft voor verzoekster in zoverre dus geen effect.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van

I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026. 1

De griffier is buiten staat dit vonnis

mede te ondertekenen.

1

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733