Rechtbank Gelderland 19-02-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1666

Essentie (gemaakt door AI)

Art. 1:259 en 1:260 BW en art. 1:265c lid 2 BW; art. 1:265d lid 4 BW. De rechtbank verlengt OTS en machtiging uithuisplaatsing met drie maanden en bepaalt dat de verlengde machtiging niet ten uitvoer mag worden gelegd in het huidige pleeggezin wegens dubbel negatieve screening, gebrek aan openheid/samenwerking en onduidelijkheid over veiligheid. GI tot 2x toe geen gebruik gemaakt van informatierecht ten aanzien van pleegzorgaanbieder. Verzoek vervanging GI wordt toegewezen wegens vertrouwensbreuk met moeder. GI wilde laten aflopen naar vrijwillig kader terwijl daarvoor standpunt was dat er geen zicht was op het kind en de GI niet bij pleegouders binnenkwam. Zie ook HR ECLI:NL:HR:2025:1948.

Datum publicatie10-03-2026
ZaaknummerC/05/460619 / JE RK 25-1267
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Art. 1:259 en 1:260 BW. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing met drie maanden en bepaalt dat de verlengde machtiging niet ten uitvoer mag worden gelegd in het huidige pleeggezin vanwege onder meer negatieve screenings door zorgen over de veiligheid (Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948). Tevens vervanging van de gecertificeerde instelling.

Volledige uitspraak


RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Arnhem

Zaaknummer: C/05/460619 / JE RK 25-1267

Datum uitspraak: 19 februari 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over vervanging gecertificeerde instelling, verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI),

gevestigd in Amsterdam,

over

[naam kind] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (hierna: [het kind] ),

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] (hierna: de moeder),

wonend in [woonplaats] ,

advocaat: mr. S. Pershad uit Arnhem.

familie [naam] (hierna: de pleegouders, pleegvader en/of pleegmoeder),

wonend in [woonplaats] .

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 december 2025;

  • een aangepast verzoekschrift en plan van aanpak van de GI, ontvangen op
    15 december 2025;

  • een wijziging van het verzoek met bijlage van de GI, ontvangen op 3 februari 2026;

  • het toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), ontvangen op 10 februari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;

  • de pleegouders;

  • twee vertegenwoordigers van de GI;

  • een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3.

De kinderrechter heeft [het kind] naar zijn mening gevraagd. [het kind] heeft een brief gestuurd.

2De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [het kind] .

2.2.

[het kind] woont sinds september 2022 volledig bij de pleegouders, daarvoor kwam hij regelmatig in weekenden bij de zorgboerderij van de pleegouders.

2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [het kind] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 23 mei 2025 en het verzoek voor het overige aangehouden.

2.4.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [het kind] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 23 februari 2026.

3Het verzoek van de GI

3.1.

De GI verzoekt – na wijziging – de ondertoezichtstelling van [het kind] te verlengen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De intentie van de GI is om de maatregelen af te sluiten. De verlenging voor de duur van drie maanden is nodig voor een overgang naar het vrijwillig kader. Er zijn namelijk geen nieuwe ontwikkelingsbedreigingen bijgekomen. De pleegouders staan open voor contact met de moeder. De moeder is het niet eens met de uithuisplaatsing. Als de moeder in een vrijwillig kader [het kind] zou willen ophalen dan treedt het blokkaderecht van de pleegouders op en kan er een melding bij Veilig Thuis gedaan worden met eventueel een spoedverzoek tot gevolg. Er wordt niet meer gewerkt aan thuisplaatsing. Er zijn geen doelen meer waaraan binnen de ondertoezichtstelling gewerkt kan worden. Het lukt namelijk niet om goed in contact te komen met de moeder of om structurele omgang af te spreken.

4Het verweer en de zelfstandige verzoeken van de moeder

4.1.

De moeder vindt dat de maatregelen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing verlengd moeten worden, maar dan wel in een ander pleeggezin en onder regie van een andere GI. Daarom heeft de moeder tijdens de zitting verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing bij een ander pleeggezin of gezinshuis te bepalen. Daarnaast verzoekt zij om de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling, te weten Jeugdbescherming Gelderland. Er is namelijk een vertrouwensbreuk tussen de GI en de moeder ontstaan.

4.2.

Volgens de moeder zijn de overwegingen van de GI onnavolgbaar. De GI is namelijk van het ene uiterste standpunt (forse zorgen over de pleegouders) naar het andere gegaan (er zijn geen zorgen meer). Dit terwijl de GI helemaal geen zicht heeft op hoe het met [het kind] gaat. Ze hebben hem namelijk al meer dan een jaar niet gesproken. De huidige betrokken jeugdbeschermers hebben hem überhaupt niet gesproken. De moeder wil op termijn weer zelf voor [het kind] zorgen. Zijn perspectief is volgens haar nog niet bepaald. De moeder verwacht binnen een halfjaar een eigen woning te krijgen, waar ook plek is voor [het kind] . Dat er geen structurele omgang is met de moeder ligt volgens haar aan de gebrekkige samenwerking tussen de GI en de pleegouders. Voorheen verliepen de begeleide omgangsmomenten namelijk gewoon goed. Door een wisseling van de jeugdbeschermer werd de bezoekregeling volgens de moeder echter stopgezet.

5Het standpunt van de pleegouders

De pleegouders zijn het eens met de gevraagde verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij zijn het niet eens met de verzoeken van de moeder, omdat zij eindelijk wat meer vertrouwen in de GI hebben. Vanaf de zitting in mei 2025 was de opdracht duidelijk. Er moest vooruit worden gekeken. Dat lukte echter niet. De medewerkers van de GI die toen betrokken waren, waren veel afwezig. Er zou met spoed ambulante hulp komen om meer zicht te krijgen, maar dat kwam niet van de grond. De pleegouders hebben zich daar echter wel beschikbaar voor gesteld. Er werd door de hulporganisatie aangegeven dat er geen spoed was. De GI was daarna niet bereikbaar tot oktober 2025. De pleegouders vinden bovendien dat het ontstane beeld over hun negatieve pleegzorgscreening niet helemaal klopt. De tweede screening, door William Schrikker Gezinsvormen (hierna: WSGV), zou positief uitpakken, maar in het eerste concept pakte die negatief uit. Volgens de pleegmoeder is daarna de toezegging gedaan dat er binnen een jaar een nieuwe screening zou komen, maar dat is niet gebeurd, ondanks verzoek van de pleegouders.

6Het advies van de Raad

De Raad stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Over de vervanging van de GI geeft de Raad geen advies. Een frissere blik kan handig zijn, maar tegelijkertijd is het dossier al lang bekend bij de huidige GI. Wel heeft de Raad grote twijfels bij de intentie om onder deze omstandigheden een overdracht naar het vrijwillig kader te realiseren. Dat heeft ermee te maken dat de moeder het gezag heeft en zij het niet eens is met de uithuisplaatsing in dit specifieke pleeggezin. Wachten tot het misgaat om dan na een melding bij Veilig Thuis een spoedverzoek te moeten doen vindt de Raad niet in het belang van [het kind] . Ook maakt de Raad zich zorgen dat er zo weinig zicht is op [het kind] , terwijl er veel onrust is. Daarbovenop komt ook nog het feit dat er tot twee keer toe een negatieve screening is geweest van het pleeggezin. Het is de Raad ook niet duidelijk of er is of wordt gewerkt aan de punten die die screenings negatief maakten. De Raad vindt ook dat er gevolgen aan negatieve screenings moeten zitten. Er is daarmee geen sprake meer van plaatsing in een voorziening in pleegzorg, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die daarvoor gelden. Tegelijkertijd vindt de Raad de situatie niet duidelijk genoeg om nu iets te zeggen over de plaatsing van [het kind] in het pleeggezin. Daarom vindt de Raad dat aanvullend onderzoek nodig is. De Raad biedt aan om onderzoek te doen, dat zal echter wel minstens zes maanden duren.

7De beoordeling

Wat is de beslissing?

7.1.

De rechtbank vervangt de betrokken GI door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland. Ook verlengt de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie maanden. Daarbij bepaalt de rechtbank dat die machtiging tot uithuisplaatsing niet mag worden gebruikt voor plaatsing in het huidige pleeggezin. De rechtbank licht de beslissingen hierna toe.

Vervanging van de GI

7.2.

Op basis van de zitting en de informatie uit de stukken over de voorgeschiedenis tussen de GI, de moeder en de pleegouders, is de rechtbank van oordeel dat de GI die nu belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, moet worden vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland. 1 De belangrijkste reden daarvoor is de vertrouwensbreuk tussen de moeder en de GI. De GI verweert zich niet tegen dit verzoek. De rechtbank wijst dit verzoek daarom toe.

De ondertoezichtstelling

7.3.

De rechtbank is verder van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. 2 De ontwikkeling van [het kind] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat [het kind] een zeer belast verleden heeft waardoor hij voor zijn opgroeien en ontwikkeling extra aandacht en begeleiding nodig heeft. [het kind] heeft een lichte verstandelijke beperking. Daarnaast is bij hem PTSS vastgesteld vanwege ingrijpende gebeurtenissen in het verleden. Er is nog steeds veel onrust rond [het kind] , bijvoorbeeld doordat het contact met zijn moeder wisselend is geweest en inmiddels is vastgelopen. Maar ook vanwege de turbulente samenwerking tussen de GI en de moeder, de pleegouders en de moeder en ook tussen de GI en de pleegouders. Dit heeft er onder meer toe geleid dat hulpverlening en zorg niet zijn ingezet. Zo is de noodzakelijke traumabehandeling door de pleegouders tegengehouden en tot op heden nog steeds niet ingezet. Ook heeft dit tot extra onduidelijkheid geleid over het perspectief voor [het kind] .

Geen vrijwillig kader

7.3.1.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de betrokken partijen het op veel vlakken niet met elkaar eens zijn. Zowel de moeder als de pleegouders hebben zich op zijn zachtst gezegd wisselend opgesteld in de samenwerking met de GI. Bovendien staat de moeder expliciet niet achter het handelen van de GI en de uithuisplaatsing van [het kind] in dit specifieke pleeggezin. De rechtbank vindt de situatie daardoor bij uitstek ongeschikt voor een overdracht naar het vrijwillig kader, ondanks de intentie daartoe van de GI. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig.

De duur van de ondertoezichtstelling

7.3.2.

De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [het kind] voor de duur van drie maanden. De Raad heeft aangegeven dat een termijn van drie maanden te kort is. De Raad heeft echter niet de bevoegdheid om het verlengingsverzoek over te nemen zolang de GI dit verzoek zelf doet. Toch weegt de rechtbank het standpunt van de Raad mee. Daarom vraagt de rechtbank aan de Raad of hij actiever dan gebruikelijk zicht wil houden op de termijn van deze ondertoezichtstelling en het eventuele verlengingsverzoek of het voornemen tot niet-verlenging.

De uithuisplaatsing

7.4.

De rechtbank vindt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. 3 Daarover zijn de betrokkenen het ook eens. De vraag is echter of de plaatsing in het huidige pleeggezin kan worden voortgezet. De moeder heeft verzocht om de uithuisplaatsing van [het kind] ergens anders te bepalen. Hoewel zij niet de wettelijke bevoegdheid heeft om een andere categorie van de machtiging tot uithuisplaatsing te vragen (bijvoorbeeld een gezinshuis), heeft zij wel de bevoegdheid om aan de rechtbank te vragen om de machtiging tot uithuisplaatsing gedeeltelijk in te trekken. 4 Dit kan bijvoorbeeld door een specifiek pleeggezin uit te sluiten van de tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing. 5 De rechtbank wijst dit verzoek van de moeder toe. Hierna legt zij deze beslissing uit.

De voorgeschiedenis met betrekking tot het huidige pleeggezin

7.4.1.

Het huidige pleeggezin is negatief gescreend door WSGV. Entrea Lindenhout (hierna: Entrea) heeft het pleegzorgcontract met de pleegouders in 2024 eenzijdig beëindigd. De rechtbank verwijst naar de brief van Entrea van 21 maart 2024. Daarin staat dat er in 2023 verschillende gesprekken zijn gevoerd tussen Entrea en de pleegouders over een aantal problemen en ernstige zorgen over het functioneren als pleegouders. Ook is de pleegouders daarin aangezegd dat de samenwerking en het pleegzorgcontract door Entrea worden beëindigd, omdat Entrea niet langer de verantwoordelijkheid kan dragen voor de pleegzorgplaatsing van [het kind] . De pleegouders hebben de GI geen toestemming gegeven voor het krijgen van de verslagen over het stopzetten van de pleegzorg vanuit Entrea. De rechtbank merkt daarbij op dat de GI ook niet (kenbaar) gebruik gemaakt heeft van haar informatierecht 6 om die documentatie toch op te vragen bij Entrea. Wel gaf de GI in het verlengingsverzoekschrift van 30 januari 2024 aan dat er volgens haar onvoldoende zorginhoudelijk onderbouwd kon worden of een doorplaatsing wel recht zou doen aan de ontwikkeling van [het kind] gezien zijn hechting bij de pleegouders. Vervolgens heeft de GI ingezet op een crisisinterventie om de samenwerking met de pleegouders te verbeteren en om zicht te krijgen op [het kind] en de pleegouders. Uit het verlengingsverzoekschrift van 13 december 2024 blijkt dat de GI geen zicht heeft gekregen op hoe het in het pleeggezin gaat en dus ook niet op de veiligheid van [het kind] , maar dat WSGV bezig is met de screening van het pleeggezin.

7.4.2.

Op 7 februari 2025 heeft de rechtbank vervolgens een update van de GI ontvangen over [het kind] , waaronder een verslag van het gesprek dat de GI met hem op 4 februari 2025 op school had. In dat gesprek zou [het kind] volgens de GI onder meer hebben aangegeven dat hij het minder goed kan vinden met de pleegvader, omdat de pleegvader snel boos kan worden. [het kind] vertelde dat hij dan soms stevig bij zijn arm/kleding wordt vastgepakt en wordt meegetrokken. Ook zou [het kind] tijdens dat gesprek hebben aangegeven dat hij zijn moeder al lang niet gezien heeft, maar dat hij dit wel heel graag zou willen. De GI heeft de signalen van [het kind] over de boosheid en het vastpakken door de pleegvader met de pleegouders besproken. Volgens de GI begon de pleegvader toen te lachen. De pleegouders ontkennen dat dit gebeurt. Sindsdien heeft de jeugdbeschermer [het kind] niet meer gesproken.

7.4.3.

In de tussenbeschikking van de kinderrechter van 10 februari 2025 zijn de maatregelen met drie maanden verlengd en is de beslissing voor het overige aangehouden. Het doel van die aanhouding was dat de GI bij de volgende zitting meer duidelijkheid kon geven over de pleegzorgscreening door WSGV. Daarnaast moest er van de kinderrechter meer zicht komen op de thuissituatie van [het kind] , eventueel met de inzet van ambulante spoedhulp. De kinderrechter heeft daarbij expliciet aangegeven dat zij van de pleegouders openheid, flexibiliteit en medewerking verwachtte. Ook moest duidelijk worden of de individuele hulpverlening voor [het kind] gestart kon worden, te weten de eerder geadviseerde spel- en traumatherapie.

7.4.4.

Op 18 april 2025 heeft de rechtbank van de GI weer een update ontvangen. De GI benoemt daarin dat WSGV een negatieve pleegzorgscreening heeft afgegeven om dezelfde redenen waarom Entrea de samenwerking met de pleegouders heeft beëindigd. Het gaat daarbij om zorgen over de draagkracht/draaglast van de pleegmoeder en over openheid, eerlijkheid en samenwerking. De GI heeft van WSGV alleen een overdrachtsdocument gekregen waarin het besluit staat. Het uitgebreide adviesverslag heeft de GI niet ontvangen, omdat de pleegouders daar geen toestemming voor gaven. De rechtbank merkt op dat de GI wederom haar informatierecht niet heeft ingezet om dit verslag toch te krijgen. In diezelfde update geeft de GI aan dat zij niet weten hoe het met [het kind] gaat, omdat zij niet meer in gesprek komen met [het kind] en de pleegouders. De in de beschikking uitgesproken verwachting van de kinderrechter dat de pleegouders zouden samenwerken en openheid zouden geven is volgens de GI niet nagekomen. Zowel de speltherapie als traumatherapie waren voor [het kind] ook nog niet gestart, omdat de pleegouders van mening zijn dat dit niet nodig is. Ook wijdt de GI in de update een hele alinea aan het feit dat de pleegouders, in tegenstelling tot het advies, de verwijzing van de huisarts en de toestemming van de gezaghebbende moeder, hun eigen plan trokken met betrekking tot een medische behandeling voor de voeten van [het kind] . Het gesprek daarover aangaan met de pleegouders was volgens de GI niet mogelijk. De GI concludeert dat er weinig is veranderd, dat de zorgen alleen maar zijn toegenomen en dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onwerkbaar is geworden.

7.4.5.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het bericht van de GI op 29 april 2025 schriftelijk gevraagd om nadere toelichting over het resterende verzoek tot verlenging van de maatregelen voor nog negen maanden. De GI heeft vervolgens herhaald dat er geen constructieve samenwerking is ontstaan met de pleegouders. Ook herhaalt zij dat zowel Entrea als WSGV onvoldoende draagkracht bij de pleegouders ziet en dat de jeugdbeschermers niet binnenkomen. De GI concludeert vervolgens dat zij de veiligheid van [het kind] niet kan waarborgen en geen andere mogelijkheid ziet dan een uitplaatsing van [het kind] ergens anders, bijvoorbeeld in een passend gezinshuis. Uit het overdrachtsdocument screening van WSGV gedateerd 20 januari 2025, maar ingediend op 1 mei 2025, komt naar voren dat de pleegouders op de volgende criteria ‘onvoldoende’ scoorden: openheid & duidelijkheid; samenwerken & delen van opvoederschap; veiligheid: het bieden van een veilige leefomgeving aan een pleegkind. De pleegouders hebben daarna het volledige (concept) screeningsrapport van WSGV opgestuurd naar de rechtbank, met daarbij een hoop arceringen en opmerkingen in de kantlijn. De strekking van die opmerkingen is dat er vooral tekortkomingen zijn geweest vanuit de GI.

7.4.6.

In de beschikking van 22 mei 2025 is in rechtsoverweging 6.3. en verder toegelicht waarom de huidige constructie in strijd is met de wet. De rechtbank heeft in die beschikking benadrukt dat zij een laatste kans geeft aan de pleegouders om de situatie weer ten goede te keren en dat zij erop vertrouwt dat de pleegouders en de GI zich volledig zullen inzetten voor het tot stand brengen van een nieuwe samenwerking. De maatregelen zijn door de rechtbank verlengd tot 23 februari 2026.

7.4.7.

Op 8 en 15 december 2025 heeft de rechtbank van de GI een nieuw verlengingsverzoek ontvangen. Daarin staat onder meer dat de jeugdbeschermers [het kind] al langere tijd niet alleen hebben gesproken door conflicten (klachtprocedures) met de pleegouders. Ook stelt de GI dat de zorgen rondom pleegouders groot zijn en sinds de zitting in mei 2025 alleen maar verder zijn toegenomen. De pleegouders geven naar buiten toe aan bereid te zijn tot samenwerking, maar dienen herhaaldelijk klachten in en belemmeren toezicht en besluitvorming. Daarnaast meldt de GI dat de hulpverlening voor [het kind] niet van de grond lijkt te komen doordat de pleegmoeder aangeeft geen ruimte te hebben in haar agenda of de hulpverlening niet passend te vinden.

7.4.8.

Op 3 februari 2026 heeft de GI het verzoek gewijzigd. De GI stelt dat het niet noodzakelijk is dat de maatregelen verlengd worden en dat er alleen nog drie maanden nodig zijn voor het afsluiten van het dossier bij de jeugdbeschermingstafel. In de bijgevoegde aanvraag tot toetsing van de kernbeslissing aan de Raad leest de rechtbank dat de GI niets in een nieuwe verlenging van de maatregelen ziet. Verder stelt de GI dat, mochten er al grote zorgen bestaan over het opvoedklimaat binnen het huidige pleeggezin, de maatregel daar geen passend instrument voor is, omdat die maatregel zich richt op de ouder met gezag. Ook is de maatregel volgens de GI niet passend, omdat de GI de afgelopen jaren alle tijd heeft gehad om [het kind] elders onder te brengen als de zorgen en onveiligheid te groot bleken en dat is niet gebeurd. Om [het kind] bij het huidige pleeggezin uit te plaatsen doet niemand goed. Er is ook onvoldoende onderbouwing om een dergelijke stap te overwegen, aldus de GI. Volgens de GI zouden de pleegouders zich direct beroepen op hun blokkaderecht. Ter zitting voegt de GI daaraan toe dat zij wél voldoende zicht hebben op [het kind] , omdat er met school is gesproken en er vanuit school of de sportclub geen zorgmeldingen bij Veilig Thuis zijn gedaan.

Conclusie

7.5.

De (ogenschijnlijke plotselinge) verandering in standpunt en toon van de GI verrast de rechtbank. De rechtbank ziet zich geconfronteerd met een GI die de maatregelen niet kan en niet wil uitvoeren, terwijl zij tot 15 december 2025 nog aangaven geen zicht te hebben op [het kind] en grote zorgen over hem hadden. Een halfjaar geleden stelde de GI nog dat zij de veiligheid van [het kind] niet konden waarborgen vanwege de uiterst verstoorde samenwerking met de pleegouders. Sindsdien is er feitelijk weinig veranderd, behalve dat er andere jeugdbeschermers vanuit de GI betrokken zijn. De GI heeft [het kind] nog steeds niet alleen mogen spreken van de pleegouders. Het laatste wat [het kind] vrijelijk tegen de GI heeft gezegd is dat hij soms hardhandig werd aangepakt door zijn pleegvader. Daarbovenop komen de zorgen die al sinds begin 2024 aanwezig zijn over het pleeggezin: het risico op overbelasting, gebrek aan openheid en samenwerking, trekken van een eigen plan ook als het gaat over het nemen van gezagbeslissingen en de afwijzingen van twee pleegzorgorganisaties. Hierin is in de afgelopen periode geen verbetering opgetreden. Daar komt bij dat [het kind] de moeder al heel lang niet meer heeft gezien en dat de noodzakelijke therapie nog steeds niet is opgestart. De rechtbank is daarom van oordeel dat het wettelijk gezien niet verantwoord is om deze pleegzorgplaatsing langer te laten voortduren. De GI is verantwoordelijk voor de veiligheid van de kinderen die op haar verzoek uit huis geplaatst zijn. Op die verantwoordelijkheid is de GI meermaals gewezen. Dat de GI nu stelt dat de maatregel zich enkel richt op de ouder met gezag is voor de rechtbank dan ook niet te volgen. De maatregelen zijn bedoeld om de minderjarige te beschermen. [het kind] is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, niet zijn moeder.

7.5.1.

De pleegouders hebben in mei 2025 een laatste kans gekregen om de samenwerking met de GI te verbeteren. Dit is niet gelukt. De rechtbank zal daarom bepalen dat het huidige pleeggezin wordt uitgesloten van de tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 19 december 2025 volgt in het bijzonder dat het resultaat van de screening en zorgen van de pleegzorgaanbieder over de veiligheid van de minderjarige vanzelfsprekend veel gewicht in de schaal leggen bij het beslissen op een verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat de situatie in het pleeggezin onvoldoende veilig is voor de minderjarige, dan dient zodanig beslist te worden dat de plaatsing in het pleeggezin wordt voorkomen of beëindigd. Dat kan door uitsluiting van dat specifieke pleeggezin, ambtshalve dan wel op verzoek van de ouder met gezag. De rechtbank ziet gelet op de hiervoor beschreven voorgeschiedenis, het gebrek aan voldoende toezicht en daadkracht door de GI en de (onderbouwing van de) negatieve screenings, voldoende aanleiding om die beslissing nu te nemen.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

7.6.

De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing blijft gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat, zolang het gerechtshof niet anders beslist.

8De beslissing

De rechtbank:

8.1.

vervangt de gecertificeerde William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland;

8.2.

verlengt de ondertoezichtstelling van [het kind] , tot 23 mei 2026;

8.3.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg tot 23 mei 2026;

8.4.

bepaalt dat de hiervoor verlengde machtiging niet ten uitvoer mag worden gelegd in het huidige pleeggezin (familie [naam] );

8.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. E.L. de Jongh, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. K. van der Lee, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Vlemmings als griffier en op schrift gesteld op 4 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

5

Zie nader Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948, bijbehorende conclusie van de advocaat-generaal en Kamerstukken II 1992/93, 23003, nr. 3, p. 40-41.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733