Rechtbank Den Haag 27-01-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3912

Essentie (gemaakt door AI)

Machtiging tot uithuisplaatsing in neutraal pleeggezin; ernstig en hardnekkig loyaliteitsconflict bij de minderjarige. De minderjarige lijkt uit wanhoop voor één ouder te kiezen. Moeder handelt niet in het belang van de minderjarige door zorgregeling en schoolgang te frustreren en negatieve beïnvloeding. Zelfstandig verzoek van vader om plaatsing bij hem is niet-ontvankelijk. Bijzondere curator ambtshalve benoemd op grond van art. 1:250 BW. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Datum publicatie10-03-2026
ZaaknummerC/09/696751 / JE RK 25-2197
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW;
Kinderen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Ambtshalve benoeming BC en uithuisplaatsing in neutraal pleeggezin. De minderjarige lijkt uit wanhoop te hebben gekozen voor één van de ouders om uit een hardnekkig loyaliteitsconflict te ontsnappen. Moeder handelt niet in het belang van de minderjarige.

Volledige uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/696751 / JE RK 25-2197

Datum uitspraak: 27 januari 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over

I. een verzoek om het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing

II. een zelfstandig verzoek van de vader

III. ambtshalve benoeming van een bijzondere curator (artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek)

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. A.B. Baumgarten uit Den Haag,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.T.M. Sengers uit Rotterdam.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 december 2025;

  • het verweerschrift van de advocaat van de vader met 8 producties van
    19 januari 2026;

  • het verweerschrift van de advocaat van de moeder van 22 januari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling;

  • de moeder met haar advocaat;

  • de vader met zijn advocaat.

1.3.

De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening over de verzoeken gevraagd. [minderjarige] heeft een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2De feiten

2.1.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

2.2.

[minderjarige] is erkend door de vader.

2.3.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 maart 2026.

2.5.

Deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2025 (rekestnummer FA RK 24-4445 en zaaknummer C/09/668303) een zorgregeling (hierna: de zorgregeling) vastgesteld die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:
- [minderjarige] verblijft in de oneven weken van maandagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader en in de even weken van maandagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de moeder;
- [minderjarige] verblijft bij de vader conform een in die beschikking uitgewerkte vakantie- en feestdagenregeling.

Verder heeft de rechtbank bij voornoemde beschikking de werkzaamheden van de in die procedure benoemde bijzondere curator als beëindigd beschouwd.

2.6.

[minderjarige] woont momenteel bij haar moeder.

3Verzoek van de gecertificeerde instelling en zelfstandig verzoek van de vader

Verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] laat zorgelijke signalen zien die passen bij een ernstig loyaliteitsconflict. De onderlinge relatie tussen de vader en de moeder is ernstig verstoord geraakt en zij beschuldigen elkaar over en weer van verschillende dingen die raken aan met name (het gebrek aan) zorg voor [minderjarige]. [minderjarige] wordt belast met de spanningen tussen de vader en de moeder. Er zijn al langere tijd signalen die erop wijzen dat mogelijk sprake is van emotionele kindermishandeling. [minderjarige] doet belastende uitspraken over haar beide ouders en geeft aan dat zij van hen moet liegen over de andere ouder. De uitspraken van [minderjarige] wisselen voortdurend, waardoor onduidelijk is wat zij als waarheid ervaart. Sinds november 2025 nemen de negatieve uitspraken van [minderjarige] over de vader in heftigheid toe. Zo heeft [minderjarige] onder meer aangegeven dat de vader drugs gebruikt en dat de vader heeft gedreigd om haar en de moeder te vermoorden als [minderjarige] niet voor hem zou liegen. [minderjarige] zegt dat ze zich niet veilig voelt bij de vader en niet meer naar hem toe wil. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling wordt sinds 1 december 2025 niet meer nageleefd en [minderjarige] gaat sindsdien ook niet meer naar school. De gecertificeerde instelling heeft de moeder op 5 december 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven inhoudende dat zij de zorgregeling moet nakomen en [minderjarige] geen onderwijs mag onthouden. Desondanks is het niet gelukt om de moeder in beweging te krijgen. Ook school heeft moeizaam contact met de moeder: de moeder reageert niet consistent en komt afspraken niet na. Hierdoor stagneert de schoolgang van [minderjarige] nog verder. De gecertificeerde instelling heeft overwogen om hulpverlening in de thuissituatie in te zetten, maar dit bleek niet passend. [minderjarige] heeft sinds kort wel een coach. Deze zal de gecertificeerde instelling adviseren welke hulpverlening voor [minderjarige] moet worden opgestart. Het voortduren van de huidige opvoedsituatie vindt de gecertificeerde instelling niet langer in het belang van [minderjarige]. De gecertificeerde instelling krijgt moeilijk grip op het gedrag van [minderjarige] en de schade die zij oploopt door het loyaliteitsconflict waarin zij verkeert. [minderjarige] moet de rust en de ruimte krijgen om passende hulpverlening te kunnen ontvangen. Dit is niet mogelijk zolang zij binnen het netwerk blijft en daarom is een neutrale plaatsing noodzakelijk. Voor de komende periode kan [minderjarige] worden geplaatst in een crisispleeggezin. Vervolgens zal er begeleide omgang met beide ouders worden opgestart. Begeleide omgang is nodig zodat er zicht komt op wat er gebeurt in de relatie tussen [minderjarige] en haar beide ouders. Ook zal de komende weken worden gezocht naar een pleeggezin waar [minderjarige] voor een langere periode terecht kan. Ten slotte is van belang dat beide ouders hulpverlening gaan accepteren en gaan leren om de andere ouder ruimte te geven.

Zelfstandig verzoek van de vader

3.3.

De vader heeft, bij monde van zijn advocaat, een zelfstandig verzoek ingediend en verzocht om het verzoek van de gecertificeerde instelling af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] bij hem wordt geplaatst. Aan dit verzoek heeft de vader onder meer artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek ten grondslag gelegd.

3.4.

De vader motiveert het verzoek als volgt. Er wordt niet voldaan aan het criterium voor een neutrale plaatsing, nu er een alternatief mogelijk is binnen het netwerk. De opvoedsituatie bij de vader is veilig. Uit de tekst van de schriftelijke aanwijzing van 5 december 2025 volgt dat ook de gecertificeerde instelling die mening is toegedaan. Er is dus een minder ingrijpende maatregel voorhanden. Een neutrale plaatsing is ook onevenredig belastend en onevenredig zwaar voor [minderjarige]. De gecertificeerde instelling baseert de noodzaak voor een neutrale plaatsing in belangrijke mate op de zorgelijke uitspraken van [minderjarige]. De vader onderschrijft dat deze uitspraken zorgelijk zijn, maar stelt dat de uitspraken niet op zichzelf moeten worden beschouwd, maar in samenhang moeten worden gezien met de beïnvloeding van [minderjarige] door de moeder en het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] verkeert. De uitspraken zijn een symptoom van de loyaliteitsproblematiek, maar vormen volgens de vader geen betrouwbare aanwijzing dat bij hem daadwerkelijk sprake is van onveiligheid. Een plaatsing bij de vader biedt [minderjarige] de mogelijkheid om buiten de context van beïnvloeding door de moeder te geraken en het zal haar daarnaast rust, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid bieden en ruimte geven om te starten met passende hulpverlening.

4De standpunten

Verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing

4.1.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. Volgens de moeder is een uithuisplaatsing van [minderjarige] niet noodzakelijk. De gecertificeerde instelling heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de verwijten die de moeder worden gemaakt en heeft ook nooit interesse getoond in het verhaal van de moeder. De moeder meent dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat zij omgang met de vader heeft. Ze benadrukt [minderjarige] niet te beïnvloeden en haar niet te belasten met volwassenzaken. De moeder doet niets anders dan [minderjarige] beschermen, dit gaat boven alles, ook boven het naleven van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. [minderjarige] voelt zich onveilig bij de vader en aan [minderjarige]’s wens om niet meer naar de vader gaan, moet de moeder gehoor geven. De moeder is actief op zoek naar een nieuwe school voor [minderjarige] en zij hoopt hier op korte termijn meer duidelijkheid over te krijgen. Tot die tijd geeft zij [minderjarige] thuisonderwijs. De moeder heeft goed contact met de huidige school van [minderjarige]. Het klopt wel dat ze het huiswerk van [minderjarige] nog niet heeft opgehaald, maar dit komt doordat er niemand op school aanwezig was op het moment dat zij daarheen ging. De coach van [minderjarige] is pas kortgeleden gestart. Het is belangrijk dat de coach een kans krijgt als neutrale vertrouwenspersoon op te treden en advies te geven over de situatie voordat er een uithuisplaatsing wordt uitgesproken. Het is ook onwenselijk dat [minderjarige] voor een periode van zes à zeven weken in een crisispleeggezin terechtkomt terwijl het onzeker is tot wanneer ze daar kan blijven en waar ze vervolgens naar toe zal gaan.

4.2.

Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. Dat verweer komt in de kern neer op hetgeen de vader heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn zelfstandig verzoek (zie hiervoor onder 3.4.).

Zelfstandig verzoek van de vader

4.3.

De gecertificeerde instelling acht de plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin in het belang van [minderjarige]. [minderjarige] lijkt in een ernstig loyaliteitsconflict te zijn geraakt en om die reden is het op dit moment niet in haar belang om bij een van de ouders te verblijven.

4.4.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vader. De moeder meent dat een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader niet in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] heeft zorgelijke uitspraken gedaan over de vader en de moeder stelt de veiligheid van [minderjarige] voorop.

5De beoordeling

Verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. 1

5.2.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] is door de vele conflicten tussen haar ouders beschadigd geraakt. Gezien de zorgelijke, steeds wisselende uitspraken over haar beide ouders, verkeert zij al lange tijd in een loyaliteitsconflict. Haar uitspraken over de vader zijn de laatste weken in hevigheid toegenomen. [minderjarige] wil niet meer naar de vader, zo heeft zij de voorzitter van de rechtbank ook kenbaar gemaakt. [minderjarige] heeft daarmee een keuze gemaakt die lijkt te zijn ingegeven door haar wens om uit het loyaliteitsconflict te geraken. Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat de moeder niets doet om verandering te brengen in de situatie waarin [minderjarige] nu zit. De moeder lijkt niet in te zien hoe schadelijk de huidige situatie is voor [minderjarige]. Ook lijkt zij niet in te zien dat haar handelingen, uitspraken en beslissingen - in tegenstelling tot wat zij zelf beweert - strijdig zijn met de belangen van [minderjarige]. De zorgregeling wordt door de moeder niet nagekomen en de schriftelijke aanwijzing die de gecertificeerde instelling haar heeft gegeven om haar tot nakoming te bewegen, heeft geen effect gehad. Daarnaast houdt de moeder [minderjarige] sinds 1 december 2025 weg van school en geeft zij haar, naar zij zegt, thuisonderwijs. Dit alles heeft de moeder niet met de vader en ook niet met de jeugdbeschermers besproken. De moeder heeft [minderjarige] ingeschreven dan wel aangemeld bij een nieuwe school zonder ook dít met de vader en de jeugdbeschermers te overleggen. Ook lijkt de moeder [minderjarige] op een negatieve manier te beïnvloeden. Zo komen de uitspraken die [minderjarige] doet overeen met de uitspraken die de moeder eerder heeft gedaan over de vader en past de taal waarin [minderjarige] deze uitspraken doet veel meer bij het taalgebruik van een volwassene dan bij dat van een tienjarig meisje. Als reden voor dit (bewuste dan wel onbewuste) handelen draagt de moeder aan dat [minderjarige] zich niet veilig voelt bij de vader en zij daarom niet bij hem wil zijn. Omdat de school van [minderjarige] uitvoering wil geven aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, laat zij [minderjarige] niet langer naar school gaan. De moeder belemmert op deze manier de ontwikkeling van [minderjarige] en zorgt ervoor dat het loyaliteitsconflict verder verergert. Dat sprake is van onveiligheid in de thuissituatie van de vader is na herhaaldelijk onderzoek door verschillende instanties niet gebleken. De rechtbank ziet dat de vader juist zijn uiterste best doet voor het weer herleven van de zorgregeling en zich inzet voor de ontwikkeling van [minderjarige].

5.3.

De rechtbank is het eens met de gecertificeerde instelling dat het voortduren van de huidige opvoedsituatie van [minderjarige] niet in haar belang is. Voorkomen moet worden dat zij nog meer beschadigd raakt dan zij op dit moment al is. Aangezien [minderjarige] pas relatief kort geleden kenbaar heeft gemaakt haar vader niet meer te willen zien, ziet de rechtbank nu nog de mogelijkheid om haar uit het loyaliteitsconflict te halen om vervolgens te gaan terugwerken naar de uitvoering van de zorgregeling. Hoewel op geen enkele manier is gebleken dat de situatie bij de vader onveilig is, is het in dit geval, vanwege het hardnekkige loyaliteitsconflict wat ervoor heeft gezorgd dat [minderjarige] klemzit tussen beide ouders, niet in het belang van [minderjarige] om haar bij de vader te plaatsen. De plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin is daarom noodzakelijk. Het is van belang dat [minderjarige] uit haar netwerk wordt gehaald, zodat zij voldoende rust en ruimte gaat ervaren. Vanuit deze neutrale situatie en omgeving kan worden toegewerkt naar het weer uitvoeren van de zorgregeling zoals [minderjarige] destijds onder andere bij de door deze rechtbank benoemde bijzondere curator (zie hiervoor onder 2.5.) heeft aangegeven te wensen.

5.4.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Zelfstandig verzoek van de vader

5.5.

De rechtbank constateert dat de vader alles in het werk stelt om uitvoering te geven aan de zorgregeling. De rechtbank ziet het zelfstandig verzoek van de vader om [minderjarige] bij hem te plaatsen dan ook vooral als een uiting van onmacht: in de kern wil hij, zo begrijpt de rechtbank, dat de zorgregeling weer wordt uitgevoerd. Een verzoek tot uithuisplaatsing - hoewel invoelbaar - kan echter niet door een ouder wordt gedaan en de vader zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.

5.6.

Voor zover het zelfstandig verzoek van de vader (tevens) moet worden opgevat als een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats ingevolge artikel 1:253a, tweede lid, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek, geldt dat dit een familierechtelijk verzoek is waarvoor de vader zich tot de familierechter moet wenden. Ook in dit verzoek zal hij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Benoeming bijzondere curator

5.7.

Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als -in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige- de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.

5.8.

Gelet op de stukken en het besprokene ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in de wet. De rechtbank ziet dat [minderjarige] duidelijk last heeft van de situatie die is ontstaan tussen haar ouders. Er is al langere tijd strijd tussen hen en [minderjarige] is hierdoor klem komen te zitten in een ernstig loyaliteitsconflict. Om [minderjarige] te ondersteunen in de nieuwe situatie (van uithuisplaatsing in een pleeggezin), zal de rechtbank de eerder betrokken bijzondere curator opnieuw benoemen. Deze bijzondere curator is een bekend gezicht voor [minderjarige] en uit het verslag dat zij destijds heeft geschreven, volgt dat [minderjarige] zich bij haar op haar gemak voelde en met haar open kon spreken over haar wensen en gevoelens. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om, vanuit de voor [minderjarige] nieuwe, neutrale situatie, haar wensen en belangen te inventariseren.

5.9.

De rechtbank verzoekt de vader en de moeder om hun telefoonnummer en
e-mailadres zo spoedig mogelijk naar de bijzondere curator te sturen (naar het in de beslissing opgenomen e-mailadres), zodat de bijzondere curator [minderjarige], de vader en de moeder kan uitnodigen voor een eerste gesprek.

5.10.

Mevrouw mr. E.G.S.N. Asselbergs is bereid gevonden om als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd.

5.11.

De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op 2 maart 2026 schriftelijk verslag van haar eerste bevindingen te doen aan de rechtbank, de gecertificeerde instelling en alle belanghebbenden. Voorts verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek in acht te nemen.

6De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 27 januari 2026 tot 17 maart 2026;

6.2.

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn zelfstandige verzoeken;

6.3.

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats]

mevrouw mr. E.G.S.N. Asselbergs, kantoorhoudende aan het adres [adres] ([postcode]) te [plaats], telefoonnummer: 070-7200830, e-mailadres: [e-mailadres];

6.4.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de bijzondere curator toestuurt;

6.5.

verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op 2 maart 2026 schriftelijk verslag van haar eerste bevindingen te doen aan de rechtbank, aan de gecertificeerde instelling, aan de vader en de moeder;

6.6.

bepaalt dat de belanghebbenden hierop, desgewenst, schriftelijk kunnen reageren uiterlijk één week na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de bijzondere curator en aan de andere belanghebbenden te worden toegezonden;

6.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door
mr. C.M. Koole, mr. J.E. Bierling en mr. E.E. Schotte, kinderrechters, in aanwezigheid van
mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 30 januari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733