Essentie (gemaakt door AI)
I. Vaststelling van omgangsregeling ex art. 1:265g BW. II. Verzoek ex art. 1:262b BW. GI verzoekt omgang tussen minderjarige en oma vaderszijde en vervangende toestemming voor contact met familie vaderszijde. Kinderrechter stelt vast dat sprake is van nauwe persoonlijke betrekking en zelfs ‘family life’ met oma en acht regeling noodzakelijk: minimaal wekelijks contact. Moeder wordt niet gevolgd in niet-ontvankelijkheidsverweer; geschil valt onder art. 1:262b BW. Tevens mag minderjarige naar behoefte contact met familie vaderszijde hebben.| Datum publicatie | 05-03-2026 |
| Zaaknummer | C/09/694260 / JE RK 25-1899 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; 1:262b BW Geschillenregeling OTS; 1:265g BW GI-besluit omgang bij OTS |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
I. Vaststelling van omgangsregeling ex artikel 1:265g BWII. Verzoek ex artikel 1:262b BW
Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/694260 / JE RK 25-1899
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter
I. Vaststelling van omgangsregeling ex artikel 1:265g BW
II. Verzoek ex artikel 1:262b BW
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.E. de Vries te Amsterdam.
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
en
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
hierna ook tezamen te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 8 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het verzoek van de gecertificeerde instelling voor een deel aangehouden. Op de zitting kon de vaste jeugdbeschermer niet aanwezig zijn vanwege de weersomstandigheden en de daarmee samenhangende verkeersveiligheid. De moeder en de advocaat van de moeder hebben ingestemd om de zitting te verplaatsen. De behandeling van het verzoek is aangehouden tot deze zitting.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 8 januari 2026;
- het aanvullend verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 19 januari 2026.
Op 22 januari 2026 heeft op een zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden. Op deze zitting is ook het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige] behandeld (geregistreerd onder het kenmerk C/09/694252 / JE RK 25-1897). Op dit laatste verzoek is op 22 januari 2026 een mondelinge uitspraak gedaan (schriftelijk uitgewerkt op 12 februari 2026).
Op de zitting zijn verschenen:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- de pleegouders.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 8 januari 2026.
3De verzoeken
Verzoek tot vaststelling omgangsregeling
De gecertificeerde instelling verzoekt een omgangsregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en zijn oma vaderszijde (hier: oma) op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarnaast verzoekt de gecertificeerde instelling op grond van artikel 1:262b BW een beslissing te nemen op het onderhavige geschil, te weten: voor de duur van de uithuisplaatsing vervangende toestemming te verlenen zodat [de minderjarige] naar behoefte en in afstemming met pleegouders en de gecertificeerde instelling contact mag onderhouden met familieleden van vaderszijde. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek over vaststelling van de omgangsregeling als volgt gemotiveerd. Artikel 1:265g lid 1 BW zegt niet voor welke personen het omgangsrecht met een minderjarige kan worden vastgesteld. Gelet op artikel 1:265g lid 2 BW, dat terugverwijst naar het eerste lid, kan hieronder de met gezag belaste ouder alsmede de omgangsgerechtigde worden verstaan. De categorie omgangsgerechtigden is niet nader bepaald. De rechtbank Limburg heeft op 11 december 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:11772) bepaald dat – analoog aan het bepaalde in artikel 1:377a, BW, een minderjarige, onder meer, een recht op omgang heeft met degenen tot wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat. In beginsel kunnen dat de grootouders zijn. In het concrete geval moet worden bezien of er daadwerkelijk sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarige en de grootouders.
De oma is een belangrijk hechtingsfiguur voor [de minderjarige] . Vanaf [de minderjarige] zijn geboorte tot anderhalf jaar geleden is de oma intensief betrokken geweest in het leven van [de minderjarige] . Sinds het overlijden van [de minderjarige] zijn vader in 2020 staat de relatie tussen [de minderjarige] en zijn moeder onder druk. [de minderjarige] is uiteindelijk in 2024 uit huis geplaatst binnen het netwerk. De vorige jeugdbeschermer was van plan het contact tussen [de minderjarige] en zijn oma stop te zetten zodat gefocust kon worden op het verbeteren van de band tussen de moeder en [de minderjarige] . Hiervoor zijn systeemtherapie, begeleide bezoeken en individuele behandeling ingezet. [de minderjarige] heeft begin dit jaar de keuze gemaakt om te stoppen met de systeemtherapie omdat hier geen stappen in werden gezet. Wel bleef [de minderjarige] de individuele therapie volgen. Ook werden er nog steeds begeleide bezoeken ingezet voor de contactmomenten tussen [de minderjarige] en zijn moeder. [de minderjarige] heeft begin oktober 2025 bij de jeugdbeschermer aangegeven dat hij wilde gaan stoppen met deze contactmomenten. De individuele behandelaar van [de minderjarige] heeft opgemerkt dat [de minderjarige] zijn behoefte aan contact met zijn oma steeds groter wordt. Ondanks het risico dat [de minderjarige] het contact op een gegeven moment stiekem zou kunnen gaan opzoeken geeft [de minderjarige] momenteel aan geen stiekem contact met zijn oma te hebben. [de minderjarige] is bang dat structureel contact met zijn oma dan niet meer wordt goedgekeurd. De moeder moet [de minderjarige] telkens toestemming verlenen voor het contact met zijn oma. [de minderjarige] wenst dat een omgangsregeling wordt vastgelegd door de kinderrechter zodat zijn moeder hem deze toestemming niet meer kan ontzeggen.
Omdat gebleken is dat de oma een belangrijk hechtingsfiguur is, er nog steeds weinig stappen zijn gezet in de onderlinge band tussen [de minderjarige] en zijn moeder en de wens van [de minderjarige] voor contact met zijn oma kan de gecertificeerde instelling er niet meer achterstaan dat er helemaal geen contact is tussen [de minderjarige] en zijn oma. De gecertificeerde instelling is wel van mening dat het contact met de oma in het begin gekaderd moet worden gezien de situatie waarin er sprake is geweest van het geheime verblijf van [de minderjarige] bij zijn oma. Tevens ziet de gecertificeerde instelling ook geen reden om het contact niet te faciliteren. Een vastgestelde omgangsregeling zal [de minderjarige] naar verwachting ook uit een eventueel loyaliteitsconflict tussen zijn moeder en zijn oma halen omdat de beslissing voor hem wordt genomen. De gecertificeerde instelling heeft geen door de rechter toebedeelde regierol in het vormgeven van het contact tussen de oma en [de minderjarige] . Met wie een kind contact heeft, op frequente en/of niet-toevallige basis, is een gezagsbeslissing. De gecertificeerde instelling is van mening dat het toestaan van het contact tussen [de minderjarige] en zijn oma geen beslissing is die hoort tot de dagelijkse zorg en opvoeding van de pleegouders. Het contact tussen [de minderjarige] en zijn oma is al jarenlang een punt van discussie en de moeder geeft hier uitdrukkelijk geen toestemming voor. Om die reden moet het vaststellen van de omgang tussen [de minderjarige] en oma aan de rechtbank worden voorgelegd. Het voorgaande maakt dat de gecertificeerde instelling verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] minimaal één keer in de week contact met zijn oma mag hebben.
Verzoek tot geschillenbeslechting
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek ten aanzien van het geschil als volgt gemotiveerd. Omdat er geen sprake is van ‘family life’ of een nauwe persoonlijke betrekking tussen [de minderjarige] en de familieleden van vaderszijde kan er geen verzoek voor een omgangsregeling worden ingediend op grond van artikel 1:265g lid 1 BW. Daarom verzoekt de gecertificeerde instelling op grond van artikel 1:262b BW, dat [de minderjarige] naar zijn behoefte en in afstemming met pleegouders en de gecertificeerde instelling contact mag onderhouden met familieleden van vaderszijde. [de minderjarige] wenst niet alleen contact met oma te hebben maar ook met andere familieleden van vaderszijde. Het komt regelmatig voor dat [de minderjarige] toestemming moet vragen aan zijn moeder voor het contact en dat deze toestemming wordt geweigerd. [de minderjarige] is zestien jaar en zelf in staat te beoordelen of en met welke familieleden hij contact wil hebben. De gecertificeerde instelling acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij op een ontspannen en spontane manier contact kan hebben met de familie van vaderszijde.
4De standpunten
Standpunt van de moeder over het verzoek tot vaststelling omgangsregeling
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij open staat voor een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn oma. De moeder kan zich echter niet vinden in het verzoek van de gecertificeerde instelling waarbij minimaal één keer per week contact is tussen [de minderjarige] en zijn oma. De moeder is van mening dat een omgangsregeling van maximaal één dagdeel van maximaal twee uur per week zonder overnachting bij oma ruim voldoende is. Op die manier kan [de minderjarige] de band tussen hem en zijn oma vormgeven zonder dat dit ten koste gaat van de band tussen [de minderjarige] en zijn moeder en de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het verzoek van de gecertificeerde instelling laat veel ruimte over voor interpretatie. Een ruime interpretatie kan leiden tot een situatie waarin [de minderjarige] structureel bij zijn oma is terwijl de moeder dit niet in het belang van [de minderjarige] acht. De moeder vreest een toename van [de minderjarige] zijn gedragsproblemen als hij te vaak bij zijn oma is. Daarnaast is de moeder ook bang dat [de minderjarige] het contact met haar helemaal verbreekt op het moment dat hij vaker bij zijn oma is.
Standpunt van de moeder over het verzoek tot geschillenbeslechting
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de gecertificeerde instelling niet-ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:262b BW. De advocaat voert aan dat het verzoek ingediend had moeten worden op grond van artikel 1:265e BW omdat het verzoek een gezag beperkende maatregel is.
5De beoordeling
Beoordeling van het verzoek tot vaststelling omgangsregeling
Op grond van artikel 1:265g, eerste lid, BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling, voor zover hier relevant, een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De kinderrechter overweegt dat artikel 1:265g, eerste lid, BW niet bepaalt ten aanzien van wie het recht op omgang met de minderjarige kan worden vastgesteld. Gelet op artikel 1:265g, tweede lid, BW, dat terugverwijst naar het eerste lid, kunnen daaronder de met gezag belaste ouder als ook “de omgangsgerechtigde” worden begrepen. De categorie omgangsgerechtigden is niet nader bepaald.
De kinderrechter is van oordeel dat - analoog aan het bepaalde in artikel 1:377a BW - een minderjarige, onder meer, een recht op omgang heeft met degenen tot wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat. In beginsel kan dat ook de grootouder zijn. In het concrete geval zal moeten worden bezien of er daadwerkelijk sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarige en de grootouder.
In het onderhavige geval, waar de oma van [de minderjarige] al van jongs af aan betrokken is bij de zorg en opvoeding van [de minderjarige] , [de minderjarige] graag in contact is met zijn oma en [de minderjarige] graag bij zijn oma verblijft, is de kinderrechter van oordeel dat vastgesteld kan worden dat er een nauwe persoonlijke betrekking is tussen [de minderjarige] en zijn oma. In onderhavig geval kan naar het oordeel van de kinderrechter zelfs gesproken worden van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM tussen [de minderjarige] en oma. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kinderrechter een omgangsregeling kan vaststellen tussen de oma en [de minderjarige] .
Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is een regeling over de uitoefening van het recht op omgang tussen de oma en [de minderjarige] vast te stellen. De kinderrechter overweegt dat het verzoek neerkomt op het vastleggen van de wens van [de minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat gezien de onderbouwing van de gecertificeerde instelling en wat daarover ter zitting naar voren is gebracht, het vastleggen van de omgang tussen [de minderjarige] en de oma in het belang van [de minderjarige] is. Immers, voor [de minderjarige] is het, gezien zijn verleden, het verlies van zijn vader en het feit dat hij zich goed en veilig voelt bij zijn oma, van groot belang dat hij weet waar hij aan toe is en hij onbelast contact met zijn oma kan hebben. De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, een omgangsregeling vastleggen tussen de oma en [de minderjarige] waarbij [de minderjarige] minimaal één keer in de week contact heeft met zijn oma.
Beoordeling van het verzoek tot geschillenbeslechting
Ontvankelijkheid van de gecertificeerde instelling
De rechtbank volgt het standpunt van de moeder dat de gecertificeerde instelling niet-ontvankelijk is in haar verzoek niet. Zij is van oordeel dat het hier wel degelijk gaat om een geschil dat onder de reikwijdte van artikel 1:262b BW valt en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 1:262b BW kan een geschil die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft aan de kinderrechter worden voorgelegd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de geschillenregeling in het leven is geroepen om te voorzien in de mogelijkheid om verschillen van mening over de aanpak van problemen die gedurende de uitvoering van de ondertoezichtstelling ontstaan tussen (onder andere) de gecertificeerde instelling en de ouders, aan de kinderrechter voor te kunnen leggen. Blijkens het gestelde in de Memorie van Antwoord (Kamerstukken I 2011/12, 32015) heeft de wetgever met betrekking tot de geschillenregeling verklaard dat hiervan naar verwachting gebruik zal worden gemaakt in die gevallen dat de wet niet in een specifieke procedure voorziet.
De wetgever heeft derhalve niet concreet aangegeven welke gevallen wel of niet onder de geschillenregeling geschaard kunnen worden, zodat het aan de rechtspraak is dit nader in te vullen.
De kinderrechter is van oordeel dat artikel 1:265e BW, zoals aangevoerd door de advocaat van moeder, hiertoe geen mogelijkheid biedt omdat de omstandigheden bepaalt in dat artikel niet in het geval van [de minderjarige] aan de orde zijn. Daarom dient die rechtsingang naar het oordeel van de kinderrechter wel mogelijk te zijn via artikel 1:262b BW.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de gecertificeerde instelling ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter moet een beslissing nemen die in het belang van het kind als wenselijk voorkomt. In onderhavig geval heeft [de minderjarige] zelf de wens uitgesproken om contact te hebben met de familie van vaderszijde. Het contact met deze familie is voor [de minderjarige] belangrijk omdat zijn vader overleden is. Het is niet in zijn belang aldoor toestemming te moeten vragen aan zijn moeder om naar familieaangelegenheden te gaan, te meer omdat de moeder hier vaak voorwaarden aan verbindt. Op grond van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is om naar zijn behoefte contact te kunnen hebben met zijn familie vaderszijde.
De kinderrechter overweegt ten overvloede nog dat [de minderjarige] inmiddels zestien is en naar het oordeel van de kinderrechter is een zestienjarige doorgaans heel goed in staat om zelf een beslissing te nemen over met wie hij om gaat. Daargelaten de gevallen waarin het contact schadelijk zou zijn voor de minderjarige, waarvan in het onderhavige geval in het geheel niet is gebleken.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De kinderrechter heeft een brief geschreven aan [de minderjarige] waarin zij de beslissing toelicht. Deze brief wordt gelijktijdig met de beschikking verzonden. De inhoud ervan luidt als volgt.
Beste [de minderjarige] ,
Op 21 januari 2026 hebben wij elkaar op de rechtbank gesproken. Jij vertelde toen dat jij het naar je zin hebt bij jouw oom en tante maar dat jij het liefst weer bij jouw oma wil wonen. Ook heb jij verteld dat je graag zelf wil weten wanneer jij contact hebt met jouw oma en de familie van jouw vader.
Op 22 januari 2026 heb ik ook gesproken met jouw moeder, haar advocaat, jouw oom en tante en met de jeugdbeschermer. Omdat ik vind dat het heel goed gaat met jou bij jouw oom en tante en omdat zij heel goed voor jou zorgen en jou een veilige en warme plek bieden, heb ik besloten dat jij daar in ieder geval nog een jaar blijft wonen. Ook heb ik de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar, zodat de jeugdbeschermer nog langer betrokken blijft en (onder andere) kan onderzoeken of het in jouw belang is dat jij in de toekomst bij jouw oma gaat wonen, wat jouw grote wens is.
Ook heb ik besloten dat jij en je oma minimaal één keer per week contact hebben met elkaar. En ook dat jij naar jouw eigen behoefte en in overleg met jouw oom en tante en de jeugdbeschermer, contact kunt hebben met de rest van de familie van jouw vaders kant. Ik heb dit besloten omdat ik het belangrijk vind dat jij onbelast contact kunt hebben met de familie van jouw vaders kant en jij niet altijd toestemming hoeft te vragen aan jouw moeder, zodat je je hopelijk vrijer gaat voelen en dit allemaal niet meer in de weg staat in het contact tussen jou en je moeder, zodat jullie in de toekomst hopelijk ook weer kunnen gaan bouwen aan jullie band.
Ik hoop dat ik mijn beslissing op deze manier goed aan je heb uitgelegd. Ik wens jou het allerbeste.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter
6De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt als omgangsregeling tussen grootmoeder (vaderszijde) en [de minderjarige] :
- [de minderjarige] en grootmoeder (vaderszijde) hebben minimaal één keer per week contact;
bepaalt dat [de minderjarige] naar zijn behoefte en in afstemming met pleegouders en de gecertificeerde instelling contact mag onderhouden met familieleden van vaderszijde;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M. de Kleine, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. B. van der Laken als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
