Rechtbank Rotterdam 24-02-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2275

Essentie (gemaakt door AI)

art. 822 Rv toegepast, waarin voorlopige partneralimentatie wordt vastgesteld. Vrouw verzoekt €5.304 per maand; man betwist o.a. wegens opname door vrouw van €61.245 van gezamenlijke spaarrekening en gestelde verdiencapaciteit. Rechtbank ‘denkt’ het spaartegoed weg en acht in deze ordemaatregel geen inkeer op eigen aandeel vereist. Behoeftigheid aangenomen; draagkracht man leidend. Draagkracht berekend op winst uit onderneming €69.834; schuld aan zoon buiten beschouwing. Partnerbijdrage €1.515 p/m vanaf 15-12-2025, geïndexeerd.

Datum publicatie05-03-2026
ZaaknummerC/10/709513 / FA RK 25-8400
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

822 Rv, wel voorlopige partneralimentatie, ondanks opname door vrouw van deel spaargeld

Volledige uitspraak


Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709513 / FA RK 25-8400

Beschikking van 24 februari 2026 over voorlopige voorzieningen

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. M.E. Hoogenraad te Maassluis,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. K. Beumer te Middelharnis.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 3 november 2025;

  • het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 2 februari 2026.

1.2.

Korter dan drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingediend:

  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 6 februari 2026;

  • het bericht met bijlagen van de man van 9 februari 2026.

1.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd.

2De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op 10 juni 2011 met elkaar gehuwd.

2.2.

De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan.

3De beoordeling

3.1.

Nagekomen stukken

3.2.

Van de zijde van de vrouw en van de man zijn op respectievelijk 6 februari 2026 en

9 februari 2026 een aantal stukken ingekomen. De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling aangegeven kennis te hebben genomen van de berichten en beslist de bijlagen buiten beschouwing te laten. Deze bijlagen hadden eerder overgelegd moeten en kunnen worden.

3.3.

Onderhoudsbijdrage

3.3.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man moet bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) met een bedrag van € 5.304,- per maand vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift. Tijdens de mondelinge behandeling is namens de vrouw subsidiair verzocht enige bijdrage vast te stellen met ingang van een termijn van zes weken na indiening verzoekschrift.

3.3.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.3.3.

De rechtbank stelt voorop dat deze procedure is bedoeld voor het treffen van een ordemaatregel en zich niet leent voor een nader feitelijk onderzoek.

3.3.4.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).

Ingangsdatum

3.3.5.

Tussen partijen is in geschil per welke datum de partnerbijdrage moet worden vastgesteld. Op grond van artikel 822 Rv geldt als ingangsdatum de datum van de beschikking tenzij de rechter een eerdere of latere datum vaststelt. De vrouw heeft, gelet op de betwisting door de man, onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval van de hoofdregel moet worden afgeweken. Het primaire verzoek van de vrouw zal dan ook afgewezen worden. Dat zou betekenen dat enige bijdrage vastgesteld zou worden per 24 februari 2026. De rechtbank heeft evenwel geconstateerd dat het plaatsvinden van de mondelinge behandeling uitzonderlijk lang op zich heeft laten wachten. Dat heeft vermoedelijk (ook) te maken gehad met alle verhinderdata van partijen. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden reden om het subsidiaire verzoek van de vrouw toe te wijzen en als ingangsdatum 15 december 2025 te hanteren.

Behoefte

3.3.6.

De vrouw heeft haar behoefte op basis van de Hofnorm, waarbij de vrouw is uitgegaan van een NBI van de man van € 9.768,- per maand, gesteld op € 5.861,- per maand. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft, omdat de vrouw spaartegoeden van partijen ter hoogte van € 61.245,- op 3 augustus 2025 van de gezamenlijke spaarrekening heeft overgeboekt naar haar privérekening. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw voorlopig van dit bedrag geacht moet worden in haar levensonderhoud te voorzien.

3.3.7.

De rechtbank constateert dat het geschil van partijen ziet op het volgende. De man wil het bedrag van € 61.245,- nu verdelen, waartoe de vrouw de helft aan de man dient over te maken. Dan is hij bereid om over partneralimentatie te praten. De vrouw wil juist het bedrag van € 61.245,- nu niet delen maar wel in het kader van de verdeling van de gemeenschap (bedrag op de peildatum). De vrouw stelt dat zij het aandeel van de man (de helft) inmiddels voor haar levensonderhoud heeft verbruikt en dat zij niet hoeft in te teren op haar eigen aandeel in het bedrag. Om die reden maakt zij nu aanspraak op partneralimentatie.

De rechtbank oordeelt als volgt. De man heeft niet aangegeven dat hij in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen zal afzien van de verdeling van het bedrag van € 61.245,- . Hoe verdeling dient plaats te vinden zal in het kader van de echtscheidingsprocedure aan de orde komen, de voorzieningenrechter wil daarop niet vooruit lopen. De man heeft niet betwist dat de vrouw de helft van het bedrag in de periode tussen het feitelijk uiteengaan en het indienen van het verzoek voorlopige voorzieningen (grotendeels) heeft verbruikt. De vrouw hoeft niet in te teren op haar aandeel van dit spaartegoed. Om die reden zal de rechtbank het bedrag van € 61.245,- ‘wegdenken’ in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure en beoordelen of de vrouw aanspraak kan maken op een partnerbijdrage.

3.3.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk van partijen voor de kosten in haar levensonderhoud een bedrag van € 4.000,- per maand van de zakelijke rekening van de man overmaakte naar haar privérekening, alsmede dat de vrouw gemiddeld € 2.200,- per maand aan betalingen verrichte voor haarzelf met de zakelijke creditcard van de man. Gelet hierop en gelet op de (laatste) uitgangspunten van partijen over de in deze procedure in aanmerking te nemen winst uit onderneming van de man (€ 67.000,- bruto per jaar om € 69.834,- bruto per jaar), zal de draagkracht van de man de beperkende factor zijn. Uit proceseconomisch oogpunt ziet de voorzieningenrechter geen meerwaarde in het in deze procedure vaststellen van de behoefte van de vrouw.

Behoeftigheid

3.3.9.

De man voert aan dat de vrouw fysiek in staat is om te werken en dat zij relevante werkervaring heeft in het voeren van een administratie, zodat van de vrouw verwacht mag worden dat zij zich inmiddels heeft ingespannen dan wel zich gaat inspannen om (deels) in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Hij stelt dat aan de vrouw een fictieve verdiencapaciteit van € 5.444,40 bruto per maand kan worden toegerekend.

3.3.10.

De vrouw betwist dit gemotiveerd.

3.3.11.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij geen diploma’s heeft en naast haar minimale administratieve werkzaamheden voor de man nimmer heeft gewerkt zodat zij de verdiencapaciteit die de man haar toedicht, nooit kan halen. De vrouw is geboren in 1972 en krijgt, anders dan de man stelt, medicatie voorgeschreven voor haar psychische en lichamelijke problemen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet te verwachten dat de vrouw op korte termijn geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. De stelling van de man dat de kinderen van de vrouw, die volgens de man wel degelijk bij de vrouw inwonen, een bijdrage aan de vrouw kunnen betalen in de kosten van de huishouding, wordt gepasseerd. De onderhoudsverplichting van de man gaat gelet op artikel 1:392 lid 3 BW voor op de verplichting van de kinderen om in het levensonderhoud van hun moeder te voorzien. Bovendien is het maar de vraag of zij daarmee daadwerkelijk in de behoefte zouden kunnen voorzien, gelet op wat de vrouw gewend was ten laste van de onderneming van de man op te nemen.

Draagkrachtberekening

3.3.12.

De man stelt dat uit zijn draagkrachtberekening volgt dat hij draagkracht heeft voor een partnerbijdrage van € 50,- per maand (gebruteerd).

3.3.13.

De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.

3.3.14.

De vrouw stelde in eerste instantie dat uitgegaan diende te worden van een beschikbare winst van € 200.000,-, gebaseerd op de facturen die man heeft verstuurd in een bepaalde periode. Daarmee gaat de vrouw eraan voorbij, zoals de man terecht heeft opgemerkt, dat omzet niet gelijk is aan winst. De man heeft onderbouwd dat het resultaat het uitgangspunt dient te zijn voor zijn draagkracht. Subsidiair stelt de vrouw dat uitgegaan dient te worden van de winstcijfers zoals deze uit de jaarstukken blijken. De rechtbank zal dit tot uitgangspunt nemen in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure.

Partijen verschillen van mening over welk bedrag als (gemiddelde) winst uit onderneming in aanmerking dient te worden genomen. De man stelt dat de bedrijfsresultaten vanaf 2018 door zijn gezondheidsproblemen structureel minder zijn dan voorafgaand aan 2018, op grond waarvan in deze voorlopige voorzieningenprocedure dient te worden uitgegaan van de huidige situatie, waarbij de man een winst uit onderneming van € 67.000,- reëel vindt. De vrouw stelt dat uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij in 2023 een beschikbare winst uit onderneming had van € 90.573,-, in 2024 van € 58.929,- en in 2025 waarschijnlijk van € 60.000,-. De gemiddelde winst uit onderneming van de afgelopen drie jaar bedraagt dan € 69.834,-. De rechtbank zal laatstgenoemd bedrag in aanmerking nemen, omdat de uitkomst van de berekening van de vrouw meer representatief wordt geacht dan het niet nader gespecificeerde bedrag dat de man als uitgangspunt noemt.

3.3.15.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2025 aan de hand van een winst uit onderneming van € 69.834,- op € 4.202,- per maand.

De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:

- zelfstandigenaftrek van € 1.200,-.

De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 8.717,-.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 2.906,-.

3.3.16.

De man heeft gesteld dat rekening dient te worden gehouden met de geldlening van € 45.000,- die hij op 9 oktober 2025 is aangegaan bij zijn zoon. Hij is deze geldlening aangegaan omdat zijn vorige auto is afgekeurd en hij geen middelen had om een zelfde auto te kopen. De vrouw betwist de schuld. De man heeft niet onderbouwd dat de vorige auto is afgekeurd en dat de kosten voor reparatie te hoog waren. Ook de stukken die door de man te laat zijn overgelegd, onderbouwen dit niet volgens de vrouw. De man heeft ook geen bewijsstukken overgelegd dat de auto daadwerkelijk met geleend geld is gekocht en wat de tenaamstelling is. Het is daarom een vermijdbare last en de man kan zich van de schuld bevrijden met spaargeld, in welk kader de man ook had kunnen vragen om de helft van de door haar opgenomen € 61.245, wat de man niet heeft gedaan. De eerste aflossing is pas in 2026 dus daar hoeft in het kader van de voorlopige voorzieningen geen rekening mee gehouden te worden. Tot slot is de vrouw zeer verbaasd dat de man geld heeft geleend van zijn zoon omdat het tijdens het huwelijk altijd andersom was. Er zou ook nog een lening bij de zoon openstaan, aldus de vrouw.

De rechtbank zal geen rekening houden met de schuld die de man stelt bij zijn zoon te hebben. De vrouw heeft de schuld gemotiveerd betwist en gemotiveerd dat er sprake is van een verwijtbare en vermijdbare last. Het had op de weg van de man gelegen om tijdig met goed leesbare stukken te komen waaruit blijkt van de noodzaak om een nieuwe auto te kopen en van de onmogelijkheid om dit met eigen middelen te doen. Dit alles in het kader van de stelling van de man in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure dat de eerste aflossing in december 2026 van € 15.000,- (€ 1.475,- per maand inclusief rente volgens de man) zwaarder dient te wegen dan enige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

Conclusie

3.3.17.

Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal

€ 2.626,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 1.576,- per maand resteert, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, te weten een bedrag van

€ 946,- per maand (gebruteerd € 1.515,- per maand)

3.3.18.

Derhalve is een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van

€ 1.515,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.

3.3.19.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Omdat de onderhoudsbijdrage in 2026 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat de man met ingang van 15 december 2025 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 1.515,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4.2.

bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2026 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 1.585,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van C. Naujoks, griffier, op 24 februari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733