Gerechtshof Amsterdam 24-02-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:490

Essentie (gemaakt door AI)

Appellant vordert smartengeld van zijn zus wegens onrechtmatig verhinderen van afscheid van moeder tijdens de afscheidsdienst. Het hof oordeelt dat het recht op afscheid onder art. 8 EVRM valt en via art. 6:162 BW kan doorwerken, maar dat in de omstandigheden geen onrechtmatigheid van zus blijkt: spanningen, misverstand, verzoek tot vertrek ter voorkoming van escalatie en beschikbare alternatieve mogelijkheid tot persoonlijk afscheid. Bekrachtiging van afwijzing. Proceskosten in hoger beroep gecompenseerd.

Datum publicatie04-03-2026
Zaaknummer200.353.724/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Uitvaart / asbestemming
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Appellant vordert dat zijn zus wordt veroordeeld tot betaling van smartengeld. Hij legt aan die vordering ten grondslag dat zijn zus hem de mogelijkheid heeft ontnomen afscheid te nemen van hun overleden moeder en dat hij daardoor schade heeft geleden. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.353.724/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11137466 \ CV EXPL 24-1419

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 februari 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [plaats 1] ,

appellant,

incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Maric te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats 2] ,

geïntimeerde,

incidenteel appellante,

advocaat: mr. P.L. Groenveld te Alkmaar.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1De zaak in het kort

In deze zaak vordert [appellant] dat zijn zus [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van smartengeld. [appellant] legt aan die vordering ten grondslag dat [geïntimeerde] hem de mogelijkheid heeft ontnomen afscheid te nemen van hun overleden moeder en dat hij daardoor schade heeft geleden. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.

2Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 7 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 januari 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Zaanstad), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven overeenkomstig de appeldagvaarding, met een productie;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3Feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2.

Partijen zijn broer en zus.

3.3.

De vader van partijen is in 2020 overleden.

3.4.

Partijen hadden in het voor dit geding relevante tijdvak een conflict over een hypotheek waarvoor de vader (bij leven) en de moeder van partijen hadden meegetekend ten gunste van [geïntimeerde] .

3.5.

Op de avond van 11 december 2022 is de situatie tussen partijen geëscaleerd in het bijzijn van moeder, die op dat moment 87 jaar oud was. De politie is erbij gehaald. Vanaf dit incident stond ook de verhouding tussen [appellant] en moeder onder druk.

3.6.

Op 31 maart 2023 is moeder overleden. Moeder had [geïntimeerde] in haar laatste testament aangewezen als uitvaartexecuteur.

3.7.

Na het overlijden van moeder heeft [geïntimeerde] [appellant] een rouwkaart gestuurd, met daarop informatie over de afscheidsdienst en de uitvaart. Uit de rouwkaart bleek dat de afscheidsdienst zou plaatsvinden op maandag 10 april 2023 (Tweede Paasdag) en de crematie in besloten kring de dag daarna.

3.8.

[appellant] is op maandag 10 april 2023 verschenen, maar heeft de kerk vóór afloop van de afscheidsdienst verlaten, op verzoek van de uitvaartverzorger. Dit verzoek is namens [geïntimeerde] gedaan.

4Procedure bij de kantonrechter

4.1.

[appellant] vorderde in eerste aanleg veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 15.000 aan immateriële schadevergoeding, met rente. Samengevat heeft [appellant] aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] hem de mogelijkheid heeft ontnomen om afscheid te nemen van hun moeder, waardoor hij immateriële schade heeft geleden, die [geïntimeerde] moet vergoeden.

4.2.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en daarbij bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5Vordering in hoger beroep

5.1.

De conclusie van [appellant] in principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van € 15.000 met rente, en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

5.2.

De conclusie van [geïntimeerde] in principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen voor zover daarin de vordering van [appellant] tot betaling van € 15.000 met rente is afgewezen, en – uitvoerbaar bij voorraad – [appellant] zal veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

5.3.

De conclusie van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep strekt ertoe dat het hof de proceskostencompensatie zoals door de kantonrechter uitgesproken zal vernietigen, en –

uitvoerbaar bij voorraad – [appellant] zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, met nakosten en rente.

5.4.

De conclusie van [appellant] in incidenteel hoger beroep strekt ertoe dat het hof de proceskostencompensatie zal bekrachtigen, en – uitvoerbaar bij voorraad – [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, althans deze kosten tussen partijen zal compenseren.

6Beoordeling

Principaal hoger beroep

6.1.

[appellant] heeft in principaal hoger beroep zeven grieven gericht tegen het bestreden vonnis, genummerd 1 tot en met 6 en 8.

6.2.

[appellant] legt, in de kern, het volgende aan zijn grieven ten grondslag. [appellant] heeft ernstige immateriële schade geleden doordat hij de kerk vóór afloop van de afscheidsdienst heeft moeten verlaten op verzoek van de uitvaartverzorger, welk verzoek is gedaan namens [geïntimeerde] . Dit verzoek was in strijd met artikel 6:162 BW en met artikel 8 EVRM, dat recht geeft op het uitoefenen van ‘family life’, en daarom onrechtmatig jegens hem. [appellant] is door de publiekelijke weigering ernstig geschaad, psychisch getekend en blijvend geraakt in zijn rouwproces. Ter onderbouwing van zijn emotionele schade wijst [appellant] er (onder meer) op dat hij een hernia heeft.

6.3.

Het hof oordeelt als volgt. Het recht om afscheid te nemen van een overleden ouder is een fundamenteel onderdeel van het in artikel 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Dit mensenrecht kan doorwerken in de verhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] via de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Of [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als bedoeld in artikel 6:162 BW, moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dat verband is het volgende van belang.

6.4.

[geïntimeerde] heeft [appellant] op 3 april 2023, na het overlijden van moeder op 31 maart 2023, een bericht gestuurd en gevraagd naar zijn adres, zodat zij hem een rouwkaart kon sturen. [appellant] heeft daarop geantwoord met zijn adres. [appellant] heeft enige dagen later de rouwkaart ontvangen.

6.5.

De verstandhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] was op dat moment ernstig verstoord na het voorval van 11 december 2022, waarvan een politiedossier is opgemaakt. Anders dan [appellant] meent, mocht hij daarom niet erop vertrouwen dat hij zonder meer welkom was bij de afscheidsdienst. De ontvangst van de rouwkaart, waarop hij met zijn naam ‘ [appellant] ’ als eerste van de twee kinderen werd vermeld, of de daarin in algemene bewoordingen gestelde uitnodiging om de afscheidsdienst bij te wonen, maken dat niet anders. Gegeven de verstoorde familieverhoudingen en in het bijzonder het conflict dat tussen de twee kinderen bestond, had [appellant] dat kunnen navragen bij [geïntimeerde] . [appellant] heeft dat niet gedaan en is zonder vooraankondiging in de kerk verschenen. Het hof gaat ervan uit dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een pijnlijk misverstand is ontstaan over het al dan niet welkom zijn van [appellant] bij de afscheidsdienst. Dit maakt het handelen van [geïntimeerde] echter nog niet onrechtmatig, zoals het hof hierna verder zal toelichten.

6.6.

De aanwezigheid van [appellant] op de eerste rij, voorin in de kerk, bracht [geïntimeerde] van haar stuk. De kantonrechter is ervan uitgegaan dat het verzoek aan [appellant] om de afscheidsdienst te verlaten, dat hem via de uitvaartverzorger heeft bereikt, vooral was gedaan vanuit de vrees van [geïntimeerde] dat de onaangekondigde aanwezigheid van [appellant] een waardige afscheidsdienst in de weg zou staan, gezien de verstandhouding tussen partijen. Ook het hof gaat ervan uit dat het verzoek is gedaan ter voorkoming van (verdere) verstoring dan wel escalatie van de familieverhoudingen. Verder is van belang dat er een alternatieve, zinvolle gelegenheid was voor [appellant] om afscheid te nemen van moeder, zoals hierna zal worden toegelicht. Tegen deze achtergrond kan het verzoek de afscheidsdienst te verlaten, waaraan [appellant] vrijwillig heeft voldaan, niet als onrechtmatig jegens hem worden aangemerkt. Bij dit oordeel heeft het hof mede in ogenschouw genomen dat óók [appellant] – naar eigen zeggen – het in niemands belang en ook niet veilig vond als er ruzie tijdens de afscheidsdienst zou ontstaan (zie nr. 29 inleidende dagvaarding).

6.7.

De stelling dat [geïntimeerde] haar rol als uitvaartexecuteur heeft misbruikt door [appellant] het fundamentele recht op afscheid te ontzeggen, mist ook om de volgende redenen doel.

6.8.

De stelling van [appellant] in nr. 21 van de inleidende dagvaarding dat de begrafenis op dezelfde dag plaatsvond als de afscheidsdienst, is niet juist. Ook zijn stelling dat hij door [geïntimeerde] bewust en met opzet bij de afscheidsdienst voor een voldongen feit werd geplaatst, waardoor hij geen persoonlijk afscheid van moeder heeft kunnen nemen (onder meer nr. 32 memorie van grieven), is niet juist. [geïntimeerde] heeft [appellant] een rouwkaart toegestuurd. Uit de rouwkaart bleek dat de afscheidsdienst op 10 april 2023 zou plaatsvinden en de crematie pas de dag daarna. [appellant] had dus in overleg met [geïntimeerde] een moment kunnen afspreken waarop hij voorafgaand aan de crematie persoonlijk afscheid van moeder kon nemen. [geïntimeerde] heeft naar voren gebracht, en [appellant] heeft onvoldoende betwist, dat [geïntimeerde] aan een dergelijk verzoek haar medewerking zou hebben verleend. [appellant] heeft zijn wens om afscheid te nemen van moeder echter niet aan [geïntimeerde] of de uitvaartverzorger kenbaar gemaakt, ook niet nadat hem was verzocht de kerk vóór afloop van de afscheidsdienst te verlaten. De mogelijkheid om persoonlijk afscheid te nemen van moeder is dáárdoor voorbijgegaan, en niet doordat [geïntimeerde] hem die mogelijkheid heeft ontzegd.

6.9.

Van handelen van [geïntimeerde] in strijd met de ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW is ook anderszins geen sprake. Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] niet gehouden is tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] . Bij een bespreking van de grieven van [appellant] die zijn schade betreffen, bestaat bij deze uitkomst geen voldoende belang. Een bespreking van deze grieven kan namelijk niet alsnog tot toewijzing van zijn vorderingen leiden.

Incidenteel hoger beroep

6.10.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep één grief gericht tegen het bestreden vonnis. [geïntimeerde] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hierover overweegt het hof als volgt.

6.11.

Artikel 237 lid 1 Rv maakt tussen broers en zussen compensatie van proceskosten mogelijk. Deze proceskostencompensatie is in de praktijk van de rechtspraak ook gebruikelijk. Het hof ziet geen reden hiervan in deze zaak af te wijken. De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] een ongegronde althans nodeloze procedure voert omdat [appellant] volgens [geïntimeerde] al veel eerder actie had kunnen ondernemen als hij daadwerkelijk psychisch lijden had ervaren, is daartoe niet voldoende. De stelling dat [appellant] deze procedure enkel is gestart en in hoger beroep heeft vervolgd met het oogmerk [geïntimeerde] dwars te zitten en op kosten te jagen, maakt dat niet anders. Deze stellingen van [geïntimeerde] steunen vooral op een gevoel van [geïntimeerde] , en niet op voldoende concrete feiten of omstandigheden die een proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] zouden kunnen rechtvaardigen.

Slotsom, kosten en bewijsaanbod in principaal en incidenteel hoger beroep

6.12.

Het hoger beroep heeft geen succes zoals uit het voorgaande volgt, niet in principaal hoger beroep en niet in incidenteel hoger beroep.

6.13.

Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

6.14.

De proceskosten worden ook in hoger beroep gecompenseerd.

6.15.

Het hof laat partijen niet toe tot bewijslevering. Hiervoor is redengevend dat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst van de zaak kunnen leiden.

7Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

7.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis;

7.2.

bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen van het hoger beroep;

7.3.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Korsten-Krijnen, M.C. Bosch en J.W. Frieling en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733