Essentie (gemaakt door AI)
Aansprakelijkheid van voormalig advocaat/vertegenwoordiger van de nalatenschap wegens benadeling bij verkoop woning en omgang met auto van de erflater. Het hof oordeelt dat hij zijn inspanningsplicht schendt door verkoop zonder taxatie/marktbenadering en negeren van signalen dat €300.000 te laag is. Schade woning wordt, mede op basis van taxatie mei 2014, op €250.000 bepaald. Voor de auto blijft schade €9.000. Beroep op kwijting in VSO is naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Proceskostenveroordeling van appellant.| Datum publicatie | 03-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.329.343/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Tuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid advocaat; Erfrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid van voormalig advocaat van (de moeder van) de minderjarig erfgename) wegens benadeling van de nalatenschap van de erflater, bestaande uit onder meer een woning en een auto. Bepaling van de waarde van de woning en de auto in het kader van schadevergoeding.Volledige uitspraak
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.329.343/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/579719 / HA ZA 19-940
Arrest van 24 februari 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.Z.D. Nasrullah, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
Mr. [geïntimeerde] q.q., handelend in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [de erflater],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vereffenaar,
advocaat: mr. G.J. van den Adel, kantoorhoudend in Hendrik-Ido-Ambacht,
en
1 [gevoegde partij 1] ,
wonend in [woonplaats] ,
2. [gevoegde partij 2],
wonend in [woonplaats] ,
gevoegde partijen,
advocaat: mr. J. den Hoed, kantoorhoudend in Haarlem.
Het hof noemt partijen hierna respectievelijk, [appellant] en [geïntimeerde] (of: de vereffenaar) en de gevoegde partijen samen [de gevoegde partijen] en afzonderlijk [gevoegde partij 1] (of: de vereffenaar) en [gevoegde partij 2] .
1De zaak in het kort
[gevoegde partij 1] , destijds als kandidaat-notaris in loondienst van [gevoegde partij 2] , is in 2012 benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de heer [de erflater] . De enig erfgename van [de erflater] was destijds minderjarig en werd vertegenwoordigd door haar moeder als haar wettelijk vertegenwoordiger. [appellant] is in 2013 door de moeder ingeschakeld om de erfgename bij te staan in een geschil over de vereffening van de nalatenschap. [appellant] is ook door [gevoegde partij 1] ingeschakeld in het kader van de vereffening van de nalatenschap. [gevoegde partij 1] is in 2018 als vereffenaar ontslagen en de heer [naam] is tot vereffenaar benoemd. [naam] heeft [gevoegde partij 1] , [gevoegde partij 2] en [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade die de nalatenschap volgens hem heeft geleden als gevolg van hun wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen bij de vereffening.
Deze procedure is het hoger beroep van [appellant] (i) tegen de beslissing van de rechtbank dat [appellant] wanprestatie heeft gepleegd en (ii) tegen de veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding. Ook [naam] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank en wel tegen de hoogte van de schadevergoeding. [naam] is inmiddels op eigen verzoek als vereffenaar ontslagen en [geïntimeerde] heeft als opvolgend vereffenaar deze procedure voortgezet.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat [appellant] schadevergoeding moet betalen, omdat hij door zijn handelen de nalatenschap heeft benadeeld. Het hof stelt die schadevergoeding vast op een hoger bedrag dan de rechtbank.
2Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
-
de dagvaarding van 30 mei 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 9 november 2022 (hierna: het tussenvonnis) en 3 mei 2023 (hierna: het eindvonnis);
-
het arrest van dit hof van 25 juli 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
-
de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
-
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [naam] , met bijlagen;
-
de incidentele conclusie tot voeging (ex art. 217 Rv) van [de gevoegde partijen] ;
-
de incidentele antwoordconclusie tot voeging van [naam] ;
-
de incidentele antwoordconclusie tot voeging van [appellant] ;
-
het arrest in het incident van 23 juli 2024, waarbij het hof [de gevoegde partijen] heeft toegestaan zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [naam] ;
-
de memorie van antwoord van [de gevoegde partijen] ;
-
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellant] ,
-
de akte wijziging procespartij van [naam] ;
-
de producties 3-5 die [geïntimeerde] op 16 oktober 2025 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
Op 29 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van [geïntimeerde] en [de gevoegde partijen] hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant] is zonder advocaat maar in persoon ter zitting verschenen en heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen die ook zijn overgelegd. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
[de gevoegde partijen] hebben zelfstandig hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis en het eindvonnis. Op 2 april 2024 is deze zaak (bekend bij het hof onder nummer 200.336.317) op verzoek van partijen doorgehaald.
3Feitelijke achtergrond
Grief 1 in incidenteel hoger beroep stelt (een element van) de feitenvaststelling in eerste aanleg aan de orde. Het hof zal hieronder de feiten opnieuw vaststellen, met inachtneming van deze grief. Er bestaat dus geen belang bij deze grief.
In hoger beroep staat tussen partijen het volgende vast.
Algemeen
De heer [de erflater] (hierna: de erflater) is op 26 mei 2012 als gevolg van een ongeval overleden.
Ten tijde van zijn overlijden was de erflater niet gehuwd of geregistreerd partner. De erflater heeft op enig moment [de erfgename] , geboren op [geboortedatum] te Belem, Brazilië, als zijn dochter erkend. Bij testament van 6 juli 2004 heeft de erflater over zijn nalatenschap beschikt. In een notariële verklaring van erfrecht van 3 oktober 2012 is opgenomen dat [de erfgename] de enig erfgenaam (hierna: de erfgename) is van de erflater. Als minderjarige heeft de erfgename de nalatenschap beneficiair aanvaard. In eerste instantie trad haar moeder, mevrouw [moeder erfgename] (hierna: [moeder erfgename] ), op als haar wettelijk vertegenwoordiger. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2018 is een bijzonder curator benoemd.
[gevoegde partij 1] is bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2012 benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de erflater. [gevoegde partij 1] was de oud-buurman van de moeder van de erflater en ten tijde van zijn benoeming als kandidaat-notaris in loondienst werkzaam bij notaris [gevoegde partij 2] .
Bij notariële akte van 2 januari 2013 is een boedelbeschrijving neergelegd met rekening en verantwoording. De erfgename heeft in de persoon van [moeder erfgename] verzet aangetekend tegen de akte van boedelbeschrijving met rekening en verantwoording en uitdelingslijst. De kantonrechter heeft de uitdelingslijst bij beschikking van 13 juni 2013 aangepast.
In mei 2013 heeft [moeder erfgename] [appellant] als advocaat ingeschakeld om de erfgename bij te staan bij de afwikkeling van een geschil over de vereffening van de nalatenschap.
De woning
Tot de nalatenschap van de erflater behoorde onder meer een onroerende zaak bestaande uit een perceel grond met boerderijwoning, schuren en loods en verdere toebehoren, destijds plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning). Ten tijde van het overlijden van de erflater woonde de erflater in de woning samen met zijn partner, [partner erflater] (hierna. [partner erflater] ). Ook de dochter van [partner erflater] woonde in de woning.
De WOZ-waarde van de woning bedroeg per overlijdensdatum € 600.000,- en per 1 januari 2015 € 618.000,-.
[gevoegde partij 1] en [partner erflater] hebben in oktober 2012 besproken dat [partner erflater] tot 1 januari 2013 om niet in de woning mocht blijven wonen. Ook kreeg ze het recht van eerste koop. Als de woning dan nog niet was verkocht, zouden partijen verder praten.
Bij brief van 18 oktober 2012 heeft [gevoegde partij 2] aan de advocaat van [partner erflater] bevestigd dat [partner erflater] tot 1 januari 2013 mocht proberen de woning namens [gevoegde partij 1] te verkopen, indien gewenst ook aan zichzelf. Ze mocht gratis in de woning blijven wonen. Als verkoop vóór 1 januari 2013 niet was gelukt, zou [partner erflater] op zoek gaan naar andere woonruimte.
Na 1 januari 2013 is [partner erflater] niet (direct) verhuisd.
De nalatenschap beschikte niet over de financiële middelen om de rente voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening te voldoen. In mei 2013 heeft de hypotheekhouder (Rabobank) [gevoegde partij 1] laten weten de lening te moeten opeisen. Bij brief van 7 augustus 2013 heeft Rabobank de hypothecaire lening opgezegd per 8 februari 2014.
Op 6 juni 2013 heeft [gevoegde partij 1] een volmacht gegeven aan [appellant] om [gevoegde partij 1] te vertegenwoordigen in een procedure tegen [partner erflater] tot ontruiming van de woning. [appellant] was op dat moment ook de advocaat van [moeder erfgename] als wettelijk vertegenwoordiger van de erfgename.
Bij dagvaarding van 24 juli 2013 is [partner erflater] een procedure begonnen tegen [gevoegde partij 1] . In reconventie heeft [gevoegde partij 1] een vordering tot ontruiming van de woning ingesteld. De reconventionele vordering is bij vonnis van 16 augustus 2013 afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang. Dit oordeel bleef in hoger beroep in stand.
Bij brief van 8 januari 2014 heeft [gevoegde partij 1] de Rabobank gevraagd om tot executoriale veiling van de woning over te gaan.
Op 11 februari 2014 heeft naar aanleiding van een verzoek van [gevoegde partij 1] om bemiddeling in het geschil met [partner erflater] een zitting voor de kantonrechter Rotterdam plaatsgevonden. Onder andere [appellant] was daarbij aanwezig. [partner erflater] heeft tijdens de zitting toegezegd de woning te zullen verlaten zodra een koper was gevonden.
Op 12 februari 2014 heeft [gevoegde partij 1] aan [appellant] en [moeder erfgename] een volmacht verstrekt om “(…) voor en namens hem, in zijn gemelde hoedanigheid, te verkopen en te leveren, tegen de de gevolmachtigde goeddunkende verkoopprijs: DE BOERDERIJWONING (...)”.
Op 18 februari 2014 heeft een werknemer van [advocatenkantoor] , [werknemer advocatenkantoor] , aan Rabobank gemeld dat een koper een bedrag van € 300.000,- als koopprijs voor de woning wilde voldoen. Bij e-mail van 25 februari 2014 liet [werknemer advocatenkantoor] aan de advocaat van [partner erflater] weten dat er op 27 februari 2014 een bezichtiging van de woning zou plaatsvinden. De advocaat van [partner erflater] heeft die e-mail op 25 februari 2014 aan [gevoegde partij 1] doorgestuurd en vermeld dat het waarschijnlijk de persoon betrof waarvan [werknemer advocatenkantoor] had aangegeven dat die bereid was om € 300.000,- voor de woning te betalen.
De advocaat van [partner erflater] heeft bij brief van 26 februari 2014 aan [werknemer advocatenkantoor] geschreven dat [partner erflater] graag meewerkt aan een correcte afwikkeling van de nalatenschap maar dat zij er aan hecht daarover te communiceren met [gevoegde partij 1] . Zij schrijft verder: “Met name wil zij de hoogst merkwaardige situatie bij de heer [gevoegde partij 1] aankaarten dat er nu kennelijk een potentiële koper is die een bedrag van (slechts) € 300.000,-- voor de woning zou willen betalen, terwijl cliënte de heer [gevoegde partij 1] enkele maanden geleden heeft voorgesteld de woning zelf te kopen voor een aanzienlijk hoger bedrag dan € 300.000,--”. [gevoegde partij 1] heeft op 4 maart 2014 aan de advocaat van [partner erflater] geschreven dat eventuele schade als gevolg van een te lage koopprijs voor rekening van de erfgename komt omdat die, bij een verkoop tegen een te lage waarde, die schade zelf zou hebben veroorzaakt. [gevoegde partij 1] heeft er in zijn e-mail ook op gewezen dat de gevolmachtigden van de erfgename graag hun eigen boontjes willen doppen. Ook heeft hij geschreven dat hij de koopsom niet kan beoordelen omdat de woning kennelijk veel gebreken vertoont en dat toestemming van de kantonrechter niet nodig is, omdat hij als vereffenaar zelf verkoopt.
Op 14 april 2014 heeft [moeder erfgename] als wettelijk vertegenwoordiger van de erfgename een verklaring ondertekend, waarin ze akkoord gaat met de verkoop van de woning voor € 300.000,-.
Op 19 april 2014 heeft [appellant] een koopovereenkomst ondertekend op basis waarvan twee kopers de woning kopen voor een bedrag van € 300.000,-. De woning zou 31 mei 2014 worden geleverd.
Bij exploot van 30 april 2014 kondigde de deurwaarder aan dat de veiling van de woning op 18 juni 2014 zou plaatsvinden.
Op 1 mei 2014 is de woning getaxeerd door [makelaar] in opdracht van Rabobank. In het taxatierapport van 5 mei 2014 staat voor de peildatum 1 mei 2014 een marktwaarde in onverhuurde staat van € 590.000,-, en een executiewaarde tussen € 400.000,- en
€ 415.000,-. Bij onderhandse verkoop onder beperking van de termijn van verkoop tot drie maanden, staat in het taxatierapport een verkoopopbrengst van de woning tussen
€ 550.000,- en € 580.000.-, uitgaande van onverhuurde staat. In verhuurde staat is de marktwaarde van de woning € 425.000,- en de executiewaarde tussen € 295.000,- en € 310.000,-.
[partner erflater] heeft de woning half mei 2014 verlaten.
De woning is op 30 mei 2014 aan de kopers geleverd, waarbij [appellant] namens [gevoegde partij 1] als verkoper optrad.
Bij brief van 6 februari 2015 heeft [gevoegde partij 1] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de gang van zaken rond de koop en levering van de woning.
Op 15 juli 2015 is de woning voor een bedrag van € 630.000,- verkocht aan derden.
De auto
Tot de nalatenschap van erflater behoorde een Toyota Landcruiser (hierna: de auto). Op 2 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam toestemming gegeven voor het leggen van conservatoir beslag op de auto onder [partner erflater] .
[gevoegde partij 1] heeft [appellant] op 16 juli 2013 een machtiging gegeven om de auto op te halen en te doen verkopen. Met ingang van 16 november 2013 was de auto op naam gesteld van de echtgenote van [appellant] .
Op 8 mei 2015 heeft [gevoegde partij 1] de auto verkocht aan een derde voor een koopsom van
€ 6.000,-. [appellant] heeft de koopsom ontvangen en verrekend met een uitstaande declaratie.
De door de koper geconstateerde kilometerstand bleek hoger dan de opgave van [gevoegde partij 1] . De koper heeft [appellant] hierop aangesproken. Per e-mail van 7 mei 2015 heeft [gevoegde partij 1] [appellant] kwijting verleend ten aanzien van de auto.
De vaststellingsovereenkomst
Op 11 augustus 2014 is een vaststellingsovereenkomst getekend tussen onder meer [gevoegde partij 1] , [appellant] en [moeder erfgename] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de erfgename (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Voor het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens de erfgename had in ieder geval [moeder erfgename] een machtiging nodig van de kantonrechter, maar deze heeft zij niet gevraagd.
Doel van de vaststellingsovereenkomst is volgens de considerans dat partijen onder volledige wederzijdse vrijwaring en kwijting de tussen hen gerezen geschillen bij de afhandeling van de nalatenschap willen beëindigen en daarbij gemaakte afspraken schriftelijk willen vastleggen. In artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat [moeder erfgename] en [appellant] afstand doen van tuchtrechtelijke klachten en civiele aanspraken jegens [gevoegde partij 1] en in artikel 4 idem van [gevoegde partij 1] jegens [moeder erfgename] , de erfgename en [appellant] .
Vervolg afhandeling nalatenschap
Op 11 juli 2016 heeft [gevoegde partij 1] opnieuw een uitdelingslijst gedeponeerd. Namens [moeder erfgename] als wettelijk vertegenwoordiger van de erfgename is een verzetschrift tegen de uitdelingslijst ingediend. Dat verzet is gegrond verklaard bij beschikking van 19 januari 2018. De kantonrechter heeft geconstateerd dat zich veel onregelmatigheden dan wel merkwaardigheden bij de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater hebben voorgedaan. In het hoger beroep tegen deze beschikking is onder meer [gevoegde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2018 is [gevoegde partij 1] ontslagen als vereffenaar en is de heer [naam] (hierna: [naam] , of: de vereffenaar) benoemd tot nieuwe vereffenaar. Reden voor het ontslag was dat [gevoegde partij 1] volgens de rechtbank Rotterdam in ieder geval de schijn heeft gewekt dat hij niet heeft gehandeld zoals een redelijk en bekwaam vereffenaar dat behoort te doen.
De nalatenschap van de erflater was uiteindelijk ontoereikend om een vordering van de Belastingdienst ter hoogte van € 30.000,- te voldoen.
Na de ontheffing uit zijn functie heeft [gevoegde partij 1] op verzoek van [naam] een overzicht opgesteld ter afwikkeling van de nalatenschap tevens rekening en verantwoording in de zin van artikel 4:207 BW, gedateerd 7 januari 2019.
Bij beschikking d.d. 13 september 2024 van de Rechtbank Rotterdam is [naam] op eigen verzoek ontslagen als vereffenaar van de nalatenschap van de erflater en is [geïntimeerde] als vereffenaar benoemd.
4Procedure bij de rechtbank
[naam] heeft onder meer [gevoegde partij 1] , [gevoegde partij 2] en [appellant] gedagvaard. Tegen [appellant] is, na wijziging van eis, samengevat en zakelijk weergegeven, gevorderd (i) voor recht te verklaren dat hij jegens [naam] , althans jegens de gezamenlijke crediteuren en de erfgename van de nalatenschap van de erflater, onrechtmatig heeft gehandeld en/of wanprestatie heeft gepleegd en (ii) hem te veroordelen tot betaling van (a) een (voorschot op de) schadevergoeding tot een bedrag van € 300.000,- en (b) een schadevergoeding nader op te maken bij staat. Tegen [de gevoegde partijen] is, na wijziging van eis, gevorderd, voor zover hier van belang en verkort weergegeven, een verklaring voor recht dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens de nalatenschap. Daarnaast is gevorderd een veroordeling tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat.
Bij het eindvonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [appellant] en [gevoegde partij 1] jegens de vereffenaar, althans jegens de gezamenlijke crediteuren en de erfgename van de nalatenschap van de erflater, onrechtmatig hebben gehandeld en dat [appellant] daarnaast wanprestatie heeft gepleegd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [gevoegde partij 2] voor het onrechtmatig handelen van [gevoegde partij 1] hoofdelijk aansprakelijk is en dat [appellant] en [de gevoegde partijen] de schade moeten vergoeden. De rechtbank heeft [de gevoegde partijen] en [appellant] verder onder meer hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de vereffenaar van € 150.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, en [appellant] daarnaast veroordeeld tot betaling aan de vereffenaar van € 9.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. [de gevoegde partijen] en [appellant] zijn door de rechtbank ook hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de vereffenaar.
De rechtbank heeft aan dat oordeel, kort samengevat en voor zover relevant in hoger beroep, het volgende ten grondslag gelegd.
-
[appellant] trad op als advocaat voor de nalatenschap. In die hoedanigheid heeft hij onrechtmatig jegens de nalatenschap gehandeld en is daarmee niet als redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot opgetreden (r.o. 4.43 van het tussenvonnis);
-
[appellant] wist of had in ieder geval moeten weten dat de WOZ-waarde van de woning € 600.000,- bedroeg. [appellant] had daarom moeten begrijpen (i) dat het bod van € 300.000,- te laag was en (ii) dat hij de nalatenschap (en dus de erfgename) zou benadelen als hij dat bod zou aanvaarden, wat hij desalniettemin heeft gedaan. [appellant] had zijn eigen verantwoordelijkheid. Hij heeft nagelaten de woning te laten taxeren of het bod ter goedkeuring voor te leggen aan [gevoegde partij 1] als vereffenaar (r.o. 4.45 van het tussenvonnis);
-
De door [appellant] te betalen schadevergoeding voor de woning is € 150.000,- (het verschil tussen de koopprijs van € 450.000,- die [partner erflater] voor de woning wilde betalen en de verkoopprijs van € 300.000,-). De woning moest op korte termijn worden verkocht, omdat er geen middelen waren om de hypothecaire lasten van de woning te voldoen en executoriale verkoop van de woning dreigde. Dit alles in aanmerking genomen, ligt het niet voor de hand om aan de woning een hogere waarde dan € 450.000,- toe te kennen (r.o. 2.33 van het eindvonnis);
-
[appellant] heeft evident onrechtmatig gehandeld jegens de nalatenschap door de auto op naam van zijn echtgenote te zetten (die er vervolgens twintig maanden in gereden heeft). De waarde van de auto was, toen [appellant] de beschikking daarover kreeg,
€ 15.000,- en de auto is verkocht voor € 6.000,-. De schade bedraagt € 9.000,- (r.o. 2.35 van het eindvonnis).
5Vorderingen in hoger beroep
[appellant] vordert dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst. [appellant] voert daartoe verschillende grieven aan tegen het tussenvonnis en het eindvonnis. Kort gezegd zien de bezwaren van [appellant] op de juridische kwalificatie van zijn handelen en de hoogte van de schadevergoeding.
[geïntimeerde] is het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding die voor de woning is vastgesteld. [geïntimeerde] vordert daarom in incidenteel hoger beroep, kort gezegd, dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 290.000,- aan schadevergoeding.
6Beoordeling in hoger beroep
De grieven in het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Wijziging procespartij
Tegen de akte wijziging procespartij van [naam] zijn geen bezwaren geuit. [geïntimeerde] is daarom in de plaats getreden van [naam] en in de kop van dit arrest opgenomen.
Wijziging vordering?
Het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] met zijn vordering in het incidenteel hoger beroep (de grondslag van) zijn vordering (ongeoorloofd) heeft gewijzigd, wordt gepasseerd.
De rechtbank heeft [appellant] en [de gevoegde partijen] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. [geïntimeerde] vordert in incidenteel hoger beroep dat alleen [appellant] tot betaling van (een hoger bedrag aan) schade wordt veroordeeld. Dit is het gevolg van de omstandigheid dat [appellant] enerzijds en [de gevoegde partijen] anderzijds afzonderlijk hoger beroep hebben ingesteld tegen de hoofdelijke veroordeling door de rechtbank. Het handelen van [de gevoegde partijen] staat in dit hoger beroep dus niet ter beoordeling en daarom kan [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep ook geen hoofdelijke veroordeling van [appellant] en [de gevoegde partijen] vorderen.
Aansprakelijkheid [appellant]
komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij aansprakelijk is voor de gang van zaken rondom de woning en de auto.
[appellant] handelde ten behoeve van de nalatenschap via de volmachten die hem door [gevoegde partij 1] waren verleend om de woning en de auto te verkopen. [appellant] moet zich dus in relatie tot de nalatenschap als redelijk handelend en bekwaam vertegenwoordiger gedragen.
De woning (grief 1 van het principaal hoger beroep)
Als vertegenwoordiger van de nalatenschap moest [appellant] zich inspannen om voor de woning een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst te realiseren. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet voldaan aan de op hem rustende inspanningsplicht. Daartoe geldt het volgende.
[appellant] was advocaat en geen makelaar in onroerende zaken. Hij heeft niet gesteld dat hij desondanks beschikte over voldoende kennis van de markt en kunde om woningen te verkopen. Tegen die achtergrond kon van hem worden verwacht dat hij (een) derde(n) zou inschakelen voor die aspecten van de woningverkoop waarvoor hij de kennis en kunde miste. [appellant] heeft de woning echter verkocht zonder tussenkomst van een makelaar, zonder de woning op de markt te (laten) brengen en zonder de woning vooraf te laten taxeren. In zoverre heeft [appellant] niet gedaan wat van hem als redelijk handelend en redelijk bekwaam vertegenwoordiger kon worden verwacht.
[appellant] heeft de woning op 19 april 2014 voor € 300.000,- verkocht. [appellant] was bekend met de WOZ-waarde van de woning of had daarvan als vertegenwoordiger van de nalatenschap en de erfgename op de hoogte moeten zijn. De WOZ-waarde van de woning was met € 600.000,- per overlijdensdatum van de erflater, dus tweemaal zo hoog als de verkoopprijs van de woning. Dit is een duidelijke aanwijzing dat een verkoopprijs van € 300.000,- te laag was.
Voorts was [partner erflater] enkele maanden daarvoor kennelijk bereid om aanzienlijk meer voor de woning te betalen. De advocaat van [partner erflater] heeft dit op 26 februari 2014 – dus nadat er al een bod van € 300.000,- op de woning bij [appellant] bekend was – aan de kantoorgenoot van [appellant] , [werknemer advocatenkantoor] , laten weten, overigens zonder daarbij een concreet bedrag te noemen. De wetenschap dat de woning mogelijk voor aanzienlijk méér dan € 300.000,- kon worden verkocht, moet aan [appellant] worden toegerekend. [werknemer advocatenkantoor] werkte immers voor (het kantoor van) [appellant] en handelde in dit dossier namens en onder verantwoordelijkheid van [appellant] (zie hierna nog 6.15 e.v.).
Het bericht van de advocaat van [partner erflater] van 26 februari 2014 had voor [appellant] dus op z’n minst een signaal moeten zijn dat de door de (uiteindelijke) kopers op of rondom 18 februari 2014 geboden prijs van € 300.000,- te laag was. [appellant] heeft met dit signaal echter niet (althans niet kenbaar) iets gedaan, terwijl daar wel ruimte voor was. Duidelijk was dat Rabobank de opgezegde hypothecaire lening via executie van de woning zou opeisen, maar pas op 30 april 2014 werd bij exploot aangekondigd dat deze executie op 18 juni 2014 zou plaatsvinden. Er was op 26 februari 2014 dus geen noodzaak voor een snelle verkoop vanwege een aangekondigde executie.
Van [appellant] had verwacht mogen worden dat hij de woning op de markt zou hebben gebracht en had afgewacht of de woning méér zou opbrengen dan € 300.000,-. [appellant] heeft dat niet gedaan en de verkoop van de woning onnodig snel afgewikkeld. [gevoegde partij 1] heeft op 12 februari 2014 aan [appellant] (en [moeder erfgename] ) de volmacht tot verkoop van de woning verleend. Nog geen week later – op 18 februari 2014 – was er een bod van
€ 300.000,- en de koopovereenkomst is op 19 april 2014 voor dat bedrag gesloten.
[appellant] heeft het bod van € 300.000,- daarnaast niet aan [gevoegde partij 1] voorgelegd en evenmin overleg met [gevoegde partij 1] gevoerd over wat in diens ogen een acceptabele verkoopprijs zou zijn (mede gelet op de financiële staat van de nalatenschap, waar op dat moment alleen [gevoegde partij 1] het meest compleet zicht had).
[appellant] heeft de verkoopprijs van € 300.000,- al met al op geen enkele manier getoetst.
[appellant] kan zich er niet met succes op beroepen dat [moeder erfgename] een verklaring heeft ondertekend dat zij namens de erfgename akkoord is met een verkoopprijs van de woning van € 300.000,- (zie 3.21 hiervoor). [appellant] had als advocaat en gevolmachtigde een eigen verantwoordelijkheid ter zake de verkoop van de woning. Voorts heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist (i) dat [moeder erfgename] , gezien haar (gebrekkige) kennis van de Nederlandse taal en de woningmarkt, waar [appellant] zich als haar advocaat van bewust had moeten zijn, niet kon overzien of zij er goed aan deed om de woning voor
€ 300.000,- te (laten) verkopen en (ii) dat [moeder erfgename] enkel handelde op advies van [appellant] als haar advocaat.
De slotsom is dat [appellant] aansprakelijk is jegens de nalatenschap.
De auto (grief 2 van het principaal hoger beroep)
[appellant] heeft (als vertegenwoordiger van de nalatenschap) ook onrechtmatig gehandeld met betrekking tot de (verkoop van de) auto. Ook met betrekking tot de auto moest [appellant] zich inspannen om een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst voor de nalatenschap te realiseren. [appellant] heeft niet aan die verplichting voldaan.
Op het moment dat [appellant] de beschikking kreeg over de auto via het onder [partner erflater] gelegde beslag, had de auto volgens onder meer de aangifte voor de erfbelasting een waarde van € 15.000,-. [appellant] heeft niets gedaan om de auto op korte termijn te verkopen om te proberen deze waarde te realiseren. In plaats daarvan is de auto op naam van de echtgenote van [appellant] gezet en is ruim twintig maanden met de auto gereden. Tegen de tijd dat [gevoegde partij 1] de auto verkocht voor € 6.000,-, was de auto logischerwijs enkel al door tijdsverloop en het gebruik in waarde gedaald.
[appellant] is dus ook voor dit handelen aansprakelijk jegens de nalatenschap.
Vaststellingsovereenkomst (grief 3 van het principaal hoger beroep)
[appellant] stelt dat hij hoe dan ook niet aansprakelijk kan worden gesteld door de nalatenschap. Hij beroept zich daartoe op de kwijting die is verleend in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst.
Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft [appellant] in hoge mate onzorgvuldig gehandeld bij de verkoop van de woning en de auto. [appellant] heeft door zijn handelen de nalatenschap ernstig benadeeld. De nalatenschap was uiteindelijk onvoldoende om een schuld aan de Belastingdienst te kunnen voldoen. Gezien de zwaarte van de fouten van [appellant] bij de verkoop van de woning en de auto is het naar het oordeel van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [appellant] zich beroept op de in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst aan hem verleende kwijting.
Gelet op dit oordeel behoeft de vraag of [geïntimeerde] , als opvolgend vereffenaar die geen partij is bij de vaststellingsovereenkomst, de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde kwijting van [appellant] tegen zich heeft te laten gelden, op dit moment geen bespreking.
Rol [werknemer advocatenkantoor] (grieven 1 en 4 van het principaal hoger beroep)
[appellant] voert ook aan dat hij niet aansprakelijk is, omdat niet hij maar zijn kantoorgenoot [werknemer advocatenkantoor] aansprakelijk is. [appellant] kan echter niet aan aansprakelijkheid ontkomen door te wijzen naar (het handelen van) [werknemer advocatenkantoor] . [appellant] was steeds eindverantwoordelijk. Daartoe geldt het volgende.
[appellant] heeft de opdrachtbevestiging om op te treden als advocaat voor de erfgename op eigen naam aan [moeder erfgename] verstuurd. Bovendien staat [appellant] in brieven die hij zelf heeft verzonden in het dossier van [moeder erfgename] , vermeld als behandelend advocaat. [appellant] was dus in ieder geval op papier de behandelend advocaat in het dossier en daarmee eindverantwoordelijk.
De volmachten om de woning en de auto te verkopen zijn op naam van [appellant] persoonlijk gesteld. [gevoegde partij 1] heeft [appellant] ook persoonlijk voor de nalatenschap als advocaat ingeschakeld (zie 3.18 hierboven). [appellant] was dus ook voor deze specifieke opdrachten eindverantwoordelijk. [appellant] is de koopovereenkomst voor de woning van 19 april 2024 aangegaan als gevolmachtigde van de vereffenaar en ook bij de levering van de woning op 30 mei 2014 was [appellant] gevolmachtigde van de vereffenaar (3.26 hierboven). Daaruit volgt dat [appellant] belangrijke handelingen en transacties zelf verrichtte.
Op het moment dat het kantoor van [appellant] de opdracht van [moeder erfgename] heeft aangenomen, was [werknemer advocatenkantoor] voor het kantoor van [appellant] werkzaam als jurist. [werknemer advocatenkantoor] was ten tijde van de verkoop van de woning en de auto werkzaam als (beginnend) advocaat-stagiair bij het kantoor van [appellant] . Daarmee heeft in beginsel te gelden dat [werknemer advocatenkantoor] onder verantwoordelijkheid van [appellant] als behandelend advocaat en vertegenwoordiger werkzaamheden heeft verricht in het dossier van [moeder erfgename] en ten behoeve van de verkoop van de woning en de auto.
Dat [werknemer advocatenkantoor] ook daadwerkelijk in opdracht en in naam van [appellant] zijn werkzaamheden verrichtte, blijkt uit de ondertekening van de correspondentie die [werknemer advocatenkantoor] verzond (steeds: “[appellant] Namens deze, [werknemer advocatenkantoor]”). Zoals in 6.15.2 overwogen, was [appellant] bij de belangrijke handelingen en transacties zelf betrokken. Dit vormt een aanwijzing dat de werkzaamheden die [werknemer advocatenkantoor] verrichtte en de rol van [werknemer advocatenkantoor] (veel) beperkter zijn dan [appellant] wil doen voorkomen. Daarbij komt ook nog dat [appellant] in een e-mail aan [werknemer advocatenkantoor] van 19 maart 2019, naar aanleiding van deze procedure, heeft geschreven: “Je hebt onder mijn verantwoordelijkheid gewerkt.”.
Dat [appellant] nu het standpunt inneemt dat hij niet aansprakelijk is, omdat [werknemer advocatenkantoor] de werkzaamheden heeft verricht, is niet met al het voorgaande te rijmen. Bovendien geldt dat, voor zover de tekortkoming niet aan de schuld van [appellant] maar aan die van [werknemer advocatenkantoor] te wijten zou zijn, hij aansprakelijk is voor gedragingen van [werknemer advocatenkantoor] (artikel 6:76 BW) .
[appellant] moet dus – los van de verantwoordelijkheid van [werknemer advocatenkantoor] voor zijn eigen handelen – de schade die is veroorzaakt doordat hij nalatenschap heeft benadeeld, vergoeden. Gelet daarop doet het er niet toe dat de vorderingen die oorspronkelijk ook zijn ingesteld tegen [werknemer advocatenkantoor] , in loop van de procedure de eerste aanleg zijn ingetrokken.
Schade
Hierna gaat het hof in op de hoogte van de schade.
De woning (grief 1 van het principaal hoger beroep en grieven 2-4 van het incidenteel hoger beroep)
Zowel [appellant] als [geïntimeerde] komen op tegen de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de schade door het nalaten van [appellant] bij de verkoop van de woning. De rechtbank heeft de schade vastgesteld op € 150.000,-, waarbij een bod op de woning van [partner erflater] van € 450.000,- tot uitgangspunt is genomen. Volgens het hof kan dit bod bij het bepalen van de schade echter niet als uitgangspunt gelden. Het hof heeft namelijk niet kunnen vaststellen dat [partner erflater] op enig moment een bod van € 450.000,- op de woning heeft uitgebracht. De e-mail van 17 april van 2020 van [partner erflater] aan [naam] waarin [partner erflater] meldt dat zij “het bod van 450.000” heeft uitgebracht bij [gevoegde partij 1] via haar zwager is onvoldoende. Uit dat bericht kan immers niet worden afgeleid dat het bod daadwerkelijk bij [gevoegde partij 1] is terecht gekomen en/of dat het bod namens [partner erflater] is gedaan. De advocaat van [partner erflater] heeft bij bericht van 26 februari 2014 aan [appellant] ( [werknemer advocatenkantoor] ) laten weten dat [partner erflater] bereid was om aanzienlijk méér dan € 300.000,- voor de woning te betalen. In dat bericht wordt echter geen concreet bedrag genoemd. Dit is ook onvoldoende om te kunnen aannemen dat [partner erflater] een bod van € 450.000,- op de woning heeft uitgebracht.
Vast staat dat de WOZ-waarde van de woning ten tijde van het overlijden van de erflater € 600.000,- was en dat de woning op 15 juli 2015 (ongeveer een jaar na de levering op 30 juni 2014) is verkocht aan derden voor € 630.000,- (zie 3.28 hiervoor). Bij die verkoopprijs kan niet zonder meer worden aangeknoopt, omdat niet kan worden vastgesteld in welke mate de woning is gewijzigd in de periode tussen 30 mei 2014 en 15 juli 2015. Het hof ziet in de WOZ-waarde en het bedrag van € 630.000,- wel een aanwijzing dat de verkoopwaarde van de woning medio 2014 hoger moet zijn geweest dan € 450.000,-.
De woning is op 1 mei 2014 getaxeerd door [makelaar] in opdracht van Rabobank. Volgens het taxatierapport van 5 mei 2014 gaat het om een geveltaxatie van de woning. Uit het taxatierapport blijkt echter dat [makelaar] de woning eerder, op 14 augustus 2013, ook van binnen heeft bekeken en dat die bevindingen zijn meegenomen bij het opstellen van het taxatierapport van 5 mei 2014. Daarmee biedt het taxatierapport naar het oordeel van het hof een betrouwbare inschatting van de verkoopwaarde van de woning medio 2014.
Bij het bepalen van de verkoopwaarde van de woning moet worden uitgegaan van de woning in onverhuurde staat. [partner erflater] en haar dochter woonden weliswaar in de woning sinds het overlijden van de erflater, maar op 11 februari 2014 heeft [partner erflater] ter zitting bij de kantonrechter toegezegd dat zij uit de woning zou vertrekken op het moment dat er een koper zou zijn gevonden. Op die toezegging mocht worden vertrouwd, omdat [partner erflater] zonder recht of titel in de woning verbleef. Een vordering tot ontruiming zou (medio 2014) grote kans van slagen hebben gehad. Een eerdere ontruimingsvordering is weliswaar op 16 augustus 2013 afgewezen (zie 3.15 hiervoor), maar dit was omdat de woning op het moment van beoordeling nog niet te koop stond. Ook in artikel 16 lid 1 van het koopcontract van 19 april 2014 staat dat de woning leeg zou worden opgeleverd. Dit is uiteindelijk ook gebeurd.
Het hof schat de verkoopwaarde van de woning op de in het rapport genoemde minimumwaarde bij verkoop van de woning binnen drie maanden (€ 550.000,-). Het verschil tussen die waarde en het bedrag waarvoor de woning is verkocht (€ 300.000,-), bedraagt daarmee € 250.000,- en dat is dan ook het bedrag waarop het hof de schade voor de woning schat.
De auto (grief 2 van het principaal hoger beroep)
[appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de waarde van de auto, toen hij daar de beschikking over kreeg, minstens € 15.000,- was. [appellant] heeft ook onvoldoende onderbouwd dat hij kosten had moeten maken voor de auto als die direct verkocht zou zijn. De auto is verkocht voor € 6.000,-. Het hof schat de schade voor de auto daarmee, net als de rechtbank, op € 9.000,-.
Hoor en wederhoor en bewijsaanbod (grief 5 van het principaal hoger beroep)
[appellant] heeft geen belang bij zijn betoog dat hij in eerste aanleg niet in staat is gesteld afdoende verweer te voeren, nu hij, voor zover dat het geval is geweest, dat in hoger beroep heeft kunnen herstellen.
Het aanbod van [appellant] tot het leveren van bewijs of tegenbewijs door getuigen wordt gepasseerd. De stellingen van [appellant] zijn onvoldoende concreet en zijn verweer is onvoldoende onderbouwd. Ook is het aanbod niet relevant, omdat het, indien dat wat [appellant] aanbiedt te bewijzen ook bewezen wordt geacht, niet tot een ander oordeel leidt.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van [appellant] niet slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] terecht is ingesteld.
Het hof zal het eindvonnis vernietigen, enkel voor wat betreft de door [appellant] te betalen schadevergoeding voor de woning en [appellant] veroordelen tot het betalen van een hogere schadevergoeding.
Het hof zal [appellant] in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. Het hof heeft in het arrest in het voegingsincident van 23 juli 2024 de beslissing over de proceskosten aangehouden tot de hoofdzaak. Nu het hof [de gevoegde partijen] heeft toegestaan zich te voegen aan de zijde van [naam] , zal het hof [appellant] als de in het incident in het ongelijk gestelde partij ook veroordelen in de kosten van het incident. Omdat de incidentele conclusie van antwoord alleen een referte inhoudt, zal het hof daarvoor geen salaris toewijzen.
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 1.780,-
salaris advocaat €16.098,- (3 punten × € 3.797,- (tarief V) + 2 punten × € 2.353,50 (de helft van tarief VI))
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal €18.067,-
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [de gevoegde partijen] op:
griffierecht € 1.780,-
salaris advocaat € 8.884,- (1 punt × € 1.290,- (tarief II) + 2 punten × € 3.797,- (tarief V))
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal €10.853,-
7Beslissing
Het hof:
-
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 november 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
-
vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2023, voor zover [appellant] in 3.4 van het dictum hoofdelijk is veroordeeld tot betaling aan [naam] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de erflater, van
€ 150.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 30 mei 2014 tot de dag van volledige betaling, en, opnieuw rechtdoende; -
veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de erflater, van € 250.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 30 mei 2014 tot de dag van volledige betaling;
-
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
-
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] c.s. begroot op € 18.067,-;
-
bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
-
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [de gevoegde partijen] begroot op € 10.853,-;
-
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J. de Graaf, mr. J.E.H.M. Pinckaers en mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de rolraadsheer, mr. J.E.H.M. Pinckaers.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
