Rechtbank Limburg 10-12-2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:13201

Essentie (gemaakt door AI)

Civiel recht. Bodemzaak. Eindvonnis. Erfrecht. Overige erfrecht. Kinderen van erflater vorderen maatregelen wegens niet-naleving vaststellingsovereenkomst en testamentaire verplichtingen door stiefmoeder/executeur. Rechtbank oordeelt dat zij toerekenbaar tekortschiet in boedelbeschrijving en jaarlijkse informatieplicht art. 3:205 lid 4 BW en dat zonder recht wordt ingeteerd. Vruchtgebruik wordt onder bewind gesteld tot haar overlijden en bewindvoerder benoemd art. 3:221 BW. Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten.

Datum publicatie03-03-2026
ZaaknummerC/03/335024 / HA ZA 24-447
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsMaastricht
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Civiel recht. Bodemzaak. Eindvonnis. Erfrecht. Overige erfrecht.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/335024 / HA ZA 24-447

Vonnis van 10 december 2025

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2. [eiseres sub 2],

te [woonplaats 1] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eiseressen] ,

advocaat: mr. J.J.M. Goltstein,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. Robijns (onttrokken per 12 maart 2024).

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 30 augustus 2024, met producties,

  • de beschikking van de kantonrechter te Maastricht van 5 september 2024 met zaaknummer 11289456 \ EZ VERZ 24-280, waarin is beslist tot verwijzing van de zaak naar de civiele rolzitting van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken in de rechtbank Limburg,

  • de dagvaarding met producties 1 t/m 8,

  • de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 3,

  • het B2-formulier van 12 maart 2024 van de advocaat van [gedaagde] waarbij deze zich onttrekt als advocaat,

  • de daarop volgende rolverwijzing naar 16 april 2025 voor het stellen van een nieuwe advocaat,

  • de brief van de griffie van 16 april 2025 waarin is medegedeeld dat de reeds geplande mondelinge behandeling op 7 augustus 2025 geen doorgang zal vinden,

  • de rolverwijzing naar 30 april 2025 voor uitlating aan de zijde van [eiseressen] over het verdere verloop van de procedure.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Op 9 oktober 2017 is [erflater] (hierna: erflater) overleden, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946 en laatst gewoond hebbende te [woonplaats 1] .

2.2.

Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [gedaagde] , zulks onder het maken van huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van elke gemeenschap, beiden in tweede echt. Zowel erflater als [gedaagde] hebben kinderen uit een eerdere relatie. De (drie) kinderen van erflater zijn de twee eisende partijen, [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ( [eiseressen] ), alsmede [naam dochter] ; de (twee) kinderen van [gedaagde] zijn [naam zoon 1] en [naam zoon 2] .

2.3.

Bij testament van 23 januari 2012, verleden voor [naam notaris] , notaris te [vestigingsplaats] , heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt:

“Ik wijk af van de wettelijke verdeling (…).

Ik benoem tot mijn enig en algeheel erfgenaam mijn partner [ [gedaagde] , toevoeging de rechtbank].

Ik bepaal dat hetgeen mijn partner verkrijgt door mijn partner wordt verkregen bijwege van een tweetrapsmaking (…).” 1

En verder:

“Hetgeen mijn partner uit mijn nalatenschap zal verkrijgen wordt mijn partner voorwaardelijk verkregen/ verkregen bijwege van een tweetraps making (…)

Ik bepaal dat hetgeen mijn partner, hierna ook te noemen: bezwaarde , (…) onverteerd zal hebben nagelaten, ten deel zal vallen aan mijn kinderen, alsmede de kinderen van mijn partner, geboren uit haar eerdere huwelijk met de heer [naam] tezamen en voor gelijke delen, zowel tezamen als afzonderlijk hierna te noemen: verwachter . (…). 2

Voorts zijn onder randnummer 7 onder B een aantal verplichtingen opgenomen voor [gedaagde] als bezwaarde, waaronder de verplichting om binnen een jaar na overlijden van erflater een boedelbeschrijving op te maken en deze ter beschikking te stellen aan voornoemde vijf kinderen als verwachters (B, sub a), en de verplichting het bezwaarde vermogen afzonderlijk te administreren en zoveel mogelijk afzonderlijk te beleggen (B, sub e).

[gedaagde] is tevens benoemd tot executeur.

2.4.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over met name de wijze waarop [gedaagde] uitvoering geeft aan haar verplichtingen uit hoofde van het testament en [eiseressen] informeert over (de bestanddelen van) de nalatenschap. Uiteindelijk heeft dit geschil geleid tot een procedure tussen partijen bij deze rechtbank, gevoerd onder zaaknummer C/03/316474 / HA ZA 23-160. Ter mondelinge behandeling van 5 januari 2024 is die zaak doorgehaald ter rolle, omdat partijen het volgende zijn overeengekomen:

“(…)

Boedelbeschrijving

  1. Via de boekhouder (TP-groep Hoensbroek) zal [gedaagde] aan [eiseressen] nadere informatie verstrekken zodat [eiseressen] kunnen controleren hoe de waarde van de woningen van erflater, de waarde van zijn roerende zaken, saldo van betaal- en spaarrekeningen, hypothecaire schulden tot stand zijn gekomen. Indien de boekhouder niet meer beschikt over bescheiden die zien op de betaal- en spaarrekeningen en de hypothecaire schulden dan zal [gedaagde] de informatie opvragen via de bank.

  2. [gedaagde] zal via de boekhouder informatie verstrekken of erflater op de sterfdatum een vordering had op de huurder (verhuurder woning) ter zake de borg.

  3. [gedaagde] zal een kopie verstrekken via de boekhouder van de IB aangiften van erflater over de jaren 2016 en 2017. Mocht de boekhouder daarover niet meer beschikken dan zal [gedaagde] deze opvragen bij de Belastingdienst.

  4. [eiseressen] zijn inmiddels voldoende geïnformeerd over de omvang van de begrafeniskosten en de hoogte van de uitkering van de begrafenisverzekering bij DELA en hebben geen behoefte aan een nadere specificatie.

Jaarlijkse informatieplicht

  1. [gedaagde] erkent dat op haar een jaarlijkse informatieplicht rust zoals omschreven in artikel 3:205 lid 4 BW en zij is bereid om daaraan jaarlijks, uiterlijk op 30 oktober van ieder jaar, te voldoen en over de verstreken jaren alsnog de opgave te verstrekken. Partijen zullen nog een volmacht opmaken zodat de boekhouder van bevoegd is om de opgave jaarlijks rechtstreeks aan te verstrekken, per adres [adres 1] [plaats] of per e-mail [e-mailadres] .

  2. In het kader van de jaarlijkse informatieplicht zal [gedaagde] vermelden:

  • wat het verloop van het saldo van betaal- en spaarrekeningen van erflater was met onderbouwing van bankafschriften;

  • wat de ontwikkeling is van de hoogte van de hypotheekschulden;

  • wat de opbrengst is van de verkoop van de woningen aan de [adres 2] te [plaats] en de [adres 3] te [plaats] (inclusief notariële afrekening);

  • welk bedrag (onderbouwd met stukken) gefinancierd met eigen vermogen, geïnvesteerd heeft in de woningen van erflater teneinde te kunnen vaststellen welk deel van de overwaarde gerealiseerd is door haar privéinvesteringen en welk deel voortvloeit uit de waardevermeerdering van de woningen van erflater;

3. [gedaagde] zal onderbouwd met documenten toelichten hoe de koopsom van haar huidige woning gefinancierd is (verhouding eigen privégeld en geld nalatenschap).

Artikel B sub k van het testament van erflater

1. [gedaagde] zal [eiseressen] promt schriftelijk en/of per e-mail informeren als en zodra één van de omstandigheden zoals genoemd in artikel B onder k zich voordoet.

Moment verstrekken informatie

1. Vanwege het feit dat [gedaagde] voor informatieverstrekking mede afhankelijk is van derden (bijvoorbeeld boekhouder, banken, Belastingdienst) zal zij uiterlijk 1 juli 2024 de informatie verstrekken (ter zake de boedelbeschrijving en de jaarlijkse opgaven die betrekking hebben op de reeds verstreken jaren vanaf sterfdatum tot en met 2022).

(…).”

3Het geschil

3.1.

[eiseressen] stellen zich kort gezegd op het standpunt dat [gedaagde] zich niet houdt aan de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt en vastgelegd in voormelde vaststellingsovereenkomst, ondanks diverse pogingen van hun kant om [gedaagde] daartoe te bewegen.

3.2.

Mede op grond hiervan vorderen [eiseressen] aan de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] in haar hoedanigheid van erfgenaam en/of executeur de afspraken, zoals gemaakt bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 5 januari 2024 in het geding met zaaknummer C/03/316474 / HA ZA 23-160, niet behoorlijk is nagekomen en deswege toerekenbaar in gebreke is gebleven,

  2. te verklaren voor recht dat [gedaagde] de bepalingen van het testament van erflater structureel negeert en/of veronachtzaamt door zowel de op 5 januari 2024 gemaakte afspraken niet na te komen alsook door opbrengsten van eerder tot de nalatenschap van erflater behorende registergoederen niet te verantwoorden of verborgen te houden,

  3. [gedaagde] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat ex artikel 3:221 lid 1 BW de nalatenschap van erflater onder bewind wordt gesteld en daarover een bewindvoerder wordt benoemd,

  4. een bewindvoerder te benoemen of aan te stellen over het bezwaarde vermogen van erflater, zulks als door de rechtbank in goede justitie te bepalen,

  5. te bepalen dat de kosten van de bewindvoerder voor zover mogelijk ten laste van het bezwaarde vermogen komen,

  6. [gedaagde] in haar hoedanigheid van erfgenaam en/of executeur te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft de inhoud van “conclusie van repliek, oorspronkelijk bedoeld als spreekaantekeningen t.b.v. mondelinge behandeling”, ingediend op de rol van 30 april 2025 voor uitlating aan de zijde van [eiseressen] met betrekking tot het feit dat zich geen nieuwe advocaat meer had gesteld voor [gedaagde] , niet in haar beoordeling betrokken, nu dit stuk abusievelijk is toegelaten.

4.2.

[gedaagde] heeft zich tegen de vordering verweerd door (in algemene zin) te stellen dat zij zich alle moeite getroost om te voldoen aan haar verplichtingen. Zij heeft ter onderbouwing hiervan documenten in het geding gebracht die zij met [eiseressen] heeft gedeeld, zoals (a) de gevraagde IB-aangiftes, (b) de gegevens van de verkochte woningen, (c) de gegevens over de verbouwing van beide woningen voorafgaand aan de verkoop en (d) foto’s van de verbouwing van de woning van [gedaagde] en erflater, uitgevoerd na diens overlijden. [eiseressen] zijn, aldus [gedaagde] , “wel heel snel met het veronderstellen en schetsen dat [gedaagde] geld onttrokken heeft, dan wel een buitensporig uitgavenpatroon heeft gehad.” 3

4.3.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling van de vorderingen voorop dat partijen op

5 januari 2024 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Wat er ook zij van de door [gedaagde] overgelegde stukken (zie hiervoor onder 4.2), niet gebleken is dat [gedaagde] zich daarmee (volledig) houdt of heeft gehouden aan de afspraken die in voormelde vaststellingsovereenkomst in detail zijn gemaakt. Die afspraken zien met name op een door [gedaagde] op te maken boedelbeschrijving die een gedetailleerd overzicht van alle bezittingen (activa) en schulden (passiva) geeft en op de op haar rustende jaarlijkse informatieplicht zoals bedoeld in artikel 3:205 lid 4 BW. Gelet hierop is sprake van een tekortkoming van [gedaagde] die haar kan worden toegerekend. Alleen al het feit dat [eiseressen] andermaal moeten procederen over deze kwestie – thans uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst, nota bene gesloten ten overstaan van de rechtbank en vastgelegd in een proces-verbaal – maakt dat sprake is van het in ernstige mate tekortschieten van [gedaagde] in de nakoming van haar verplichtingen als vruchtgebruikster.

4.4.

Bij het voorgaande neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat [eiseressen] in de dagvaarding hebben gesteld dat volgens hun berekening, zulks op basis van de door [gedaagde] verstrekte gegevens over de opbrengsten van verkocht onroerend goed, een bedrag van meer dan € 525.000,00 aan het bezwaarde vermogen is onttrokken dan wel niet is verantwoord. [gedaagde] heeft op dit punt geen gemotiveerd verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit bij de huidige stand van zaken als vaststaand moet aannemen en het er mitsdien voor moet worden gehouden dat zij zonder recht inteert op het bezwaarde vermogen. 4

4.5.

Een en ander rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat het door [gedaagde] genoten vruchtgebruik onder bewind wordt gesteld, zoals bedoeld in artikel 3:221 BW. Bij de huidige stand van zaken zal de rechtbank het bewind instellen tot aan het overlijden van [gedaagde] . Daartoe zal Mendes Bewindvoering c.q. mevrouw M. Mendes de Leòn, als bewindvoerder worden benoemd, zulks onder de bepaling dat de kosten van de bewindvoerder ten laste van het bezwaarde vermogen komen.

4.6.

Op de onderhavige onderbewindstelling uit hoofde van artikel 3:221 BW zijn voor een groot deel de bepalingen van het testamentaire bewind uit afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarnaast zijn de artikelen titel 19 van Boek 1 van het BW (‘Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen’) van toepassing, voor zover Boek 4 geen afwijkende regels bevat.

4.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseressen] gerezen en tot op heden begroot op:

  • deurwaardersexploot € 138,41,

  • griffierecht € 233,00

  • salaris advocaat € 614,00

  • nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

_______

Totaal: € 1.163,41

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] in haar hoedanigheid van erfgenaam en/of executeur de afspraken, zoals gemaakt bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 5 januari 2024 in het geding met zaaknummer C/03/316474 / HA ZA 23-160, niet behoorlijk is nagekomen en hierin toerekenbaar tekort is geschoten,

5.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde] de bepalingen van het testament van erflater structureel negeert en/of veronachtzaamt door zowel de op 5 januari 2024 gemaakte afspraken niet na te komen alsook door opbrengsten van eerder tot de nalatenschap van erflater behorende registergoederen niet te verantwoorden of verborgen te houden,

5.3.

stelt met ingang van vandaag (10 december 2025) het vruchtgebruik van [gedaagde] van het bezwaarde vermogen onder bewind in de zin van artikel 3:221 BW, zulks tot aan haar overlijden,

5.4.

benoemt met ingang van vandaag (10 december 2025) tot bewindvoerder: Mendes Bewindvoering c.q. mevrouw M. Mendes de Leòn, postbus 23, 6202 NC Maastricht,

5.5.

bepaalt dat de kosten van de bewindvoerder ten behoeve van het bewind van het vruchtgebruik ex artikel 3:221 lid 1 BW ten laste van het bezwaarde vermogen komen, zulks overeenkomstig de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten ad in totaal € 1.163,41, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.7.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

1

Zie onder ‘Erfstelling’, randnummer 5 van het testament (productie 2 bij dagvaarding).

2

Zie onder ‘Tweetrapsmaking’, randnummer 7 aanhef en onder A van het testament.

3

Randnr. 9 conclusie van antwoord.

4

Dit oordeel heeft uiteraard een voorlopig karakter, nu berekeningen op basis van de informatie die [gedaagde] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst ter beschikking dient te stellen wellicht tot een andere conclusie leiden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733