Essentie (gemaakt door AI)
Afstammingszaak waarin erkenning meerderjarig kind door oom is vernietigd wegens misbruik van omstandigheden. Kind verleende in 2017 toestemming voor erkenning om familienaam te verkrijgen voor bedrijfsopvolging. Rechtbank oordeelt dat kind destijds afhankelijk en emotioneel kwetsbaar was; grootouders bevorderden erkenning terwijl bekend is dat oom niet de biologische vader is. Analoge toepassing van art. 3:44 lid 4 BW jo. art. 3:59 BW maakt kind ontvankelijk in zijn verzoek. Geen uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
| Datum publicatie | 02-03-2026 |
| Zaaknummer | C/18/245462 / FA RK 25-2301 |
| Procedure | Beschikking |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Vernietiging erkenning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De erkenning van een kind tijdens zijn meerderjarigheid door een familielid wordt vernietigd vanwege misbruik van omstandigheden.Volledige uitspraak
Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rekestnummer: C/18/245462 / FA RK 25-2301
beschikking van 6 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker (kind)] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen [verzoeker (kind)] ,
advocaat mr. V.S.A.W. Wegter, kantoorhoudende te Groningen, voorheen mr. E. van der Dussen, kantoorhoudende te Groningen,
en
[verzoeker (biologische vader)] ,
wonende te [woonplaats] , verblijvende te [verblijfplaats] (Brazilië),
hierna ook te noemen [verzoeker (biologische vader)] ,
advocaat mr. V.S.A.W. Wegter, kantoorhoudende te Groningen, voorheen mr. E. van der Dussen, kantoorhoudende te Groningen.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[juridische vader] ,
wonende te [woonplaats] (Spanje),
hierna ook te noemen [juridische vader] .
De rechtbank merkt als informant aan:
[moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen [moeder] .
1Het procesverloop
Deze procedure is ingeleid met het verzoekschrift van [verzoeker (kind)] en [verzoeker (biologische vader)] , dat de rechtbank heeft ontvangen op 27 juni 2025.
Op 16 september 2025 heeft de rechtbank een F9-formulier van [verzoeker (kind)] en [verzoeker (biologische vader)] ontvangen.
Op 14 januari 2026 heeft de rechtbank een e-mail van [moeder] ontvangen. Daarin schrijft zij onder andere dat zij niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling.
Op 14 januari 2026 heeft de rechtbank de zaak mondeling behandeld. De rechtbank heeft toen gesproken met [verzoeker (kind)] , [verzoeker (biologische vader)] (via een digitale verbinding) en hun advocaat. Als toehoorder was [naam coach] , de coach van [verzoeker (kind)] aanwezig. [juridische vader] en [moeder] zijn niet verschenen.
Ten slotte is bepaald dat deze beschikking zal worden gegeven.
2De feiten
De rechtbank kan bij de beoordeling van de zaak uitgaan van de volgende feiten.
[verzoeker (kind)] is op [geboortedatum] 1998 geboren te [geboorteplaats] . Zijn moeder is [moeder] .
[moeder] en [verzoeker (biologische vader)] hebben ongeveer vier weken een relatie met elkaar gehad. [verzoeker (kind)] is bij 35 weken zwangerschap van [moeder] , te vroeg, geboren. [verzoeker (biologische vader)] wist niet van de vroeggeboorte en is daarom altijd in de veronderstelling geweest dat [verzoeker (kind)] niet zijn kind kon zijn.
Vanwege een conflict was er een tijd lang geen contact tussen de grootouders en [verzoeker (biologische vader)] .
In 2001 is [verzoeker (biologische vader)] geëmigreerd naar Brazilië.
[verzoeker (kind)] heeft wel, op initiatief van zijn moeder, vanaf zijn geboorte contact gehad met zijn grootouders, de ouders van [verzoeker (biologische vader)] en [juridische vader] . De grootouders runden een boerenbedrijf. Het boerenbedrijf is sinds 1920 in bezit van de familie [geslachtsnaam vz] .
[verzoeker (kind)] ontwikkelde al op jonge leeftijd de ambitie om boer te worden. De grootouders stonden er voor open dat [verzoeker (kind)] fulltime op de boerderij zou gaan werken, onder de voorwaarde dat hij zou toetreden tot de maatschap en het bedrijf uiteindelijk zou overnemen. Zij wilden dit echter alleen als hij de achternaam ' [geslachtsnaam vz] ' zou gaan dragen.
In de zomer van 2016 is [verzoeker (kind)] verhuisd naar de boerderij.
Het verzoek van [verzoeker (kind)] tot wijziging van zijn achternaam is door het Ministerie van Justitie en Veiligheid op 14 september 2016 afgewezen. Redengevend hiervoor was dat de mogelijkheid tot erkenning door de vader van [verzoeker (kind)] openstond waarbij gekozen kon worden voor de achternaam ' [geslachtsnaam vz] '.
Op 17 januari 2017 heeft de broer van [verzoeker (biologische vader)] , [juridische vader] , [verzoeker (kind)] erkend. Hierdoor is [juridische vader] de juridische vader van [verzoeker (kind)] geworden en kreeg [verzoeker (kind)] de achternaam [geslachtsnaam vz] . [verzoeker (kind)] was destijds meerderjarig. Het contact tussen [moeder] en de grootouders is vervolgens verbroken.
In de loop van 2017 is het contact tussen [verzoeker (biologische vader)] en zijn ouders (de grootouders van [verzoeker (kind)] ) langzaamaan hersteld. Toen pas hoorde [verzoeker (biologische vader)] van de vroeggeboorte van [verzoeker (kind)] en realiseerde hij zich dat hij toch de vader van [verzoeker (kind)] kon zijn.
Op 1 januari 2018 is [verzoeker (kind)] toegetreden tot de maatschap [naam maatschap] .
Begin 2018 is er een DNA-onderzoek verricht. Hieruit is gebleken dat de kans op biologisch verwantschap tussen [verzoeker (kind)] en zijn grootouders 99,9995% bedroeg. [verzoeker (biologische vader)] wist daarmee dat hij de vader van [verzoeker (kind)] was/moest zijn. [verzoeker (biologische vader)] heeft contact opgenomen met [verzoeker (kind)] en ook hun contact is langzaamaan hersteld.
In 2019 is [verzoeker (kind)] samen met zijn grootouders en [juridische vader] drie weken bij [verzoeker (biologische vader)] in Brazilië geweest.
In 2022 kwam de drugsverslaving van [verzoeker (kind)] naar buiten. De grootouders hebben toen te kennen gegeven geen contact meer met hem te willen en verlangden dat hij uit de maatschap zou treden. Per 1 juli 2022 is [verzoeker (kind)] formeel uit de maatschap getreden. Vanaf dat moment heeft [verzoeker (kind)] ook geen contact meer met [juridische vader] . [verzoeker (kind)] is drie maanden opgenomen geweest in een afkickkliniek in Meerlo. [verzoeker (kind)] gebruikt geen drugs meer. Ten tijde van deze procedure volgt [verzoeker (kind)] therapie in de vorm van een dagbehandeling en volgt hij meetings.
De grootouders hebben de boerderij inmiddels verkocht. Het contact tussen [verzoeker (kind)] en zijn grootouders is hersteld en [verzoeker (kind)] woont sinds kort bij zijn grootouders.
3De verzoeken
Het primaire verzoek
Primair verzoekt [verzoeker (kind)] de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de toestemming van [verzoeker (kind)] , voor de erkenning van hem door [juridische vader] , te vernietigen, en de erkenning nietig te verklaren, althans te bevelen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.
[verzoeker (kind)] legt aan dit verzoek het volgende, samengevat weergegeven, ten grondslag. [verzoeker (kind)] baseert zich op de artikelen 1:205 jo. 3:44 jo. 3:59 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dan wel uitsluitend op artikel 3:44 jo. 3:59 BW. De erkenner, [juridische vader] , is niet zijn biologische vader. In beginsel is artikel 1:205 BW niet van toepassing omdat [verzoeker (kind)] meerderjarig was ten tijde van de erkenning, maar op grond van jurisprudentie en literatuur blijft vernietiging van de toestemming van de erkenning mogelijk op grond van de algemene regels. Er is sprake van een wilsgebrek ex artikel 3:44 lid 4 BW, te weten misbruik van omstandigheden. Ten tijde van geven van de toestemming bevond [verzoeker (kind)] zich in een situatie waarin sprake was van een bijzondere omstandigheid. [verzoeker (kind)] was jong, psychisch kwetsbaar en bevond zich zowel emotioneel als feitelijk in een afhankelijke positie ten opzichte van zijn grootouders. Hij woonde bij zijn grootouders, werkte daar en zij zorgden voor hem. Van jongs af aan is hem verteld dat hij boer zou worden en het familiebedrijf zou overnemen. [verzoeker (kind)] had ook geen alternatieven buiten het familiebedrijf wat hem extra afhankelijk maakte. Zonder biologische vader in zijn leven ontwikkelde [verzoeker (kind)] een sterk gevoel van loyaliteit en morele verplichting tegenover zijn grootouders. Ook door zijn persoonlijke worsteling met middelengebruik en de zware eisen van het boerenleven werd de afhankelijkheid versterkt. De grootouders hebben bewust gebruik gemaakt van de afhankelijke positie van [verzoeker (kind)] . Zij hadden een concrete behoefte aan bedrijfsopvolging binnen de familie, daarvoor stelden zij echter wel de voorwaarde dat [verzoeker (kind)] de familienaam aan zou nemen. De totstandkoming van de rechtshandeling is actief bevorderd door die voorwaarde te stellen. Zij waren zich ook bewust althans hadden bewust horen te zijn dat [verzoeker (kind)] zich in een afhankelijke positie bevond. Het was hun bekend dat hij kwetsbaar en afhankelijk was van hun goedkeuring. Zonder de druk dat hij de familienaam moest aannemen om het bedrijf te kunnen overnemen, had hij niet ingestemd met de erkenning door [juridische vader] . Zijn verzoek is niet verjaard omdat de invloed is opgehouden te werken op 1 juli 2022. Toen kwam [verzoeker (kind)] drugsverslaving aan het licht en eisten de grootouders dat hij per direct uit de maatschap zou stappen. De druk die op hem rustte, verviel toen. Op het moment van indiening van het verzoekschrift zijn nog geen drie jaren sinds dat moment verstreken.
Het subsidiaire verzoek
Subsidiair verzoekt [verzoeker (biologische vader)] de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de erkenning van [verzoeker (kind)] door [juridische vader] te vernietigen.
[verzoeker (biologische vader)] legt aan dit verzoek het volgende, samengevat weergegeven, ten grondslag. Op grond van de wet kan [verzoeker (biologische vader)] dit verzoek niet indienen, maar op grond van de ontwikkelde maatstaf in de jurisprudentie wel. [verzoeker (biologische vader)] meent dat ondanks dat de jurisprudentie ziet op de situatie waarin toestemming voor de erkenning door de moeder is gegeven, dit analoog van toepassing is in de situatie dat de toestemming door het kind is gegeven. De onderliggende problematiek is immers identiek. Volgens [verzoeker (biologische vader)] dient de minder strikte maatstaf te worden toegepast. Het geval waarin de verwekker niet of niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen. Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of de moeder ( [verzoeker (kind)] in dit geval) in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan een ander heeft kunnen komen, daarbij in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij de erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder (hier: [verzoeker (kind)] ), telkens in verband met de belangen van het kind (Rechtbank Den Haag 30 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16258). [verzoeker (biologische vader)] had ten tijde van de erkenning geen feitelijke mogelijkheid om toestemming voor de erkenning te vragen. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij niet de vader van [verzoeker (kind)] was. Bij de erkenning door [juridische vader] is hij niet betrokken. Pas in 2019 is uit DNA-onderzoek gebleken dat [verzoeker (biologische vader)] de verwekker van [verzoeker (kind)] is/moet zijn. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde waaronder de minder strikte maatstaf moet worden toegepast. Bij de beoordeling of [verzoeker (kind)] in redelijkheid tot het verlenen van de toestemming aan [juridische vader] heeft kunnen komen, dienen ook de wederzijdse belangen van [verzoeker (biologische vader)] , [juridische vader] , [verzoeker (kind)] en [moeder] te worden betrokken. [verzoeker (kind)] wist ten tijde van de erkenning dat [juridische vader] niet zijn biologische vader was. De erkenning is uitsluitend gedaan in verband met de bedrijfsopvolging. Nadat er zekerheid was over het biologisch vaderschap van [verzoeker (biologische vader)] is de relatie tussen [verzoeker (biologische vader)] en [verzoeker (kind)] verder opgebouwd. De bevestiging van de biologische afstamming in juridische zin dient daarmee een zwaarwegend persoonlijk belang van zowel de verwekker als het kind ( [verzoeker (kind)] ). Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [verzoeker (kind)] in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan [juridische vader] heeft kunnen komen.
Het meer subsidiaire verzoek
Meer subsidiair verzoekt [verzoeker (biologische vader)] de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gedeeltelijke eenvoudige adoptie van de adoptief zoon, [verzoeker (kind)] , door verzoeker, [verzoeker (biologische vader)] , uit te spreken, zodat de familierechtelijke betrekking tussen [verzoeker (kind)] en [moeder] in stand blijft, de familierechtelijke betrekking tussen [verzoeker (kind)] en [juridische vader] verbroken wordt en er een familierechtelijke betrekking tussen [verzoeker (kind)] en [verzoeker (biologische vader)] tot stand komt en de toevoeging te gelasten van een latere vermelding van adoptie aan de akte van geboorte.
[verzoeker (biologische vader)] legt aan dit verzoek het volgende, samengevat weergegeven, ten grondslag. [verzoeker (biologische vader)] beroept zich op de artikel 1:227 juncto 1:228 BW. Hoewel niet voldaan wordt aan alle vereisten, namelijk de minderjarigheid en de verzorgingstermijn van één jaar, meent [verzoeker (biologische vader)] dat een afwijzing van het verzoek een ongeoorloofde inmenging in het gezins- en familieleven tussen [verzoeker (kind)] en [verzoeker (biologische vader)] op grond van artikel 8 EVRM met zich meebrengt. Ingevolge de rechtspraak wordt aan de hand van een tweeledige toets bepaald of het verzoek tot meerderjarigenadoptie wordt toegewezen. Ten eerste dient er sprake te zijn van bijzondere omstandigheden in het gezinsleven van de meerderjarige en de aspirant-adoptiefouder. Ook moet er sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hieraan is volgens [verzoeker (biologische vader)] voldaan. [verzoeker (biologische vader)] en [verzoeker (kind)] hebben elkaar pas in 2019 echt weer leren kennen. Ondanks de afstand is er een duurzame affectieve intensieve gezinsband ontstaan. [juridische vader] heeft nooit een vaderrol vervuld in het leven van [verzoeker (kind)] . De erkenning heeft alleen plaatsgevonden vanwege de bedrijfsopvolging. Vanwege de bijzondere situatie dient de verzorgingstermijn van één jaar geen redelijk doel en is deze in strijd met artikel 8 EVRM. [verzoeker (kind)] was destijds 21 jaar en woonde op zichzelf, had een baan en was financieel en praktisch onafhankelijk.
Toewijzing van de adoptie zou betekenen dat niet alleen de familierechtelijke betrekkingen met [juridische vader] maar ook die met [moeder] zouden worden doorbreken. Dat is niet de bedoeling. Daarom wordt een gedeeltelijke eenvoudige adoptie verzocht. De huidige wetgeving voorziet niet in de mogelijkheid van een zogeheten eenvoudige adoptie. [verzoeker (biologische vader)] is van mening dat de rechtbank op basis van een anticiperende interpretatie van het recht kan overgaan tot toewijzing van de gedeeltelijke eenvoudige adoptie. De rechtbank zou het geldende recht zo kunnen uitleggen dat het voorsorteert op toekomstige wetgeving. Dit past binnen artikel 8 EVRM.
4De standpunten
[juridische vader]
is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling en heeft ook, gezien de afstand, niet op een andere wijze daaraan deelgenomen. De rechtbank heeft [juridische vader] niet zelf kunnen vragen wat hij van de verzoeken vindt. De rechtbank begrijpt van [verzoeker (kind)] en [verzoeker (biologische vader)] dat [juridische vader] zich in de vernietiging van de erkenning kan vinden.
[moeder]
Ook [moeder] is, na afmelding, niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft [moeder] niet zelf kunnen vragen naar haar mening over de voorliggende verzoeken. [moeder] heeft in haar e-mail laten weten dat in het verzoekschrift onwaarheden zijn opgenomen die haar zeer raken. Het is voor haar emotioneel te belastend om tijdens de mondelinge behandeling te verschijnen. [moeder] betwist op zich niet dat zij een relatie met [verzoeker (biologische vader)] heeft gehad ten tijde van de conceptie van [verzoeker (kind)] . Van [verzoeker (kind)] heeft de rechtbank begrepen dat zijn moeder ook altijd heeft gezegd dat [verzoeker (biologische vader)] zijn vader was.
5De beoordeling
De beslissing
De rechtbank zal het (primaire) verzoek van [verzoeker (kind)] toewijzen. Dit betekent dat de erkenning van [verzoeker (kind)] door [juridische vader] zal worden vernietigd. De rechtbank legt hierna uit waarom deze beslissing wordt genomen.
De wettelijke bepaling over vernietiging van de erkenning
Een verzoek tot vernietiging van de erkenning op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, kan op grond van de wet bij de rechtbank worden ingediend door:
a. het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
b. de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
c. de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.
2. Het openbaar ministerie kan wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning verzoeken.
3. In geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.
4. Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
5. Voor het geval de erkenner of de moeder overlijdt voor de afloop van de in het derde lid gestelde termijn, is artikel 201, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Voor het geval het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid gestelde termijn, is artikel 201, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
1
De (niet-)ontvankelijkheid van [verzoeker (kind)]
Op grond van de wet
2 zou [verzoeker (kind)] niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden, omdat de erkenning door [juridische vader] heeft plaatsgevonden nadat hij meerderjarig is geworden. Daarnaast was [verzoeker (kind)] er altijd al mee bekend dat [juridische vader] niet zijn biologische vader is.
De rechtbank is van oordeel dat ondanks het voorgaande [verzoeker (kind)] wel ontvankelijk is om de vernietiging van de erkenning te verzoeken op grond van de wet.
3 De rechtbank baseert zich hierbij op de literatuur
4 waarin wordt vermeld dat als een erkenner een verzoek tot vernietiging kan doen omdat hij heeft erkend onder/door bedreiging, dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden, het opmerkelijk is dat een meerderjarig kind dat niet kan. In zo’n geval kunnen de artikelen over de wilsgebreken
5 (analogisch) worden toegepast.
De wettelijke bepaling over de wilsgebreken
[verzoeker (kind)] beroept zich op het wilsgebrek 'misbruik van omstandigheden', daarover staat in de wet:
6
Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.
[…]
[…]
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.
Indien een verklaring is tot stand gekomen door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden van de zijde van iemand die geen partij bij de rechtshandeling is, kan op dit gebrek geen beroep worden gedaan jegens een wederpartij die geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen.
Misbruik van omstandigheden
De rechtbank is van oordeel dat wordt voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor het aannemen van misbruik van omstandigheden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Als kind kwam [verzoeker (kind)] al vaak bij zijn grootouders op de boerderij. Hij vond daar de veilige haven waar hij naar op zoek was. De grootste wens van zijn grootvader was dat het familiebedrijf zou worden overgenomen. De kinderen van de grootvader hadden geen interesse of deden iets anders waardoor de grootvader zijn hoop op [verzoeker (kind)] had gevestigd. Van jongs af aan hoorde [verzoeker (kind)] : jij wordt later boer. [verzoeker (kind)] heeft zijn opleiding toegespitst op het werken op de boerderij en is toen hij 17 jaar was bij zijn grootouders gaan wonen en werken. Het werken op de boerderij gaf hem ook een zekere status na zijn kindertijd en jeugd. [verzoeker (kind)] vertelde tijdens de mondelinge behandeling dat hij in zijn jeugd een vader miste, zich hechtte aan nieuwe partners van zijn moeder alsof het zijn vaders waren en vervolgens daarin steeds werd teleurgesteld, als de relatie tussen zijn moeder en deze partners weer werd verbroken. Dat heeft veel gedaan met zijn zelfbeeld. Het werken op de boerderij gaf hem zelfvertrouwen en zorgde voor aanzien. Het heeft hem ook afhankelijk gemaakt van de boerderij en zijn grootouders. Het is zijn familie, zijn thuis en zijn werk. Toen de grootouders als voorwaarde voor het overnemen van het familiebedrijf het aannemen van de achternaam 'Munneke' stelden, kon hij door de beïnvloeding en zijn afhankelijkheid emotioneel niet anders dan daarmee instemmen. Het niet aannemen van de achternaam 'Munneke' betekende niet toetreden in de maatschap. [verzoeker (kind)] vertelde dat er nauwelijks over is gesproken en de erkenning snel was geregeld. Hij had geen idee van de gevolgen van de erkenning, behalve dat hij de achternaam 'Munneke' zou gaan dragen en dat was het doel. Wat het voor zijn moeder betekende had hij op dat moment niet in de gaten. Een periode daarna is er op initiatief van [verzoeker (biologische vader)] , zonder dat [verzoeker (biologische vader)] wist van de erkenning, contact gekomen tussen [verzoeker (kind)] en [verzoeker (biologische vader)] . De rechtbank begrijpt dat dit voor [verzoeker (kind)] ingrijpend is geweest, ineens verscheen zijn biologische vader in zijn leven. Het is de rechtbank duidelijk dat [verzoeker (kind)] onder andere omstandigheden nooit met de erkenning had ingestemd. De rechtbank zal dan ook het (primaire) verzoek van [verzoeker (kind)] tot vernietiging van de erkenning door [juridische vader] toewijzen. De grootouders en [juridische vader] wisten allen van de hoed en de rand, namelijk dat [juridische vader] niet de vader van [verzoeker (kind)] was, dus lid 5 van artikel 3:44 BW staat aan toewijzing niet in de weg.
Nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning door [juridische vader] geacht nimmer gevolg te hebben gehad. Door de vernietiging van de erkenning staat [verzoeker (kind)] enkel in familierechtelijke betrekking tot zijn moeder en hij zal dan ook van rechtswege ingevolge artikel 1:5 lid 1 BW weer de geslachtsnaam van zijn moeder dragen. De rechtbank heeft begrepen dat [verzoeker (biologische vader)] voornemens is [verzoeker (kind)] te erkennen en dat de wens van [verzoeker (kind)] is om de geslachtsnaam 'Munneke' te blijven voeren. Bij de erkenning van [verzoeker (kind)] door [verzoeker (biologische vader)] kan dat worden bewerkstelligd.
De aard van de zaak verzet zich tegen het bij voorraad uitvoerbaar verklaren van deze beschikking, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen. Nu het primaire verzoek van [verzoeker (kind)] zal worden toegewezen behoeven de overige verzoeken geen bespreking meer. De rechtbank zal die verzoeken dan ook afwijzen.
De rechtbank beslist als volg.
6De beslissing
De rechtbank:
vernietigt de erkenning van [verzoeker (kind)] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , door [juridische vader] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , gedaan op 17 januari 2017;
draagt de griffier – op grond van artikel 1:20e lid 1 BW – op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Groningen;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. T. ter Brugge, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026. |
||
|
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: - door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. |
||
fn: LG
Asser/de Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/206, 207 en A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, artikel 1:205 BW, aantekening 2.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
