Gerechtshof Den Haag 11-11-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2917

Essentie (gemaakt door AI)

Erfgenamen van echtgenote en verwachters twisten over omvang bezwaard vermogen uit tweetrapsmaking. Hof oordeelt dat geen rechtsgeldig en tijdig beroep op het finaal verrekenbeding is gedaan jegens verwachters; beroep faalt. Wel komt erfgenamen van echtgenote een beroep toe op het niet-uitgevoerde periodiek verrekenbeding art. 1:141 lid 3 BW, maar omvang is onvoldoende onderbouwd. Veroordeling tot betaling €188.375,47 vervalt en vordering van verwachters wordt afgewezen. Kosten worden in beide instanties gecompenseerd.

Datum publicatie27-02-2026
Zaaknummer200.336.616/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Vereffening nalatenschap;
Familievermogensrecht; Afd. 8.2 Verrekenbedingen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Afwikkeling nalatenschappen van overleden echtgenoten zonder kinderen. Testament met niet nageleefde tweetrapsmaking. Huwelijkse voorwaarden onder het oude recht met niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding, alsmede bijzonder finaal verrekenbeding. Vervaltermijn en verjaring.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.336.616/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/628905 / HA ZA 22-394

Arrest van 11 november 2025

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonend in [woonplaats] ,

2. [appellant 2],

wonend in [woonplaats] ,

3. [appellant 3],

wonend in [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. M.V. Vermeij kantoorhoudend in Alkmaar,

tegen

1. [geïntimeerde 1] , zowel in privé als in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] ,

wonend in [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] , zowel in privé als in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] ,

wonend in [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk,

geïntimeerden,

advocaat: mr. F. van Schaik kantoorhoudend in Berkel en Rodenrijs.

Het hof zal appellanten hierna afzonderlijk ook noemen: [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] , en tezamen: [appellanten]

Het hof zal geïntimeerden hierna afzonderlijk ook noemen: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , en tezamen: [geïntimeerden]

1De zaak in het kort met feitelijke achtergrond

1.1

In geschil is de afwikkeling van de nalatenschappen van [erflater] , overleden op [datum 1] te [plaats 1] , hierna: erflater, en van zijn echtgenote, [echtgenote] , overleden op [datum 2] te [plaats 2] , hierna: de echtgenote.

1.2

Erflater en de echtgenote zijn op [huwelijksdatum] onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Die huwelijkse voorwaarden hielden voor zover hier van belang de uitsluiting van enige huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen in, en daarnaast zowel een periodiek als een finaal verrekenbeding. Uit het huwelijk van erflater en de echtgenote zijn geen kinderen geboren.

1.3

Erflater is op [datum 1] overleden. Hij heeft in zijn – door zijn overlijden van kracht geworden – testament, verleden op 5 april 2005 voor [notaris 1] , notaris te [plaats 1] , over zijn nalatenschap beschikt onder het maken van een “erfstelling
fideï-commis de residuo” waarbij hij tot zijn enige erfgename heeft benoemd zijn echtgenote en waarbij is bepaald dat hetgeen van zijn nalatenschap bij het overlijden van de echtgenote, bij haar faillissement of bij het op haar van toepassing worden van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen onverteerd aanwezig is (het bezwaarde vermogen), toekomt – mits zij dan bestaan – aan zijn neef [geïntimeerde 1] en diens dochter [geïntimeerde 2] , zulks gezamenlijk en voor gelijke delen. De echtgenote heeft de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard, zoals blijkt uit de verklaring van erfrecht, verleden op 31 oktober 2006 voor [notaris 1] , notaris te [plaats 1] .

1.4

Bij beschikking van 17 juni 2014 heeft de kantonrechter te Alkmaar (rechtbank Noord-Holland) de goederen van de echtgenote wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand onder bewind gesteld van haar daartoe tot bewindvoerder benoemde broer [appellant 2] ( [appellant 2] ).

1.5

De echtgenote is op [datum 2] overleden. Zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt, zodat de echtgenote na haar overlijden volgens de wet als erfgenamen van haar nalatenschap heeft achtergelaten appellanten, ofwel haar twee voornoemde broers en haar voornoemde zuster, ieder voor een/derde gedeelte in haar nalatenschap. [appellanten] hebben de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard, zoals blijkt uit de verklaring van erfrecht, verleden op 8 juni 2021 voor [notaris 2] , notaris te [plaats 3] .

1.6

[geïntimeerden] hebben als erfgenamen onder opschortende voorwaarde van erflater de nalatenschap van erflater (zijn onverteerde vermogen) beneficiair aanvaard en zijn derhalve gezamenlijk vereffenaars van die nalatenschap.

1.7

Partijen kunnen het niet eens worden over de omvang van het bezwaarde vermogen. Meer in het bijzonder verschillen zij van mening over of (en zo ja, op welke wijze) het in de huwelijkse voorwaarden van erflater en zijn echtgenote opgenomen finaal verrekenbeding dan wel periodiek verrekenbeding in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de omvang van de onverteerde nalatenschap van erflater. Dit geschil tussen de erfgenamen van de echtgenote aan de ene zijde en de erfgenamen onder opschortende voorwaarde van erflater aan de andere zijde heeft geleid tot het bestreden vonnis en de onderhavige procedure in hoger beroep.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 19 december 2023, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 27 september 2023, hierna: het bestreden vonnis;

  • de memorie van grieven van [appellanten] , met bijlagen;

  • de memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen;

  • de bijlagen 40 tot en met 44 die [appellanten] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.

2.2

Op 21 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant 3] is niet verschenen. [geïntimeerde 2] is evenmin verschenen. Blijkens een tijdens de mondelinge behandeling overgelegde volmacht heeft zij haar vader [geïntimeerde 1] gemachtigd haar in de onderhavige zaak ter zitting te vertegenwoordigen. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3Procedure bij de rechtbank

3.1

[appellanten] hebben in conventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal verklaren voor recht dat [appellanten] een concurrente vordering hebben op de nalatenschap van erflater ten bedrage van € 136.795,03, dan wel ten bedrage van een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in conventie, met wettelijke rente en nakosten zoals gevorderd.

3.2

[geïntimeerden] voeren daartegen in conventie verweer en vorderen in voorwaardelijke reconventie, onder de voorwaarde dat de rechtbank hun verweer in conventie honoreert dat er tussen de erflater en de echtgenote geen finale verrekening heeft plaatsgevonden dat het de rechtbank behage:

l. bij vonnis te verklaren voor recht dat geen finale verrekening tussen erflater en de echtgenote heeft plaatsgevonden, zodat het volledige vermogen van erflater tot het bezwaarde vermogen in de zin van het testament behoort;

II. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [appellanten] te veroordelen binnen zes weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, alsnog een correcte en volledige boedelbeschrijving op te stellen, derhalve zonder toepassing van het finaal verrekenbeding en met verantwoording van de aanwezige contanten, lijfsieraden en roerende zaken, zulks op straffe van een dwangsom € 100,- per dag of gedeelte van een dag dat [appellanten] in gebreke blijven na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;

III. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [appellanten] te veroordelen over te gaan tot levering van de niet verteerde onroerende zaak en tot afgifte van de onverteerde liquide middelen ad
€ 188.375,47 vermeerderd met de p.m.-posten de op de overlijdensdatum aanwezige contanten en de waarde van de lijfsieraden en roerende zaken en met bepaling dat indien [appellanten] niet binnen 14 dagen tot levering van de onroerende zaak over zullen gaan het in dezen te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de betreffende leveringsakte en als zodanig kan worden ingeschreven;

alles met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in conventie en in voorwaardelijke reconventie, met wettelijke rente en nakosten zoals gevorderd.

3.3.

Daartegen voeren [appellanten] in voorwaardelijke reconventie verweer.

3.4

De rechtbank heeft beslist als volgt:

De rechtbank in conventie en in voorwaardelijke reconventie:

5.1.

verklaart voor recht dat geen tijdige finale verrekening op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden van 11 mei 1989 heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden tussen de afzonderlijke vermogens en nalatenschappen van enerzijds de erflaatster [echtgenote] en anderzijds de erflater [erflater] ;

5.2.

verklaart voor recht dat het registergoed aan [adres] [plaats 1] tot het voorhuwelijkse eigen vermogen van de erflater [erflater] behoort en dat de eigendom van dit registergoed te [plaats 1] door het overlijden van zijn weduwe [echtgenote] en door de werking van de ontbindende voorwaarde in de tweetrapsmaking in het testament van [erflater] op [datum 2] door vererving van rechtswege is overgegaan op de twee testamentair verwachters en opvolgend erfgenamen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft;

5.3.

veroordeelt de drie erfgenamen [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] ieder om zo nodig mee te werken aan de notariële levering van het registergoed aan [adres] te [plaats 1] aan en op naam van de opvolgend twee testamentair erfgenamen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gezamenlijk en ieder voor de onverdeelde helft, zulks echter op kosten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , en bepaalt dat dit vonnis zo nodig in de plaats kan en zal treden van die medewerking van de erfgenamen van [echtgenote] aan die notariële leveringsakte en aldus kan worden ingeschreven in de desbetreffende openbare registers;

5.4.

veroordeelt de drie erfgenamen [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] hoofdelijk tot afgifte en tot betaling van € 188.375,47 aan de twee opvolgend erfgenamen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nalatenschap van [erflater] ;

5.5.

veroordeelt gevolmachtigde [appellant 2] voorts tot afgifte van het gouden horloge van de erflater [erflater] aan de twee opvolgend erfgenamen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nalatenschap van [erflater] ;

5.6.

veroordeelt de drie erfgenamen [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] hoofdelijk tot betaling aan de twee opvolgend erfgenamen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van een bedrag van € 7.740,- voor hun proceskosten, dat bedrag nog te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis indien en voor zover dat bedrag binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis niet is betaald, en in geval van betekening van dit vonnis ook nog te vermeerderen met € 90,- forfaitair nasalaris advocaat en met de explootkosten van betekening van dit vonnis aan de drie erfgenamen [appellanten] ;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst af al hetgeen aan beide zijden over en weer meer of anders is gevorderd.

4Vorderingen in hoger beroep

4.1

[appellanten] zijn in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens zijn met het vonnis. Zij hebben verschillende grieven tegen het vonnis aangevoerd.

4.2

[appellanten] vorderen dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, het vonnis in eerste aanleg in conventie en reconventie vernietigt, het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en onder afwijzing van de vorderingen van geïntimeerden:

- primair: verklaart voor recht dat de echtgenote rechtsgeldig een beroep op het finaal verrekenbeding heeft gedaan;

subsidiair verklaart voor recht dat de echtgenote rechtsgeldig een beroep op het periodiek verrekenbeding heeft gedaan;

voorts te verklaren voor recht dat de echtgenote ten gevolge van het finaal verrekenbeding, dan wel het periodiek verrekenbeding, een vordering op het bezwaarde vermogen, c.q. de echtgenote, c.q. [geïntimeerden] heeft ad € 305.153,50, dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag;

- primair: [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 340.085,72 aan [appellanten] , dan wel [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling aan [appellanten] van een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente per 18 juli 2005 en subsidiair per 4 mei 2022;

subsidiair: [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 96.723,69 aan [appellanten] , dan wel [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling aan [appellanten] van een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente per 18 juli 2005 en subsidiair per 4 mei 2022;

- primair: de proceskosten te compenseren en het vonnis in eerste aanleg met betrekking tot de proceskosten te vernietigen en [geïntimeerden] te veroordelen tot het terugbetalen aan [appellanten] van de aan [geïntimeerden] betaalde proceskosten ad € 7.740,-.

4.3

[geïntimeerden] concluderen dat het het hof behage het bestreden vonnis, zo nodig onder aanvulling en verbetering van de gronden te bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het appel.

4.4

[geïntimeerden] hebben voorts verzocht [appellanten] te gelasten de afzonderlijke volledige administratie van het bezwaarde vermogen van de echtgenote vanaf het overlijden van erflater tot haar overlijden in het geding te brengen. Dit laatste bij voorkeur bij tussenarrest zodat het hof en [geïntimeerden] bij een eventuele mondelinge behandeling over controleerbare gegevens beschikken.

5Beoordeling in hoger beroep

Standpunten
5.1

De grieven 1 tot en met 10 van [appellanten] zien op het finaal verrekenbeding dat als artikel 8 is opgenomen in de destijds tussen erflater en de echtgenote overeengekomen huwelijkse voorwaarden. [appellanten] betogen primair dat de echtgenote tijdig en rechtsgeldig een beroep op het finaal verrekenbeding heeft gedaan door het doen van een stilzwijgende vormvrije verklaring aan zichzelf, alsmede aan derden, waaronder haar broer [appellant 2] , alsmede aan de belastingdienst aangezien uit de ingediende aangiften IB is op te maken dat er een beroep is gedaan op het finaal verrekenbeding. Verder zijn ter uitvoering van het finaal verrekenbeding de bankrekeningen op naam van erflaatster gesteld alsmede de echtelijke woning. Daar komt bij dat [geïntimeerde 1] in de notariële akte van boedelbeschrijving, verleden op 5 maart 2015 voor [notaris 2] , notaris te [plaats 3] (productie 12 bij de inleidende dagvaarding van [appellanten] ) heeft erkend dat de echtgenote een rechtsgeldig beroep op het finaal verrekenbeding heeft gedaan. Deze authentieke akte heeft te gelden als een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en levert dwingend bewijs op van hetgeen de notaris in de akte heeft opgenomen, aldus [appellanten] Subsidiair stellen [appellanten] zich op het standpunt dat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW het huwelijksvermogen van erflater en de echtgenote verdeeld diende te worden alsof sprake was van een algehele gemeenschap van goederen, aangezien het eveneens in hun huwelijkse voorwaarden opgenomen periodiek verrekenbeding (artikel 5) nooit is uitgevoerd. [appellanten] doen ten slotte nog een beroep op rechtsverwerking aan de zijde van [geïntimeerden] , alsmede op de redelijkheid en billijkheid. Met inachtneming van de gestelde vordering van de echtgenote betreffende het finaal verrekenbeding, berekenen [appellanten] hun vordering op [geïntimeerden] dan - naar het hof begrijpt - op € 340.085,72.

5.2

[geïntimeerden] voeren verweer tegen de stellingen van [appellanten]

Tijdig beroep op finaal verrekenbeding?

5.3

Het hof overweegt als volgt. Artikel 8 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden van erflater en de echtgenote bepaalt dat indien het huwelijk wordt ontbonden door de dood van een van de echtgenoten en de echtgenoten tot dat moment nog een gemeenschappelijke huishouding voerden, de langstlevende echtgenoot het recht heeft te vorderen, dat de vermogens van beide echtgenoten tussen de langstlevende en de rechtverkrijgenden van de overleden echtgenoot worden verrekend alsof tussen de echtgenoten tijdens het huwelijk de wettelijke algehele gemeenschap van goederen had bestaan (hierna: het finaal verrekenbeding). De langstlevende echtgenoot dient binnen acht maanden na de ontbinding van het huwelijk te verklaren of hij van dit recht gebruikt wenst te maken (artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden).

5.4

Het hof volgt [appellanten] niet in hun stelling dat de echtgenote na het overlijden van erflater stilzwijgend en vormvrij enkel aan zichzelf hoefde te verklaren en ook heeft verklaard een beroep te doen op het finaal verrekenbeding. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval [geïntimeerden] eveneens als rechtverkrijgenden van de overleden echtgenoot moeten worden aangemerkt als bedoeld in het bijzondere finaal verrekenbeding in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden, jegens welke rechtverkrijgenden een beroep door de echtgenote op het finaal verrekenbeding naar het oordeel van het hof mede gericht had moeten worden. Immers, de echtgenote was op grond van het testament van erflater erfgenaam onder ontbindende voorwaarde (de bezwaarde), met de in het testament opgenomen verplichtingen jegens [geïntimeerden] als erfgenamen onder opschortende voorwaarde (de verwachters). Artikel 4:138 lid 1 BW (luidende: “Wanneer een erfstelling onder een voorwaarde is gemaakt, wordt degene aan wie het vermaakte tot de vervulling der voorwaarde toekomt, als de uitsluitend rechthebbende aangemerkt voor zover het betreft de door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen.”), waarop [appellanten] zich beroepen, ziet niet op de rechtsverhouding tussen de echtgenote als erfgenaam onder ontbindende voorwaarde en [geïntimeerden] als erfgenamen onder opschortende voorwaarde maar op de rechtspositie van de echtgenote als erfgenaam onder ontbindende voorwaarde in relatie tot derden. Van belang is in dit verband artikel 4:138 lid 2 BW dat ziet op de interne verhouding tussen de echtgenote als erfgenaam onder ontbindende voorwaarde en [geïntimeerden] als de erfgenamen onder opschortende voorwaarde. Krachtens dit artikellid heeft de echtgenote als erfgenaam onder ontbindende voorwaarde – zolang de vervulling van de voorwaarde onzeker is – in beginsel een positie die vergelijkbaar is met een vruchtgebruiker, zodat zij ook gelet daarop een beroep op het finaal verrekenbeding mede aan [geïntimeerden] als de (vermoedelijk) uiteindelijk rechtverkrijgenden had moeten richten, hetgeen zij heeft nagelaten. Alleen al daarom stelt het hof vast dat de echtgenote geen rechtsgeldig beroep op het verrekenbeding heeft gedaan.

5.5

Daarbij komt dat in de huwelijkse voorwaarden een contractuele vervaltermijn is verbonden aan een beroep op het finaal verrekenbeding. Immers, op grond van artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden had de echtgenote binnen acht maanden na de ontbinding van het huwelijk door het overlijden van erflater moeten verklaren of zij gebruik wenste te maken van het recht te vorderen dat de vermogens van beide echtgenoten tussen de langstlevende en de rechtverkrijgenden van de overleden echtgenoot worden verrekend alsof tijdens het huwelijk de wettelijke algehele gemeenschap van goederen had bestaan. Gesteld noch gebleken is dat de echtgenote binnen die termijn - naast aan zichzelf, [appellant 2] en de belastingdienst zoals [appellanten] betogen (wat daar verder ook van zij) - aan [geïntimeerden] als (mede)rechthebbenden een verklaring heeft gericht dat zij een beroep wenste te doen op het finaal verrekenbeding.

5.6

Evenmin is – zo nodig en zo mogelijk – gebleken dat de echtgenote op enig ander moment binnen de in casu volgens vaste rechtspraak geldende verjaringstermijn van vijf jaar na het overlijden van erflater ex artikel 3:307 lid 1 BW een verklaring aan [geïntimeerden] heeft gericht dat zij een beroep wenst te doen op het finaal verrekenbeding. Het bewijsaanbod van [appellanten] (randnummer 125 onder letter a van de memorie van grieven) ziet niet op een verklaring jegens [geïntimeerden] , zodat het hof aan dat bewijsaanbod als niet ter zake dienend voorbij zal gaan. Het hof gaat eveneens voorbij aan het door [geïntimeerden] gedane bewijsaanbod inzake het finaal verrekenbeding nu zij daarbij geen belang meer hebben.

Vaststellingsovereenkomst gesloten?

5.7

In het testament van erflater (productie 4 bij de inleidende dagvaarding) is onder B.2.a. bepaald dat de bezwaarde binnen een jaar na het overlijden van erflater bij notariële akte een beschrijving moet opmaken van het bezwaarde vermogen. De alsdan in leven zijnde vermoedelijke verwachters hebben het recht om bij de beschrijving aanwezig te zijn en moeten daartoe tijdig door de betrokken notaris worden opgeroepen. Voor zover [appellanten] betogen dat [geïntimeerde 1] bij de notariële akte van boedelbeschrijving van 5 maart 2015 heeft erkend dat er door de echtgenote een rechtsgeldig beroep op het finaal verrekenbeding is gedaan, overweegt het hof als volgt. Die notariële akte (productie 12 bij de inleidende dagvaarding) – die bijna 10 jaar na het overlijden van erflater notarieel is verleden – betreft een beschrijving van het vermogen van erflater alsmede een ‘Berekening van het finaal verrekenbeding’, welke berekening is gebaseerd op een aan de akte gehechte brief met bijlagen gedateerd 16 juli 2014 van oud-notaris [notaris 3] .

5.8

Vaststaat dat ten tijde van het verlijden van de notariële akte van boedelbeschrijving niet is gediscussieerd over de inhoud van die akte en dat door de notaris evenmin aan [geïntimeerde 1] is gevraagd of hij instemde met de boedelbeschrijving. Uit het proces-verbaal van de zitting op 19 januari 2023 in eerste aanleg (productie E in hoger beroep) blijkt dat zowel [appellant 2] (in zijn hoedanigheid van meerderjarigenbewindvoerder over de goederen van de echtgenote) als [geïntimeerde 1] (voor zich en als wettelijke vertegenwoordiger van [geïntimeerde 2] ) de hiervoor geschetste gang van zaken bevestigen. Dit laat zich verklaren doordat [geïntimeerde 1] tijdens het verlijden van de notariële akte van boedelbeschrijving, nog geen onvoorwaardelijke positie als erfgenaam had nu de opschortende voorwaarde waaronder hij en [geïntimeerde 2] erfgenaam zouden zijn, namelijk dat zij op het tijdstip van overlijden van de echtgenote (of op een eerder tijdstip waarop de ontbindende voorwaarde in vervulling zou gaan) nog in leven zouden zijn, nog niet was vervuld. [geïntimeerde 1] (in zijn voormelde hoedanigheid) had enkel het recht bij het verlijden van de akte aanwezig te zijn en van de inhoud daarvan kennis te nemen. Nu in de akte derhalve slechts de eenzijdige verklaring van [appellant 2] (in zijn voormelde hoedanigheid) omtrent de omvang van de nalatenschap van erflater met inachtneming van het finaal verrekenbeding is vastgelegd en van de door [appellanten] gestelde instemming van de verwachters met die verklaring geen sprake is, kan geen sprake zijn van de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst waarbij partijen zouden zijn overeengekomen dat de echtgenote tijdig en rechtsgeldig een beroep op het finaal verrekenbeding heeft gedaan. Overigens is niet gesteld en evenmin is gebleken dat aan de overige vereisten van totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst is voldaan.

5.9

Aan grief 7 van [appellanten] die ziet op de bewijskracht van voormelde aan de akte gehechte brief met bijlagen van oud-notaris [notaris 3] komt het hof dan ook niet meer toe. Ditzelfde geldt voor het bewijsaanbod van [appellanten] betreffende de totstandkoming en betekenis van de akte van boedelbeschrijving zoals gedaan onder randnummer 125 memorie van grieven, onder letter b.

Tussentijdse conclusie

5.10

Nu de echtgenote niet binnen de contractuele vervaltermijn dan wel (voor zover dat aan de orde zou kunnen zijn) binnen de geldende verjaringstermijn jegens [geïntimeerden] een beroep heeft gedaan op het finaal verrekenbeding in de tussen erflater en echtgenote gesloten huwelijkse voorwaarden en er tussen [appellant 2] (in zijn voormelde hoedanigheid) en [geïntimeerde 1] (in zijn voormelde hoedanigheid) daarover evenmin een vaststellingsovereenkomst is gesloten, bestaat er geen vordering van (de erfgenamen van) de echtgenote op het bezwaarde vermogen uit hoofde van het finaal verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 8 van voornoemde huwelijkse voorwaarden. Het bestreden vonnis dient in zoverre te worden bekrachtigd. Hetgeen [appellanten] ter zake overigens nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Beroep op periodiek verrekenbeding

5.11

Naast het finaal verrekenbeding van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden van erflater en de echtgenote houdt artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding in. Lid 3 van artikel 5 bepaalt dat vorderingen ter zake van de verrekening niet verjaren en evenmin vervallen door tijdsverloop. Artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden luidt – voor zover in hoger beroep van belang – als volgt:|

“Artikel 5.

  1. Partijen verplichten zich jegens elkander ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun netto-inkomsten uit arbeid niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan beiden is ten goede gekomen. Onder inkomsten uit arbeid worden mede begrepen, de uitkeringen welke geacht moeten worden in de plaats te treden van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenen.

  2. De verrekening geschiedt doordat de verrekenplichtige partij binnen drie maanden na verloop van een kalenderjaar een zodanig bedrag uitkeert aan de andere partij dat daardoor per saldo ieder van partijen de helft heeft genoten van de gezamenlijke netto-inkomsten uit arbeid als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

  3. Vorderingen terzake van verrekening verjaren niet en vervallen evenmin door tijdsverloop.

  4. (…)

  5. De bepaling van de omvang van de netto-inkomsten uit arbeid, waaronder begrepen winst uit onderneming, geschiedt door het ter zake van deze arbeid in het belastbaar inkomen casu quo belastbaar loon begrepen bedrag te verminderen met de op dit bedrag betrekking hebbende inkomstenbelasting casu quo met de ingehouden loonbelasting.

  6. (…)”

5.12

[appellanten] stellen zich in de toelichting op hun grief 11 (randnummer 96 en volgende van de memorie van grieven) subsidiair op het standpunt dat het periodiek verrekenbeding nimmer is uitgevoerd, zodat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW het aan het einde van het huwelijk aanwezige vermogen in beginsel wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. [appellanten] berekenen de vordering van de echtgenote op de nalatenschap van erflater dan op de helft van het gezamenlijk vermogen, verminderd met het privévermogen van de echtgenote, hetgeen volgens hen resulteert in een bedrag van € 305.153,50.

5.13

Het hof stelt vast dat de huwelijkse voorwaarden van partijen weliswaar dateren van vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 maart. 2002 tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen), in werking getreden op 1 september 2002 (Stb. 2002, 152 en 370), maar dat volgens het overgangsrecht afdeling 2 van titel 8 van Boek 1 BW aangaande verrekenbedingen als uitgangspunt onmiddellijke werking heeft (zie art. IV lid 1 van genoemde wet). Huwelijkse voorwaarden die mede een periodiek of finaal verrekenbeding omvatten (zoals in deze zaak aan de orde is) blijven onverminderd van kracht, voor zover er geen strijd is met de in het wetsvoorstel opgenomen dwingendrechtelijke bepalingen. Voor zover in bestaande huwelijkse voorwaarden onderdelen van een verrekenbeding niet geregeld zijn, werkt afdeling 2 aanvullend (NnavV, Kamerstukken II 2001/02, 27 554, nr. 5, p. 13 en 14). Nu tijdens het huwelijk van de echtgenote en erflater onweersproken geen uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding en het beroep van [appellanten] op het finaal verrekenbeding niet slaagt, is het hof van oordeel dat [appellanten] in hun hoedanigheid van erfgenamen onder algemene titel van de echtgenote een beroep toekomt op artikel 1:141 lid 3 BW. Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt het volgende: “Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Artikel 143 is van overeenkomstige toepassing.” Deze wettelijke bepaling vormde (min of meer) een codificatie van de door de Hoge Raad gegeven bewijsregel (zie o.a. HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3695). Zoals hiervoor in r.o. 5.11 reeds is uiteengezet, is een eventuele vordering ter zake niet verjaard of vervallen. Krachtens artikel 1:142 lid 1 letter a BW is de peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen de datum waarop het huwelijk van de echtgenote en erflater is geëindigd door het overlijden van erflater, te weten: op 18 juli 2005.

5.14

Het hof stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat de woning van erflater door hem ten huwelijk aangebracht vermogen betreft, waarvan de waarde niet tussen partijen hoeft te worden verrekend.

5.15

Het hof overweegt voorts als volgt. [appellanten] hebben in het kader van het (niet-uitgevoerde) periodiek verrekenbeding een aantal losse vermogensbestanddelen naar voren gebracht die volgens hen in de verrekening moeten worden betrokken. Het betreft boekwinst uit hoofde van de verkoop in 1997 door erflater - die bloembollenkweker was - van bollengrond (producties 31 en 32), door [appellanten] gesteld op € 178.000,- en winst uit de door erflater gedreven onderneming in het boekjaar 2001 (productie 33, pagina 3), door [appellanten] gesteld op € 65.798,13. In totaal komt dit op een bedrag van in elk geval € 243.798,- aan overgespaard inkomen, waarvan de echtgenote volgens [appellanten] recht heeft op de helft ofwel € 121.899,-.

5.16

Ter terechtzitting hebben [appellanten] nog bepleit dat uit het overgelegd fiscaal rapport 1997 ten behoeve van erflater, met vermogensoverzicht 1996 tot en met 1998 (productie 40, pagina 14) volgt dat sprake moet zijn geweest van overgespaard inkomen, alsmede dat het daadwerkelijk gedurende het huwelijk van de echtgenote en erflater overgespaarde vermogen nog een stuk hoger zal liggen. Een concrete berekening met onderliggende stukken ter onderbouwing hebben [appellanten] echter niet overgelegd.

5.17

Gelet op het vorenstaande, acht het hof zich niet in staat de vordering inzake het niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding van [appellanten] vast te stellen. Daartoe ontbreekt om te beginnen een deugdelijke beschrijving van de vermogens van de echtgenote en de erflater per 18 juli 2005 die als uitgangspunt dient te gelden. De boedelbeschrijving zoals die is opgenomen in voormelde notariële akte van 5 maart 2015 kan niet als zodanig fungeren nu partijen - anders dan [appellanten] in randnummer 109 van de memorie van grievenstellen - het niet eens zijn over de juistheid daarvan. Het hof verwijst naar r.o. 5.8 hierboven. Daar komt bij dat [appellanten] , mede gezien de stand van de procedure, naar het oordeel van het hof niet heeft kunnen volstaan met het benoemen van losse verrekenposten, die bovendien onvoldoende zijn gesubstantieerd en onderbouwd.

5.18

De conclusie is dat de grief slaagt voor zover [appellanten] een beroep hebben gedaan op het niet-uitgevoerde periodieke verrekenbeding, maar dat het hof daaraan geen concreet bedrag kan verbinden.

5.19

Het vorenstaande brengt mee dat de veroordeling van [appellanten] door de rechtbank om aan [geïntimeerden] een bedrag van € 188.375,47 aan onverteerd testamentair bezwaard vermogen te voldoen, niet in stand kan blijven. Immers, de daartoe strekkende inleidende vordering van [geïntimeerden] blijkt gebaseerd te zijn op de verkeerde grondslag nu daarin geen rekening is gehouden met de niet-uitvoering van het periodieke verrekenbeding van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden van erflater en de echtgenote. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre dan ook vernietigen.

Privévermogen van de echtgenote versus bezwaard vermogen

5.20

[appellanten] zijn van mening dat de rechtbank bij het vaststellen van de omvang van het bezwaarde vermogen rekening had moeten houden met het privévermogen van de echtgenote, waaronder een nog aan te tonen Luxemburgse bankrekening. Dit privévermogen komt [appellanten] als de erfgenamen van de echtgenote toe en niet [geïntimeerden] (grief 12).

5.21

[geïntimeerden] hebben de stellingen van [appellanten] weersproken.

5.22

Het hof overweegt als volgt. Ook hier geldt dat de omvang van het bezwaarde vermogen enkel kan worden berekend met een deugdelijke boedelbeschrijving per datum overlijden erflater ( [datum 1] ) als uitgangspunt, welke deugdelijke boedelbeschrijving ontbreekt. Daarnaast was de echtgenote weliswaar bevoegd het bezwaarde vermogen te verteren conform het onder B.2.h bepaalde in het testament van de erflater, maar zij diende onder meer dat vermogen op grond van het bepaalde onder B.2.f van het testament van de erflater afzonderlijk te administreren. Dit heeft zij om haar moverende redenen nagelaten. Nu het hof niet over een beginopstelling per [datum 1] van de vermogens van erflater en de echtgenote beschikt en evenmin over een overzicht van het vermogensverloop en de daarmee samenhangende geldstromen nadien in de periode van het overlijden van de erflater op [datum 1] tot het overlijden van de echtgenote op [datum 2] , kan het hof niet vaststellen welke deel van het vermogen op de sterfdag van de echtgenote tot haar privévermogen behoorde en welk deel tot het bezwaarde vermogen. Hierbij is tevens relevant dat erflater in zijn testament onder B.2.j heeft bepaald dat bij het in vervulling gaan van de voorwaarde op de bezwaarde dan wel haar rechtverkrijgenden [lees: [appellanten] ; toev. hof] de verplichting rust om aan te tonen wat van het bezwaard vermogen is vervreemd of verteerd. Bovendien behoorde tot het privévermogen van de echtgenote tevens een vordering op het bezwaarde vermogen wegens het niet-uitgevoerde periodieke verrekenbeding, van welke vordering het hof - zoals hierboven reeds is overwogen - de omvang evenmin kan vaststellen.

5.23

Het vorenstaande brengt mee dat grief 12 van [appellanten] geen doel treft. De daarmee samenhangende vordering van [appellanten] zal worden afgewezen.

5.24

Het hof gaat voorbij aan het niet terzake dienende bewijsaanbod van [geïntimeerden] ter zake het horen van oud-notaris [notaris 1] [bedoeld zal zijn [notaris 1] ; toev. hof] over dat de notaris de echtgenote heeft voorgelicht over haar erfrechtelijke positie na het overlijden van erflater.

5.25

[geïntimeerden] hebben hun vordering [appellanten] te gelasten de afzonderlijke volledige administratie van het bezwaarde vermogen vanaf het overlijden van erflater tot het overlijden van de echtgenote in het geding te brengen ter terechtzitting desgevraagd nader toegelicht. Zij hebben verklaard dat dit geen vordering op de voet van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangaande de exhibitieplicht betreft, maar een beroep op artikel 22 Rv op grond waarvan de rechter de discretionaire bevoegdheid heeft om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bescheiden over te leggen. Het hof ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken nu vaststaat dat de echtgenote geen administratie van het bezwaarde vermogen heeft bijgehouden.

5.26

Gelet op de uitkomst van dit arrest, geeft het hof partijen ernstig in overweging een gecertificeerde notaris-mediator in te schakelen die partijen kan begeleiden bij het bereiken van een minnelijke schikking in de onderhavige zaak.

Proceskosten

5.27

Het hof ziet in de familierechtelijke aard van de zaak aanleiding de proceskosten in zowel eerste aanleg als in hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof zal de andersluidende vordering van [geïntimeerden] afwijzen.

5.28

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6Beslissing

Het hof, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:

- vernietigt r.o. 5.4 van het bestreden vonnis waarin [appellanten] hoofdelijk zijn veroordeeld tot afgifte en tot betaling van € 188.375,47 aan [geïntimeerden] in de nalatenschap van erflater en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- wijst de inleidende vordering van [geïntimeerden] ter zake alsnog af;

- bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover daarin onder r.o. 5.1 voor recht is verklaard dat geen tijdige finale verrekening op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden van 11 mei 1989 heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden tussen de afzonderlijke vermogens en nalatenschappen van enerzijds de echtgenote en anderzijds erflater;

- verklaart in aanvulling op het bestreden vonnis voor recht dat de erfgenamen van de echtgenote rechtsgeldig een beroep op het (niet-uitgevoerde) periodiek verrekenbeding van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden van 11 mei 1989 hebben gedaan;

- vernietigt r.o. 5.6 van het bestreden vonnis inzake de proceskostenveroordeling en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- compenseert de proceskosten van het geding in eerste aanleg in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en veroordeelt [geïntimeerden] de aan hen betaalde proceskosten ad € 7.740,- aan [appellanten] terug te betalen;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, A.E. Sutorius-Van Hees en G.G.B. Boelens en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733