Rechtbank Amsterdam 13-01-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:296

Essentie (gemaakt door AI)

Vader verzoekt vast te stellen dat zijn partneralimentatieplicht eindigt wegens samenleven van moeder met een ander als waren zij gehuwd (art. 1:160 BW) en vordert terugbetaling alimentatie en recherchekosten. In convenant staat beperkt niet‑wijzigingsbeding en een regeling bij samenleven. De rechtbank acht wel een duurzame affectieve relatie aannemelijk, maar samenwonen, gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging zijn onvoldoende onderbouwd. Art. 1:160 BW wordt restrictief toegepast. Afwijzing.

Datum publicatie26-02-2026
ZaaknummerC/13/768148 / FA RK 25-2980
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Recherchebureau bij bewijzen samenwoning
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek op grond van artikel 1:160 BW afgewezen. De man heeft onvoldoende aangetoond dat de vrouw en nieuwe partner samenwonen als ware zij gehuwd.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/768148 / FA RK 25-2980 (MT/RM)

Beschikking van 13 januari 2026 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. F.R. Brouwer te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. H.A. van Hapert te Amsterdam.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoek van de man, ingekomen op 21 april 2025;

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 13 mei 2025.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 december 2025.

Verschenen zijn:

  • de man en zijn advocaat;

  • de vrouw en haar advocaat.

1.3.

Van de zijde van zowel de man als vrouw zijn pleitnotities voorgedragen. De pleitaantekeningen van de man zijn ingekomen op 8 december 2025. De pleitnotities van de vrouw zijn overhandigd tijdens de mondelinge behandeling en naderhand ingediend bij de rechtbank.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op 11 juni 2015 te [locatie ] . Hun huwelijk is op 20 september 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Noord-Holland te Haarlem van 24 augustus 2023 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen hebben de gevolgen van de echtscheiding in onderling overleg geregeld en de afspraken vastgelegd in een convenant dat zij op 4 augustus 2023 hebben ondertekend. In het convenant is opgenomen dat de man een bedrag van € 4.688, - bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen.

Na de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie in 2025 € 5.302, - per maand.

2.3.

Verder zijn de partijen in het convenant – voor zover relevant – het volgende overeengekomen:

Beperkt niet-wijzigingsbeding

1.4

Het in artikel 1.2 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van de omstandigheden, behoudens in geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald.

In afwijking van artikel 1:159 lid 3 BW komen partijen overeen dat de in artikel 1.3

genoemde partneralimentatie kan worden gewijzigd indien een van partijen

arbeidsongeschikt wordt dan wel zonder zijn schuld en geheel onvrijwillig wordt ontslagen.

Art, 1:160 BW

1.7.

Indien de vrouw hertrouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat, is het in art. 1:160 BW bepaalde zonder meer van toepassing. Dit betekent dat de alimentatieverplichting definitief eindigt met ingang van de datum van hertrouwen, respectievelijk het laten registreren van het partnerschap.

In afwijking van het in art.1:160 BW bepaalde eindigt de alimentatieverplichting van de man niet onmiddellijk bij samenleven van de vrouw met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, maar zal deze doorlopen tot zes maanden na de aanvang van het samenleven en zal de alimentatie gedurende die periode gedeeltelijk worden doorbetaald, de man betaalt 50% van het in artikel 1.2 vastgestelde bedrag aan de vrouw.

In geval de samenleving na ommekomst van deze termijn nog voortduurt, eindigt de alimentatieverplichting op dat moment definitief. Voorwaarde voor de doorbetaling van de alimentatie tijdens het samenleven van de vrouw is dat de vrouw vóór de aanvang van de samenleving de man schriftelijk in kennis stelt van haar voornemen te gaan samenleven, zulks met mededeling van het tijdstip waarop de samenleving zal aanvangen en van de naam van degene met wie zij zal gaan samenleven. Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan geldt art. 1:160 BW onverkort, ook in geval van samenleven.

1.8

In het geval in de toekomst sprake zou zijn van meerdere perioden van samenleving die telkens binnen de overeengekomen periode van zes maanden worden verbroken, dan geldt deze regeling voor iedere periode van (onderbroken) samenleving met verschillende personen. Meerdere perioden van samenleving met dezelfde partner worden voor wat betreft de duur van de samenleving als één ononderbroken samenleving beschouwd.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoek

3.1.1.

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • te bepalen dat de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw met ingang van 20 september 2023, althans een zodanige datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, is geëindigd op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW);

  • te bepalen dat de vrouw gehouden is om alle onderhoudsbijdragen die zij van de man heeft ontvangen voor zover die zien op de periode na beëindiging van de alimentatieplicht aan de man dient terug te betalen;

  • te bepalen dat de vrouw gehouden is om aan de man te vergoeden € 12.635, - in verband met de door hem gemaakte recherchekosten.

3.2.

Het verweer

3.2.1.

De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man en verzoekt het verzoek van de man af te wijzen met een veroordeling van de man in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het juridisch kader

4.1.1.

Op grond van artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

4.1.2.

Volgens vaste jurisprudentie moet voor een geslaagd beroep op de omstandigheid dat de wederpartij is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, aan een aantal voorwaarden worden voldaan. In dat geval moeten de vrouw en haar nieuwe partner (de [nieuwe partner van de vrouw] ) een duurzame affectieve relatie met elkaar hebben, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt toegepast. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest. De stelplicht en bewijslast ter zake deze bepaling, waarop de man zich beroept, ligt bij hem. 1

4.2.

De standpunten

4.2.1.

De man stelt dat zich de situatie van artikel 1:160 BW voordoet en aan alle vereisten van de jurisprudentie is voldaan. De vrouw heeft een duurzame affectieve relatie met de [nieuwe partner van de vrouw] . Volgens de man hebben de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] al een relatie sinds 24 mei 2023, toen partijen nog gehuwd waren. Dit blijkt onder meer uit het [applicatie] account van de vrouw. Van zijn zoon weet de man dat deze veelvuldig met zijn vriendin in de woning van de vrouw slaapt omdat zij altijd bij de [nieuwe partner van de vrouw] de weekenden doorbrengt.

4.2.2.

Daarnaast stelt de man dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft de man een recherchebureau ingeschakeld, dat geobserveerd heeft in de periode van 10 november 2024 tot en met 1 februari 2025. De bevindingen zijn vastgelegd in het rapport van 7 februari 2025. Uit het rapport blijkt volgens de man dat de levens van de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] zodanig vervlochten zijn geraakt, dat zij daadwerkelijk samenwonen. De vrouw brengt gedurende het merendeel van de geobserveerde periode de nacht door bij de [nieuwe partner van de vrouw] , ze verlaten regelmatig samen één van de woningen, rijden in elkaars auto en hebben de sleutels van elkaars woning. Het feit dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] ieder hun eigen woning aanhouden, sluit het samenwonen niet uit. Ook maken de kinderen van de vrouw en de kinderen van de [nieuwe partner van de vrouw] deel uit van de relatie. Daarnaast blijkt dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] elkaar wederzijds verzorgen. Ze doen samen boodschappen - waarbij ze soms voor elkaar betalen - en de vrouw is verzorgd door de [nieuwe partner van de vrouw] na een plastisch chirurgische ingreep in december 2024. Ten slotte stelt de man dat er sprake is van een gemeenschappelijk huishouding, omdat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] samen met elkaar op vakantie gaan, samen boodschappen doen en samen sporten.

4.2.3.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt de rechtbank om het verzoek van de man af te wijzen. De vrouw voert allereerst aan dat uit het convenant volgt dat een situatie zoals bedoeld is in artikel 1:160 BW zich pas voordoet na een minimumtermijn van onafgebroken zes maanden. Deze periode is niet gesteld dan wel aangetoond door de man. Daarnaast blijkt uit het rechercherapport dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] in totaal maar zeventien dagen samen zijn geweest in de geobserveerde periode, verdeeld over drie periodes die elkaar niet opvolgen. De vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] zijn slechts incidenteel voor langere periode samen als de nood aan de man is. Hieruit volgt ook dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] geen affectieve relatie van duurzame aard hebben. Het is voor de vrouw daarbij onduidelijk waarom de sportprestaties van de vrouw relevant zijn. De vrouw sport niet vaak samen met de [nieuwe partner van de vrouw] . Verder zijn de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] slechts 29 dagen samen in het buitenland geweest.

4.2.4.

De vrouw betwist ook dat zij en de [nieuwe partner van de vrouw] elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De vrouw voert daartoe aan dat ze niet daadwerkelijk samenwonen. De [nieuwe partner van de vrouw] doet aan ‘bird nesting’ samen met zijn ex-partner in een woning in [plaats 1] en heeft daarnaast een eigen woning in [plaats 2] . De vrouw woont in [woonplaats 2] en betaalt de woonlasten daarvan. Het zwaartepunt van haar bestaan ligt daar. De vrouw betwist ook dat zij bewust haar eigen woning aanhoudt, zonder daar daadwerkelijk te wonen, om aanspraak te kunnen blijven maken op alimentatie Daarnaast is er geen sprake van wederzijdse verzorging. Het bewijs van de man is daarvoor te dun. De vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] hebben slechts een paar keer samen boodschappen gedaan en betalen alles apart of verrekenen een en ander. Ook is er geen financiële verstrengeling, zij hebben geen gezamenlijke rekening. Ten slotte voeren de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] ook geen gemeenschappelijk huishouden. Voor een langere periode werd slecht 14,1% van de totale uitgaven aan boodschappen in [plaats 2] gedaan. Dat is verwaarloosbaar. Ook maken de kinderen geen deel uit van de relatie. Volgens de vrouw is de relatie met de [nieuwe partner van de vrouw] inmiddels in april 2025 verbroken.

4.3.

De beoordeling

4.3.1.

De rechtbank is van oordeel dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW tussen de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] , zoals nader uitgewerkt in het convenant, op grond waarvan de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw geëindigd zou zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3.2.

De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] vanaf enig moment na 24 mei 2023 tot april 2025 een duurzame affectieve relatie met elkaar hebben gehad. Door de vrouw is niet betwist dat sprake is geweest van een affectieve relatie, wel dat deze duurzaam was. De rechtbank is van oordeel dat moet worden aangenomen dat deze relatie wel degelijk van duurzame aard is geweest nu de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] in ieder geval sinds mei 2023 een vorm van een relatie hebben gehad die zich gedurende de tijd heeft ontwikkeld. Daarbij verbleven zij regelmatig bij elkaar en gingen zij diverse malen samen op vakantie. De rechtbank stelt vast dat de affectieve relatie ongeveer twee jaar heeft geduurd en daarmee een affectieve relatie is geworden van duurzame aard. Gelet op het volgende kan verder in het midden blijven vanaf wanneer de relatie duurzaam is geworden.

4.3.3.

Anders dan de man stelt kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de stellingen van de man niet worden geconcludeerd dat de vrouw met de [nieuwe partner van de vrouw] heeft samengewoond. De rechtbank overweegt dat uit het rechercherapport blijkt dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] zijn geobserveerd in de periode van 10 november 2024 tot en met 1 februari 2025. Door de man wordt gesteld dat daaruit blijkt dat de vrouw in de periode van 10 november tot en met 18 november 2024 vijf nachten sliep in de woning in [plaats 2] of [plaats 1] . In de periode 19 december 2024 tot en met 28 december 2024 was het volgens hem lastiger observeren in verband met de feestdagen maar in ieder geval staat volgens de man vast dat de vrouw van 21 december 2024 tot en met 24 december 2024 in de woning in [plaats 2] verbleef en de [nieuwe partner van de vrouw] haar op 24 december 2024 in de buurt van een kliniek in [woonplaats 2] heeft afgezet. Verder stelt de man dat de vrouw samen met de [nieuwe partner van de vrouw] en zijn kinderen kerst en Oud en nieuw heeft gevierd en dat de vrouw in de periode van 24 januari 2025 tot en met 1 februari 2025 vijf nachten met de [nieuwe partner van de vrouw] was. De rechtbank kan uit het rapport niet afleiden dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] samen kersten oud en nieuw hebben gevierd. De vrouw heeft betwist dat zij samen met de man kerst heeft gevierd. Zij heeft erop gewezen dat zij in de rapportage op 21 december 2024 ten onrechte is verward met de ex-vrouw van de [nieuwe partner van de vrouw] met wie hij “bird nesting” doet. De man heeft dit niet betwist. Tijdens de periode van oud en nieuw is er niet geobserveerd. Wel heeft de vrouw aangevoerd dat ze gedurende een periode na haar operatie bij de man heeft verbleven.

Slotsom is dat uit de rapportage en de niet betwiste stellingen van de man uiteindelijk niet meer volgt dan dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] in de geobserveerde periode van 10 november 2024 tot en met 1 februari 2025 ongeveer 17 dagen samen zijn geweest en wellicht iets meer dagen, omdat de vrouw enige dagen bij de man door de man is verzorgd na haar operatie op 24 december 2025.

Daarnaast is van belang dat de vrouw haar eigen woning in [woonplaats 2] heeft en de [nieuwe partner van de vrouw] zowel een eigen woning in [plaats 2] als een woning in [plaats 1] die hij met zijn ex-vrouw gebruikt voor “bird nesting”. Zij hebben vijf kinderen. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de vrouw haar woning niet daadwerkelijk voor zichzelf gebruikt en slechts aanhoudt ‘pour besoin de la cause’. De vrouw heeft verder gemotiveerd betwist dat zij over de sleutel van de woning van de man beschikte, zij voert daarover aan dat zij twee keer vooruitging en toen vast de sleutel van de [nieuwe partner van de vrouw] kreeg. De observatie in het rapport waar de [nieuwe partner van de vrouw] op 18 november 2024 de woning opent voor iemand, betrof volgens de vrouw zijn eigen woning in [plaats 2] en niet de woning van de vrouw, zoals door de man ten onrechte wordt gesteld. Tevens heeft de vrouw aangevoerd dat ze veel vaker alleen of met anderen dan de [nieuwe partner van de vrouw] ging sporten en slechts in beperkte mate vanuit een woning van de [nieuwe partner van de vrouw] . Daartegenover heeft de man zijn stellingen onvoldoende nader onderbouwd. Op grond van dit alles is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] hebben samengewoond. Zij hebben enkel zoals te doen gebruikelijk bij een affectieve relatie regelmatig bij elkaar overnacht, samen dagen doorgebracht en vakanties gevierd.

4.3.4.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en elkaar wederzijds verzorgen. De man heeft daartoe gesteld dat de vrouw en de [nieuwe partner van de vrouw] samen op vakantie gaan, samen boodschappen doen, vaak samen eten en samen sporten. Ook stelt de man dat de vrouw door de [nieuwe partner van de vrouw] verzorgd is na het ondergaan van een medische ingreep, dat de vrouw beschikt over een sleutel van het huis van de [nieuwe partner van de vrouw] en dat zij in elkaars autorijden. Uit de jurisprudentie blijkt dat het vereiste van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding een zekere verstrengeling impliceert in die zin dat betrokkenen financieel en/of anderszins elkaar het nodige verschaffen en dat de omstandigheden die door de man gesteld worden onvoldoende zijn om vast te stellen dat zij elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. 2 De door de man gestelde gedragingen passen immers ook binnen een duurzame affectieve relatie waarbij partijen elkaar niet wederzijds verzorgen of een gemeenschappelijke huishouding voeren.

4.3.5.

Gelet op al het voorgaande en met inachtneming van de restrictieve uitleg van artikel 1:160 BW, is de rechtbank van oordeel dat de man er onvoldoende in is geslaagd om aan te tonen dat de vrouw met de [nieuwe partner van de vrouw] heeft samengewoond als ware zij gehuwd. Er is hierdoor geen sprake van hetgeen partijen zijn overeengekomen in artikel 1.7 van hun echtscheidingsconvenant als grond voor beëindiging van de alimentatieplicht van de man. Nu in het geheel geen samenleving als ware de vrouw gehuwd wordt aangenomen, behoeft niet verder in te worden gegaan op het verweer van de vrouw dat niet is voldaan aan de in artikel 1.7 van het convenant vermelde minimumtermijn van zes maanden. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de man om te bepalen dat de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw is geëindigd op grond van artikel 1:160 BW af.

4.4.

Te veel betaalde partneralimentatie en recherchekosten

4.4.1.

Gelet op het voorgaande ziet rechtbank geen aanleiding om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door de man betaalde partneralimentatie, of vergoeding van de recherchekosten. Ook deze verzoeken wijst de rechtbank daarom af.

4.5.

Proceskosten

4.5.1.

De vrouw voert aan dat een proceskostenveroordeling op zijn plaats is, omdat de man had kunnen weten dat artikel 1:160 BW niet van toepassing is als hij de criteria kritisch had doorlopen. De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen ex-partners terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling. Dit om te voorkomen dat de relatie verder wordt belast. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt hiervan afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van zo’n uitzonderlijk geval. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw af.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. Terwee, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R. Muller, griffier, op 13 januari 2026 3

De griffier is buiten staat te tekenen

1

HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724.

2

Zie onder meer Hof Den Haag 20 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3609, Hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3491 en Hof Den Haag 15 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2169.

3

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733