Essentie (gemaakt door AI)
Beschikking ex art. 1:253a BW waarin het verzoek van moeder om vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met [het kind] naar [woonplaats 2] wordt afgewezen wegens ontbrekende noodzaak, onvoldoende voorbereiding en te grote impact op contact met vader (HR [[ECLI:NL:HR:2008:BC5901]]). Verzoek vader tot verhuisverbod met dwangsom en tot terugverhuizing wordt afgewezen. Vader is niet-ontvankelijk in verzoeken over hoofdverblijfplaats en zorgregeling, gelet op lopende ontbindingsprocedure (art. 827, 828, 815 Rv;| Datum publicatie | 25-02-2026 |
| Zaaknummer | C/05/458966 / FZ RK 25-2777 |
| Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
| Zittingsplaats | Zutphen |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Gezagsgeschil 1:253a BW; Familieprocesrecht; Nevenvoorzieningen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoeken hoofdverblijfplaats en zorgregeling in procedure 1:253a BW i.v.m. lopende procedure ontbinding geregistreerd partnerschap waarin partijen eerst zelf moeten proberen tot overeenstemming te komen over de afspraken over de kinderen.Volledige uitspraak
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/458966 / FZ RK 25-2777
Datum uitspraak: 19 februari 2026
beschikking ex artikel 1: 253a BW
in de zaak van
[naam moeder] ,
hierna: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn,
tegen
[naam vader]
hierna: de vader,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. P.K. de Blieck-Willemsen te Vaassen
1Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift ingekomen bij de griffie op 6 november 2025;
- het verweerschrift ingekomen bij de griffie op 23 december 2025;
- het journaalbericht met bijlagen van mr. Wekking, ingekomen bij de griffie op 19 januari 2026;
- de pleitnotitie van mr. Wekking van 22 januari 2026;
- het journaalbericht met bijlagen van mr. Wekking, ingekomen bij de griffie op 28 januari 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling van 22 januari 2026 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Wekking;
- de vader, bijgestaan door mr. de Blieck-Willemsen;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen opdracht gegeven om binnen één week na de zitting aan de rechtbank te laten weten welke afspraken er zijn gemaakt met betrekking tot het contact tussen [het kind] en de vader. De rechtbank heeft op 28 januari 2026 het voorlopig omgangs- en contactplan ontvangen waar partijen overeenstemming over hebben.
2De feiten
Tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen is geboren het minderjarige kind:
- [het kind], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [het kind] .
De vader heeft de minderjarige erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [het kind] uit.
[het kind] verblijft met haar moeder in [woonplaats 2] (bij de ouders van de moeder).
3Het verzoek
De moeder verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan haar vervangende toestemming te verlenen om samen met [het kind] te mogen verhuizen naar [woonplaats 2] .
De moeder stelt dat partijen op 5 september 2025 hebben besloten om uit elkaar te gaan. Voor de moeder is de hoofdreden het recidiverende alcoholgebruik van de vader. Partijen hebben geprobeerd afspraken te maken over een verhuizing van de moeder naar [woonplaats 2] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [het kind] . Helaas heeft mediation niet geleid tot afspraken tussen partijen.
De moeder heeft per 1 december 2025 een baan geaccepteerd als leerkracht in het basisonderwijs in [woonplaats 2] . De moeder wil dan ook graag samen met [het kind] naar [woonplaats 2] verhuizen. Oorspronkelijk komen partijen ook uit [woonplaats 2] . Zij wonen sinds 31 juli 2020 in [woonplaats 1] . De moeder heeft de vader aangegeven te willen terugverhuizen naar de Randstad, zodat zij dichter bij haar netwerk woont en de vader kan blijven steunen in zijn zoektocht naar geschikt werk en in zijn pogingen zijn alcoholverslaving onder controle te krijgen. Nu de vader niet bereid is om aan de moeder toestemming te verlenen voor de verhuizing, ziet de moeder zich genoodzaakt haar verzoek om te mogen verhuizen aan de rechtbank voor te leggen.
De moeder is van mening dat er gekeken moet worden naar een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [het kind] , maar stelt daarbij wel als voorwaarde dat als [het kind] bij de vader is daar een volwassene aanwezig is voor de ondersteuning van de vader.
4Het verweer tevens zelfstandig verzoek
De vader verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verzoeken van de moeder af te wijzen;
Bij zelfstandig verzoek
Primair
II. de moeder te verbieden om met de minderjarige naar [woonplaats 2] te verhuizen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) dat de moeder dit verbod overtreedt, met een maximum aan de vader te verbeuren dwangsommen van € 50.000,-;
III. te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader;
IV. te bepalen dat er een zorgregeling wordt getroffen waarbij de omgang op basis van een week-op-week-af regeling plaatsvindt, met de overdracht op zondag, dan wel een zorgregeling welke de rechtbank in goede justitie juist acht;
V. te bepalen dat, indien de moeder is verhuisd naar [woonplaats 2] , zij binnen drie dagen na afgifte van de beschikking, dan wel een termijn die de rechtbank in goede justitie juist acht, terug dient te verhuizen naar [woonplaats 1] , dan wel een plek dichter in de buurt van de vader dan wel te bepalen dat de hoofdverblijfplaats wordt gewijzigd naar de vader als de moeder niet binnen drie dagen na afgifte van de beschikking, dan wel een termijn die de rechtbank in goede justitie juist acht, is terugverhuisd naar [woonplaats 1] ;
Subsidiair
VI. te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader en dat er een zorgregeling wordt getroffen waarbij de omgang op basis van een week-op-week-af regeling plaatsvindt, met de overdracht op zondag, dan wel een zorgregeling welke de rechtbank in goede justitie juist acht.
De vader stelt dat hij al meer dan 20 jaar incidenteel kampt met het reguleren van heftige emoties en overprikkeling, hetgeen samenhangt met zijn autisme. De diagnose ASS werd in juni 2022 officieel gesteld. De periodes waarin de vader incidenteel alcohol gebruikte, betroffen steeds kortdurende terugvallen van enkele dagen in periodes van extreme stress. De huisarts en POH-GGZ kwalificeerden dit als ASS-gerelateerde overprikkeling en niet als een verslaving.
Eind augustus 2025 gaf de moeder plotseling aan te willen verhuizen. Voor de vader kwam dit onverwacht. Hij had tijd nodig om zich te oriënteren waar hij wel of niet zou willen wonen, mede omdat hij niet terug wil naar een grote stad. De vader heeft aangedrongen op gezamenlijke gesprekken bij de POH-GGZ of relatietherapie, met als doel de communicatie tussen partijen te verbeteren.
Op 25 september 2025 zijn partijen gezamenlijk naar hun eerste afspraak bij de mediator gegaan. Tijdens de laatste bijeenkomst met de mediator op 16 oktober 2025 lag er een concept-ouderschapsplan klaar. De moeder kon zich echter niet vinden in de inhoud van dit concept en heeft boos de bijeenkomst verlaten. Na dit incident is de moeder samen met [het kind] vertrokken naar haar zus in [plaats] . Sindsdien heeft de vader niet of nauwelijks nog contact gehad met [het kind] .
De vader stelt dat er een afspraak lag waarbij [het kind] de ene week bij de moeder zou verblijven en de andere week bij de vader. De moeder is hier later op teruggekomen. Om die reden heeft de vader tot op heden geen toestemming voor verhuizing gegeven. De vader acht het niet in het belang van [het kind] dat zij naar [woonplaats 2] verhuist. Daarnaast acht de vader [woonplaats 1] een meer veilige omgeving voor [het kind] .
De vader stelt dat hij de afgelopen jaren goed heeft gezorgd voor [het kind] . [het kind] is aan het opgroeien tot een vrolijk en ondernemend kind. De vader beschouwt de zorg voor [het kind] als zijn belangrijkste verantwoordelijkheid en wenst dit in een gelijkwaardige zorgregeling voort te zetten.
5Het standpunt van de Raad
De Raadvertegenwoordigster brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat zij zich zorgen maakt over [het kind] . Als de moeder binnen drie dagen dient terug te keren naar [woonplaats 1] brengt dit voor [het kind] veel onrust en spanning met zich mee. De Raad ziet echter ook dat de afstand tussen [woonplaats 2] en [woonplaats 1] groot is. Met de auto is het een uur en drie kwartier rijden. De reisafstand tussen de ouders zal een probleem worden waar [het kind] de prijs voor zal betalen. Het is in het belang van [het kind] dat de situatie zo stabiel mogelijk is en dat zij haar vader regelmatig kan zien.
De Raad wijst erop dat het zeer ingrijpend is als de moeder zich op dit moment definitief gaat vestigen in [woonplaats 2] . Van belang is dat door de ouders eerst wordt onderzocht wat de consequenties van de verhuizing zijn en welke opties er zijn. De Raad adviseert dat de moeder voorlopig met [het kind] bij haar ouders blijft en nog geen huurverplichting aangaat. Vanuit deze situatie kunnen de ouders een ouderschapstraject volgen voordat rigoureuze besluiten worden genomen. Er is nog veel te bespreken tussen de ouders. De ontbinding van het geregistreerd partnerschap moet nog plaatsvinden. Daarbij moeten afspraken gemaakt worden over de hoofdverblijfplaats van [het kind] , de zorgregeling en de verkoop van de gezamenlijke woning.
De zorgen van de moeder over de belasting van de vader acht de Raad reëel.
De Raad vindt dat het goed zou zijn als de omgang tussen de vader en [het kind] wordt begeleid. De Raad denkt hierbij aan de oma (vz). Het is belangrijk dat [het kind] wekelijks een dag kan doorbrengen met haar vader, daar waar de vader verblijft.
6De beoordeling
Het verzoek van de moeder om vervangende toestemming om te mogen verhuizen
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag een geschil tussen de ouders hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Het feit dat de ouders gezamenlijk het gezag over [het kind] uitoefenen maakt dat de moeder voor het veranderen van de woonplaats van [het kind] toestemming van de vader nodig heeft, of vervangende toestemming van de rechtbank. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Bij haar beslissing neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat iedere ouder in beginsel het recht heeft om zijn of haar leven met een kind in te richten op de manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt ook de vrijheid om op een andere plek te gaan wonen. De rechtbank brengt alle omstandigheden in kaart en maakt dan een belangenafweging. Het belang van het kind staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [het kind] te verhuizen naar [woonplaats 2] afwijzen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Volgens vaste rechtspraak worden door de rechtbank - onder meer - de volgende
omstandigheden en belangen meegenomen/afgewogen:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van het kind, zijn/haar mening en de mate waarin het kind geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
De noodzaak tot verhuizing
De rechtbank is van oordeel dat er voor de moeder geen noodzaak is om met [het kind] te verhuizen naar [woonplaats 2] . Vaststaat dat de relatie tussen de ouders is verbroken en dat de gemeenschappelijke woning inmiddels te koop staat. De noodzaak voor de moeder om een ander huis te zoeken is daarmee gegeven. De noodzaak om in [woonplaats 2] te gaan wonen, met een reistijd van een uur en drie kwartier van [woonplaats 1] , is er naar het oordeel van de rechtbank echter niet. Dat de moeder hier oorspronkelijk vandaan komt en dan dichter bij haar netwerk woont maakt de wens begrijpelijk. Het maakt echter niet dat het belang van de moeder om met [het kind] naar [woonplaats 2] te vertrekken, zwaarder dient te wegen dan het belang van [het kind] om goed contact met beide ouders te kunnen blijven houden. Duidelijk is dat dit laatste wordt bemoeilijkt door naar [woonplaats 2] te verhuizen.
De mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, geboden alternatieven en onderlinge communicatie
De moeder stelt dat sprake was van een gezamenlijk beluit om (terug) te verhuizen naar de Randstad. De vader betwist dit nadrukkelijk. Volgens de vader kwam de wens om te verhuizen naar de Randstad uitsluitend van de moeder. De vader bevond zich in een oriënterende fase waarin werd gesproken over de toekomst, maar hij had geen intentie of concrete plannen om zelf naar de Randstad te verhuizen. Gesteld noch gebleken is dat de moeder, na het verbreken van de relatie met de vader, concrete pogingen heeft ondernomen om een passende woning in de omgeving van [woonplaats 1] te vinden. Zij heeft zich volledig gericht op verblijf in [woonplaats 2] . De rechtbank is van oordeel dat de moeder hierin te voortvarend te werk is gegaan en dat zij de verhuizing onvoldoende heeft doordacht en voorbereid. De relatiebreuk van partijen was nog vers en in dat kader zijn er nog altijd veel onzekerheden. Daar hoort ook bij dat nog onduidelijk is waar de vader na de verkoop van de gezamenlijke woning gaat wonen. De moeder heeft zodoende de vader onvoldoende betrokken in de voorbereiding van haar verhuizing. Zij heeft [het kind] vervolgens zonder zijn toestemming ingeschreven voor de dagopvang in [woonplaats 2] . Omdat dit een gezagsbeslissing is, had de moeder dit niet eenzijdig mogen doen. Het is van belang dat partijen nu eerst een pas op de plaats maken, zodat de onderlinge communicatie verbeterd kan worden en de moeder samen met de vader naar alternatieven kan zoeken.
De mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg
Naar voren is gekomen dat na het besluit om uit elkaar te gaan, tussen partijen niet of nauwelijks meer wordt gecommuniceerd. Partijen hebben geprobeerd om via mediation tot overeenstemming te komen over de toekomst van [het kind] . Dit traject is niet geslaagd en heeft ook geen vervolg gekregen.
De leeftijd van het kind, zijn/haar mening en de mate waarin het kind geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen
[het kind] is nog jong en kwetsbaar. Het is niet in het belang van [het kind] , zo niet schadelijk, als zij onder spanning moet verhuizen of terugverhuizen zonder dat er duidelijke afspraken zijn.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing naar [woonplaats 2] , afwijzen. De noodzaak voor een verhuizing is onvoldoende vast komen te staan en de verhuizing is onvoldoende doordacht en voorbereid. Ook heeft de moeder onvoldoende laten blijken hoe zij de praktische problemen daarvan voor de zorgregeling ondervangt. De rechtbank acht daarom de verhuizing van de moeder met [het kind] naar [woonplaats 2] prematuur en voor nu te ingrijpend. De verhuizing staat een evenwichtige verdeling van de zorg- en opvoedtaken in de weg. [het kind] is nog erg jong en als de moeder zich definitief in [woonplaats 2] vestigt heeft dit grote gevolgen. De rechtbank vindt dat de ouders in het kader van de ontbinding van hun partnerschap beter moeten onderzoeken wat de consequenties zijn van de verhuizing en welke alternatieven er zijn. Het is van belang dat de ouders eerst samen afspraken maken over een gelijkwaardige zorgregeling.
Zoals door de Raad naar voren gebracht is het echter niet in het belang van [het kind] om per direct terug te verhuizen naar [woonplaats 1] omdat dit veel onrust en spanning tussen de ouders zal veroorzaken. Bovendien is onduidelijk waar de moeder en [het kind] dan zouden moeten verblijven. Het is daarom voor [het kind] rustiger dat de moeder voorlopig met [het kind] bij haar ouders in [woonplaats 2] blijft. Vanuit deze situatie kunnen de ouders een ouderschapstraject volgen voordat rigoureuze besluiten worden genomen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de moeder nu nog geen huurverplichting aan gaat. Er is nog veel te bespreken tussen de ouders. De ontbinding van het geregistreerd partnerschap moet nog plaatsvinden. In dat kader moeten afspraken gemaakt worden over de hoofdverblijfplaats van [het kind] en de zorgregeling. Ook zullen partijen hun financiële en vermogensrechtelijke zaken moeten regelen, waaronder de verkoop van de gezamenlijke woning. Naar aanleiding van de mondelinge behandeling hebben de ouders een Voorlopig Omgangs- en Contactplan opgesteld met als doel om het contact tussen [het kind] en de vader voor de komende periode vorm te geven. Dit plan zal onderwerp van gesprek dienen te zijn in het ouderschapstraject dat de ouders hebben aangegeven te gaan volgen.
Verzoek (II) van de vader om de moeder te verbieden te verhuizen en het verzoek (V) van de vader om terugverhuizing
De moeder heeft ter zitting aangegeven dat indien de rechtbank haar geen vervangende toestemming geeft om te verhuizen zij deze uitspraak zal respecteren en op zoek zal gaan naar een passende oplossing. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de moeder de beslissing van de rechtbank naast zich neer zal leggen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader om de moeder te verbieden om met [het kind] naar [woonplaats 2] te verhuizen (op straffe van een dwangsom) afwijzen. De moeder en [het kind] staan nog ingeschreven in [woonplaats 1] . De rechtbank zal ook het verzoek van de vader om te bepalen dat de moeder binnen drie dagen na afgifte van de beschikking dient terug te verhuizen naar [woonplaats 1] afwijzen.
Verzoeken (III, IV en VI) van de vader met betrekking tot hoofdverblijfplaats en zorgregeling
De rechtbank verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken om te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft en een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat er binnen deze procedure geen ruimte is om te beslissen op dit verzoek. Tussen partijen loopt nog een aparte procedure over het door de moeder ingediende verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen. In die procedure kunnen, zo blijkt uit artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), definitieve beslissingen worden genomen over de hoofdverblijfplaats van [het kind] en de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Uit artikel 828 Rv volgt dat dat ook geldt in het geval van een ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen.
Uit artikel 815 lid 2 en lid 6 in samenhang met artikel 828 Rv volgt bovendien dat ouders, voordat de rechtbank op het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap beslist, eerst zelf moeten proberen tot overeenstemming te komen over de afspraken over de kinderen. Het verzoek moet namelijk een ouderschapsplan bevatten waarin dergelijke afspraken zijn vastgelegd. Het ontbreken van een ouderschapsplan leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek.
Het doel van deze verplichting tot het indienen van een ouderschapsplan is dat ouders in een vroegtijdig stadium nadenken over de invulling van het ouderschap na de scheiding en hierover goede afspraken maken om conflicten achteraf te voorkomen. En hoewel de wet het de rechtbank niet expliciet verbiedt om een beslissing te nemen over de door de vader gedane verzoeken, acht de rechtbank zo’n beslissing in dit geval in strijd met eerdergenoemd doel. De rechtbank vindt het van groot belang dat partijen eerst samen tot overeenstemming proberen te komen over de invulling van de zorg voor [het kind] . Het is daarbij belangrijk dat er een stabiele situatie komt zonder al te veel wisselingen en dat [het kind] haar vader regelmatig kan zien. Met de Raad oordeelt de rechtbank dat het overhaast nemen van rigoureuze besluiten, zoals het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [het kind] , de spreekwoordelijke deur dichtgooit en ouders niet zal helpen om samen te komen tot constructieve en gedragen oplossingen die in het belang zijn van [het kind] . De rechtbank vindt het verder belangrijk dat ouders het advies van de Raad volgen om, ter verbetering van hun onderlinge communicatie (over [het kind] ), een hulpverleningstraject starten.
Omdat de rechtbank het, net als de Raad, essentieel vindt dat, totdat is beslist op het verzoek tot het ontbinden van het geregistreerd partnerschap, [het kind] haar vader wekelijks ziet, heeft de rechtbank partijen verzocht om samen tot overeenstemming te komen over een tijdelijke zorgregeling. Partijen hebben de rechtbank inmiddels bericht dat dat hen is gelukt en zij hebben de rechtbank een voorlopig omgangs- en contactplan toegezonden. De rechtbank zal dat plan, overeenkomstig de daarover op de mondelinge behandeling gedane toezegging, aan deze beschikking hechten.
7De beslissing
De rechtbank
wijst af het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om samen met [het kind] te mogen verhuizen naar [woonplaats 2] ;
wijst af het verzoek van de vader om de moeder te verbieden om met [het kind] naar [woonplaats 2] te verhuizen (II);
wijst af het verzoek van de vader om de moeder te bevelen terug te verhuizen (V);
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn overige verzoeken (III, IV en VI);
verstaat dat de ouders een voorlopig omgangs- en contactplan zijn overeengekomen zoals in de bijlage is vermeld die is aangehecht aan deze beschikking.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Grosscurt (voorzitter), mr. A.E.M. Overkamp en mr. K. van der Lee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Lempers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026. |
||
|
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
