Rechtbank Rotterdam 12-02-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1883

Essentie (gemaakt door AI)

Long covid vader. Verzoek vrouw om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken belang. In bodemprocedure wordt eenhoofdig gezag afgewezen: kind niet klem, wel verwachting van verbetering; afspraken in ouderschapsplan over gezag niet geldig: gezag staat niet ter vrije bepaling ouders. Evenmin vervangende toestemming voor reeds lopende behandeling kind, ook daar gebrek aan belang. Wel andere zorgregeling: man krijgt tijdelijk verbod op contact wegens behandeltraject en zwaarwegend belang kind. KAL opnieuw berekend.

Datum publicatie25-02-2026
ZaaknummerC/10/691686 / FA RK 24-9579
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Geen omgang (een van) ouders; Gezag;
Alimentatie; Inkomensstijging en behoefte kinderalimentatie;
Familieprocesrecht; Ouderschapsplan (en ontvankelijkheid)
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Partijen zijn het erover eens dat de vrouw moet worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige. Zij hebben deze afspraak opgenomen in een ouderschapsplan en verzocht dit ouderschapsplan op te nemen in de beschikking. De rechtbank overweegt dat het ouderlijk gezag niet ter vrije bepaling van partijen staat en dat hier niet zomaar afstand van kan worden gedaan door de man. De man heeft het recht op en de plicht tot opvoeding van de minderjarige. De rechtbank wijst het verzoek af. Aan de man wordt een verbod opgelegd tot omgang met de minderjarige, welk verbod naar zijn aard tijdelijk is. Tot slot wordt de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage gewijzigd. De netto besteedbare inkomens van beide partijen overstijgen het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen, zodat de behoefte van de minderjarige opnieuw moet worden berekend. Bij die berekening moet de rechtbank ook rekening houden met het feit dat de man inmiddels met zijn nieuwe partner twee kinderen heeft gekregen, zodat sprake is van een samengesteld gezin.

Volledige uitspraak


Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/691686 / FA RK 24-9579

Beschikking van 12 februari 2026 over het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv en de bodemprocedure

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. D.K.P.K. el Fadili te Oegstgeest,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. J.H. de Jong te Rotterdam.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 december 2024;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 21 maart 2025;

  • het aanvullend zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 9 januari 2026;

  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 19 december 2025.

1.2.

De vrouw heeft op 19 januari 2026 nog twee berichten ingediend met bijlage 37, 38, 39 en 40. Deze stukken zijn buiten de toegestane termijn ingediend. De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen indiening van de stukken. De rechtbank is van oordeel dat bijlage 39 is ingediend in strijd met de goede procesorde, omdat dit stuk, gedateerd op 24 juni 2025, niet alleen buiten de toegestane tijd is ingediend, maar ook al veel eerder had kunnen worden overgelegd. Dat laatste is niet het geval met betrekking tot bijlagen 37, 38 en 40, die van eenvoudig te doorgronden aard zijn, zodat deze stukken in het procesdossier zullen worden gevoegd. Bijlage 39 zal buiten beschouwing worden gelaten.

1.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] .

.

1.4.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man, met toestemming van de rechtbank, nog een bericht met bijlage ingediend op 3 februari 2026.

1.5.

De minderjarige is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt en op 30 december 2025 met de kinderrechter gesproken. De minderjarige heeft tijdens dit gesprek ook een brief gegeven aan de kinderrechter, welke in het dossier is gevoegd.

2De vaststaande feiten

2.1.

Het huwelijk tussen partijen is ontbonden op 30 april 2020 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 7 april 2020 in de daartoe bestemde registers.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] .

2.3.

Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2.4.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 7 april 2020 is bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) telkens bij vooruitbetaling moet voldoen – voor zover relevant – vanaf 1 januari 2020 € 305,45 per maand. Partijen hadden overeenstemming bereikt over de kinderbijdrage en de rechtbank verzocht deze bijdrage vast te stellen.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 24 november 2022 is – onder wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 7 april 2020 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 15 januari 2020 – de onderlinge regeling die partijen over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) hebben getroffen opgenomen. De regeling houdt in dat de minderjarige in de oneven weekenden bij de man verblijft, waarbij hij het ene weekend van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:30 uur bij de man zal verblijven en het andere weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:30 uur.

Het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag is afgewezen. Kort samengevat omdat geen sprake was van zodanig ernstige communicatieproblemen dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders, zonder dat te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Ook bleek niet dat eenhoofdig gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk was.

2.6.

De man is opnieuw getrouwd en heeft samen met zijn partner, [naam 2] , twee kinderen gekregen:

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 1] ;

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats 2] .

3De beoordeling

3.1.

Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv

3.1.1.

De vrouw verzoekt opschorting van de zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van 24 november 2022, inhoudende dat er voorlopig, tot in de bodemprocedure is beslist, geen omgang zal plaatsvinden tussen de man en de minderjarige.

3.1.2.

Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. De rechtbank moet beoordelen of aan de minimumvereisten is voldaan, te weten: aanhangig zijn van een hoofdverzoek, samenhang met het hoofdverzoek en (spoedeisend) belang.

3.1.3.

Aangezien hierna haar verzoek ten aanzien van de zorgregeling in de bodemprocedure zal worden behandeld, heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

3.2.

Bodemprocedure

Gezag en vervangende toestemming

3.2.1.

De vrouw verzoekt, primair, haar te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige, en subsidiair, aan haar vervangende toestemming te verlenen voor behandeling van de minderjarige bij de jeugdpsychiater.

3.2.2.

De man stemt in met het primaire verzoek van de vrouw, voor zover de rechtbank dit in het belang van de minderjarige acht.

3.2.3.

De rechtbank stelt voorop dat het ouderlijk gezag niet ter vrije bepaling van partijen staat. Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.2.4.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, inhoudende dat de man al geruime tijd geen contact meer heeft gehad met de minderjarige.

3.2.5.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.

3.2.6.

Gebleken is dat de vrouw op dit moment feitelijk de gezagsbeslissingen neemt en de man altijd instemt met haar voorstellen. Het komt voor dat de man niet op korte termijn toestemming verleent, waardoor de vrouw wordt bemoeilijkt in het ten uitvoer leggen van haar beslissingen. De vrouw ervaart hier erg veel stress van, onder andere omdat het vaak om medische beslissingen gaat, reden waarom zij opnieuw een verzoek tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag heeft ingediend. De man stemt in met toewijzing van het eenhoofdig gezag, niet omdat hij zijn verantwoordelijkheid als vader niet wil dragen, maar omdat hij de vrouw niet tot last wil zijn. De man lijdt aan long-covid waardoor hij inderdaad af en toe laat reageert op verzoeken van de vrouw. Hij wenst wel graag betrokken te blijven in het leven van de minderjarige, bijvoorbeeld via het schoolportaal.

3.2.7.

Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over de mogelijkheid tot een vorm van “uitgekleed” gezag, waarbij de man de vrouw een volmacht geeft voor het nemen van gezagsbeslissingen, zodat zij minder stress hoeft te ervaren. Partijen hebben na afloop van de mondelinge behandeling de gelegenheid gekregen hierover afspraken te maken. De man heeft de rechtbank op 3 februari 2026 bericht met het verzoek een door partijen ondertekend ouderschapsplan op te nemen in de beschikking. In dat ouderschapsplan staat dat zij hebben afgesproken dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag en dat de man zijn medewerking zal verlenen om dit te bewerkstelligen. Zoals reeds hiervoor overwogen, staat het ouderlijk gezag niet ter vrije bepaling van partijen, hetgeen partijen miskennen met hun afspraak zoals vastgelegd in het ouderschapsplan. Dit ouderlijk gezag omvat immers niet alleen het recht, maar ook de plicht van een ouder zijn kind te verzorgen en op te voeden. Een plicht die voortvloeit uit het ouderschap en waar geen afstand van gedaan kan worden. De rechtbank kan de afspraken van partijen over het gezag dan ook niet opnemen in de beschikking, zodat dit deel van het verzoek tot opname zal worden afgewezen.

3.2.8.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank in deze beschikking een beslissing zal nemen over het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Uitgangspunt is dat ouders het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk uitoefenen. Uit het voorgaande blijkt dat de minderjarige niet klem of verloren raakt tussen ouders, omdat de man altijd instemt met wat de vrouw verzoekt. Dit hebben beide partijen tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd. Dat de man af en toe laat reageert op de vrouw acht de rechtbank onvoldoende, en bovendien bestaat de verwachting dat dit binnen afzienbare tijd wordt verbeterd middels door de man in te zetten hulpverlening. Ook acht de rechtbank beëindiging van het gezamenlijk gezag niet anderszins in het belang van de minderjarige. Toewijzing van het eenhoofdig gezag zou, gelet op hetgeen hieronder ten aanzien van de zorgregeling wordt overwogen, het gevolg kunnen hebben dat de man verder uit het leven van de minderjarige verdwijnt, hetgeen niet in het belang van [minderjarige 1] wordt geacht. De rechtbank merkt wel op dat de man zich meer moet inspannen om zijn verantwoordelijkheid als vader te nemen. Het gezag ‘dan maar’ aan de vrouw geven, acht de rechtbank geen juiste oplossing.

3.2.9.

De rechtbank komt toe aan het subsidiaire verzoek van de vrouw strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming voor behandeling van de minderjarige bij een jeugdpsychiater, en overweegt daartoe als volgt. In het verzoekschrift, dat dateert van 30 december 2024, staat omschreven dat de man wel toestemming geeft voor de behandeling, maar niet de juiste papieren ondertekent. Uit latere stukken, waaronder de brief van de psycholoog van de minderjarige, blijkt dat de behandeling inmiddels loopt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw niet gerept over de noodzaak tot vervangende toestemming. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar verzoek, zodat dit zal worden afgewezen.

Zorgregeling en de praktische uitvoering daarvan

3.2.10.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de zorgregeling tussen de man en de minderjarige wordt gestopt. Naar de rechtbank begrijpt, verzoekt de vrouw wijziging van de beschikking van 24 november 2022 en het daarin opgenomen ouderschapsplan, inhoudende dat de zorgregeling wordt gewijzigd in die zin dat aan de man een tijdelijk verbod tot omgang met de minderjarige wordt opgelegd.

3.2.11.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.2.12.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man de door hem ingediende zelfstandige verzoeken ingetrokken, inhoudende dat bepaald wordt dat

  • de vrouw voldoende en passende kleding voor de minderjarige meegeeft aan de man tijdens de wisselmomenten;

  • de minderjarige tijdens de wisselmomenten zowel door de man als de vrouw zal worden afgezet in de hal beneden bij de woning van de vrouw op het afgesproken tijdstip.”

De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen.

Ouderschapsplan

3.2.13.

De rechtbank constateert dat partijen in het op 3 februari 2026 overgelegde ouderschapsplan het volgende ten aanzien van de contacten tussen de man en de minderjarige hebben opgenomen:

“Partijen spreken af dat zij de belangen van [minderjarige 1] voorop zullen hebben staan en dat zij dientengevolge de adviezen van de betrokken professionele hulpverlener(s)/psychiater van [minderjarige 1] onvoorwaardelijk zullen opvolgen terzake het opbouwen van contact tussen vader en [minderjarige 1] . Moeder zal het contact met vader niet in de weg staan en actief meewerken als [minderjarige 1] daar volgens de professional aan toe is.”

3.2.14.

Hoewel de rechtbank deze afspraak zeer positief vindt, heeft de vrouw haar verzoek tot het opleggen van een tijdelijk verbod tot omgang niet ingetrokken of gewijzigd. Zij heeft ondanks de afspraak ook nog steeds belang bij een beslissing over haar verzoek, zodat de rechtbank daarover hieronder dan ook een beslissing zal nemen.

Beoordeling verzoek

3.2.15.

De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.2.16.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:377e BW, inhoudende dat de minderjarige al bijna drie jaar geen contact meer heeft gehad met de man. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw hierna dan ook inhoudelijk beoordelen.

3.2.17.

Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.2.18.

Gebleken is dat de minderjarige een belast verleden heeft en daar trauma’s aan heeft overgehouden. Die trauma’s hebben ook betrekking op de man en zijn gedragingen richting de minderjarige uit het verleden. Op dit moment heeft de minderjarige therapie om de gebeurtenissen een plekje te geven. Uit de door de vrouw overgelegde brief van de psycholoog van de minderjarige blijkt – kort samengevat – dat binnen de huidige behandeling de traumata actief worden opgehaald, waardoor de minderjarige wordt blootgesteld aan impactvolle herinneringen. Dit zorgt voor getriggerd raken en een hoge mate van spanning. Van belang is dat de minderjarige zich (naar de rechtbank begrijpt: met name gedurende het behandeltraject) in een veilige, steunende en gestructureerde omgeving bevindt waar zo min mogelijk extra stressoren en triggers aanwezig zijn. De psycholoog schrijft verder dat bij de minderjarige geen wens bestaat tot contact en dat het voor de voortgang van de therapie van belang is om zijn wens hierin serieus te nemen. De minderjarige heeft deze wens ook geuit tijdens het gesprek met de kinderrechter. Partijen willen deze wens respecteren en zijn het erover eens dat omgang op dit moment niet in het belang van de minderjarige is, omdat daarvoor bij de minderjarige vanwege zijn behandeling geen ruimte bestaat. Of omgang in de toekomst weer mogelijk is, hangt af van het verloop van de behandeling van de minderjarige en in hoeverre de behandelaars mogelijkheden zien tot contact tussen de man en de minderjarige. De man hoopt wel dat hij in de toekomst weer contact kan hebben met de minderjarige. De vrouw heeft aangegeven daaraan niet in de weg te staan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank, met de raad, van oordeel dat omgang op dit moment in strijd is met de belangen van de minderjarige, zodat het verzoek van de vrouw tot het opleggen van een verbod tot contact met de minderjarige aan de man zal worden toegewezen. De rechtbank merkt op dat een dergelijk verbod naar zijn aard tijdelijk is. Het staat de man vrij om, bij een wijziging van omstandigheden en anders in ieder geval na verloop van één jaar, te verzoeken (opnieuw) een zorgregeling vast te stellen.

3.2.19.

Tot slot nog het volgende. De rechtbank acht het zeer positief dat beide ouders de wens van de minderjarige respecteren en spreekt de hoop en verwachting uit dat partijen in de toekomst, wanneer de minderjarige daaraan toe is, in staat zullen zijn afspraken te maken over de omgang tussen de man en de minderjarige. Zoals ook de raad naar voren heeft gebracht tijdens de mondelinge behandeling is bij dat contactherstel wel begeleiding nodig. Dit kunnen partijen eventueel bewerkstelligen via het wijkteam of middels ondersteuning van de psycholoog van de minderjarige.

Kinderbijdrage

3.2.20.

De vrouw verzoekt wijziging van de beschikking van 7 april 2020 en de daarin bepaalde door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage in die zin dat de man met ingang van indiening van het verzoekschrift € 846,- per maand, telkens bij vooruitbetaling van de eerste van de maand, moet voldoen.

3.2.21.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt bij zelfstandig verzoek eveneens wijziging van de beschikking van 7 april 2020, in die zin dat hij als kinderbijdrage met ingang van 23 december 2024 € 63,- per maand voldoet aan de vrouw.

3.2.22.

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW) . Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.

Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.

3.2.23.

Tussen partijen staat vast dat hun inkomens na het wijzen van de beschikking van 7 april 2020 aanzienlijk zijn gestegen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat de eerdere uitspraak ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De rechtbank zal de kinderbijdrage hieronder dan ook opnieuw berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).

Ingangsdatum

3.2.24.

De man verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van die datum, te weten 30 december 2024, de dag van indiening van het verzoekschrift van de vrouw, zal worden gewijzigd.

Behoefte

3.2.25.

De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen. De rechtbank constateert dat de behoefte van de minderjarige niet is opgenomen in de beschikking van 7 april 2020. De vrouw heeft de behoefte van de minderjarige van destijds berekend op € 433,- per maand, aan de hand van een netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen in 2018 van € 2.900,- per maand. Dit blijkt uit productie 34. De man had volgens die berekening destijds een netto besteedbaar inkomen van € 1.900,- per maand en de vrouw van € 1.000,- per maand. De man heeft deze door de vrouw gestelde bedragen niet betwist, zodat deze zijn komen vaststaan.

3.2.26.

Verder staat tussen partijen vast dat hun beider inkomens zijn gestegen, zodat hun huidige netto besteedbare inkomens elk afzonderlijk hoger zijn dan het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen. Om de minderjarige te laten profiteren van de stijging van de inkomens van beide ouders, acht de rechtbank het redelijk om de behoefte opnieuw te berekenen aan de hand van het gemiddelde huidige netto besteedbare inkomen van partijen. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de stelling van de vrouw dat de behoefte opnieuw moet worden berekend door de huidige netto besteedbare inkomens van partijen bij elkaar op te tellen. Deze methodiek veronderstelt immers dat partijen met de minderjarige in gezinsverband leven, hetgeen niet het geval is. Bij de berekening van de nieuwe behoefte van de minderjarige zal, gelet op de ingangsdatum, verder worden uitgegaan van de tarieven uit 2024 en de leeftijd van de minderjarige in dat jaar. Partijen hebben ten onrechte gerekend met de tarieven uit 2026.

Huidig netto besteedbaar inkomen vrouw

3.2.27.

Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw wordt berekend aan de hand van haar aangifte inkomstenbelasting 2024. Daaruit blijken de volgende inkomensbestanddelen:

  • een arbeidsinkomen van € 41.536,- bruto per jaar;

  • een inkomen aan pensioen van € 1.953,- per jaar;

  • een WIA-uitkering van € 16.503,- per jaar.

In totaal heeft de vrouw in 2024 aldus een jaarinkomen gehad van € 59.992,-. Aan de hand daarvan becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 1 gehechte berekening – het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 3.835,- per maand. Samen met het (fictieve) kindgebonden budget waar de vrouw recht op heeft, bedraagt haar netto besteedbaar inkomen € 4.141,- per maand.

Huidig netto besteedbaar inkomen man

3.2.28.

De vrouw stelt dat het netto besteedbaar inkomen van de man moet worden berekend aan de hand van een arbeidsinkomen en een inkomen uit vermogen. Volgens haar heeft de man spaargeld waar rekening mee moet worden gehouden. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist. De rechtbank stelt vast dat de spaarrekening waar de vrouw kennelijk op doelt een spaarrekening betreft op naam van de nieuwe partner van de man. De man en zijn partner zijn na 1 januari 2018 getrouwd, zodat sprake is van een beperkte huwelijksgemeenschap. Aangezien onduidelijk is gebleven in hoeverre het spaargeld behoort tot de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank ervan uit dat het door de vrouw gestelde vermogen niet toekomt aan de man, zodat hier geen rekening mee worden gehouden. Overigens zou de man, indien het spaargeld wel tot de huwelijksgemeenschap zou behoren, slechts recht hebben op de helft van het spaarbedrag. In de systematiek van het alimentatierekenen gaat het dan, gezien de hoogte van het spaarbedrag van € 106.183,-, om een verwaarloosbaar bedrag aan inkomen uit dat vermogen.

3.2.29.

De rechtbank becijfert – onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 1 gehechte berekening – het netto besteedbaar inkomen van de man aan de hand van een jaarinkomen van € 65.898,- bruto (zoals dat blijkt uit zijn aangifte inkomstenbelasting 2024) op € 3.835,- per maand. Samen met het (fictieve) kindgebonden budget waar de man recht op heeft, bedraagt zijn netto besteedbaar inkomen € 4.108,- per maand.

3.2.30.

Uit het voorgaande blijkt inderdaad dat de huidige netto besteedbare inkomens van beide partijen elk afzonderlijk hoger zijn dan het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen, zodat de behoefte van [minderjarige 1] in beginsel opnieuw moet worden berekend.

3.2.31.

De rechtbank overweegt daarnaast dat de man inmiddels ook onderhoudsplichtig is voor twee andere kinderen, samen met zijn nieuwe partner. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om rekening te houden met de kosten van deze twee kinderen bij de bepaling van de behoefte van [minderjarige 1] .

3.2.32.

Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, levert hiervoor genoemd NBI van de man een bedrag aan behoefte op van € 1.033,- per maand voor de drie kinderen ten opzichte waarvan hij onderhoudsplichtig is. De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt op basis van het NBI van de man aldus € 344,- per maand.

3.2.33.

Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen levert hiervoor genoemd NBI van de vrouw een bedrag op van € 578,- per maand.

3.2.34.

De gemiddelde behoefte van [minderjarige 1] bedraagt aldus € 461,- per maand.

3.2.35.

De vrouw stelt dat bij de behoefte van [minderjarige 1] een bedrag van € 100,- per maand moet worden opgeteld in verband met bijzondere extra kosten. Ze heeft verteld dat het gaat om niet vergoede ziektekosten voor de minderjarige en heeft ter onderbouwing productie 39 overgelegd. Zoals hiervoor overwogen heeft de rechtbank productie 39 in verband met strijdigheid met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. De man heeft de stelling van de vrouw betwist. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van bijzondere extra kosten die niet in het hierboven genoemde tabelbedrag zijn verdisconteerd, om dergelijke kosten te kunnen meewegen. De rechtbank zal dan ook voorbijgaan aan de stelling van de vrouw en rekenen met een behoefte van [minderjarige 1] van € 461,- per maand.

3.2.36.

Vervolgens rijst de vraag wat de behoefte is van de andere twee kinderen van de man, [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Tussen partijen bestaat discussie over de vraag hoe deze moet worden berekend. De man stelt dat hun behoefte € 848,- per maand per kind bedraagt. De vrouw voert aan dat de behoefte van alle kinderen gelijk moet worden gesteld. Met de vrouw acht

de rechtbank het redelijk om de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] gelijk te stellen aan de behoefte van [minderjarige 1] , te weten op € 461,- per maand per kind. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de inkomens van alle betrokkenen niet wezenlijk van elkaar verschillen.

Draagkracht van de onderhoudsplichtigen

3.2.37.

Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van ieders draagkracht.

Draagkracht vrouw

3.2.38.

Zoals hierboven reeds berekend bedraagt het huidig netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 4.142,- per maand. De vrouw is alleen onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 1] .

3.2.39.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 1.140,- per maand.

Draagkracht man

3.2.40.

Het huidig netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt € 4.108,- per maand. De man is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] .

3.2.41.

De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 990,- per maand.

Draagkracht [naam 2]

3.2.42.

De rechtbank becijfert – onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 1 gehechte berekening – het netto besteedbaar inkomen van [naam 2] aan de hand van een jaarinkomen van € 61.775,- bruto (zoals dat blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 van de man) op € 3.909,- per maand. Zij is onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 3] en [minderjarige 2] .

3.2.43.

Ondanks dat zij op basis van het huwelijk met de man stiefouder is van [minderjarige 1] , is de rechtbank van oordeel dat zij geen onderhoudsplicht heeft jegens hem omdat hij niet behoort tot het gezin van [naam 2] en de man. Zoals hierboven is overwogen vindt immers al gedurende lange tijd geen contact plaats tussen de man en de minderjarige.

3.2.44.

De draagkracht van [naam 2] wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 1.026,- per maand.

Toerekening van de draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen

3.2.45.

De rechtbank zal hierna berekenen hoe de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is. De drie kinderen ten opzichte van wie de man een wettelijke onderhoudsplicht heeft, hebben een totale behoefte van € 1.383,- per maand (drie keer € 461,-).

De man

3.2.46.

De man is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De toerekening van de draagkracht van de man aan de drie kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is, wordt berekend volgens de formule: de behoefte van ieder kind afzonderlijk gedeeld door de totale behoefte van de drie kinderen vermenigvuldigd met de draagkracht van de man, ofwel:

toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 1] : € 461 / € 1.383 x € 990 = € 330,-

toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 3] : € 461 / € 1.383 x € 990 = € 330,-

toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 2] : € 461 / € 1.383 x € 990 = € 330,-+

samen de totale draagkracht van de man van: € 990,-

De vrouw

3.2.47.

De vrouw is alleen onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] . Haar gehele draagkracht van
€ 1.140,- per maand wordt toegerekend aan [minderjarige 1] .

[naam 2]

3.2.48.

[naam 2] is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De toerekening van de draagkracht wordt berekend volgens de formule: de behoefte van ieder kind afzonderlijk gedeeld door de totale behoefte van de twee kinderen vermenigvuldigd met de draagkracht van [naam 2] , ofwel:

toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 3] : € 461 / € 922 x € 1.026 = € 513,-toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 2] : € 461 / € 922 x € 1.026 = € 513, +

samen de totale draagkracht van [naam 2] van: € 1.026,-

Draagkrachtvergelijking

[minderjarige 3] & [minderjarige 2]

3.2.49.

De toegerekende draagkracht van de man voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] bedraagt € 660,- per maand. De toegerekende draagkracht van [naam 2] voor deze kinderen is € 1.026,- per maand. De behoefte van deze kinderen is samen € 922,-. De gezamenlijke draagkracht van de man en [naam 2] bedraagt € 1.686,- en is dus hoger dan de behoefte van deze kinderen. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders voor deze kinderen beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:

het deel van de man bedraagt: € 660 / € 1.686 x € 922 = € 361,-

het deel van [naam 2] bedraagt: € 1.026 / € 1.686 x € 922 = € 561,-

samen € 922,-

Van de totale behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] komt dus een gedeelte van € 361,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 561,- per maand voor rekening van [naam 2] .

[minderjarige 1]

3.2.50.

Dit betekent dat de man van de toegerekende draagkracht aan [minderjarige 3] en [minderjarige 2] een bedrag van € 299,- per maand (€ 660,- minus € 361,-) overhoudt. Dit bedrag wordt overgeheveld naar de draagkracht voor [minderjarige 1] . Die bedraagt dan € 629,- per maand (€ 330,- + € 299,-).

3.2.51.

Zoals hierboven al berekend bedraagt de draagkracht van de vrouw € 1.140,- per maand. De totale aan [minderjarige 1] toegerekende draagkracht bedraagt aldus € 1.769,-.

3.2.52.

Voor [minderjarige 1] wordt ieders aandeel berekend volgens de formule: ieders voor hem beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:

het deel van de man bedraagt: € 629 / € 1.769 x € 461 = € 164,-

het deel van de vrouw bedraagt: € 1.140 / € 1.769 x € 461 = € 297,-

samen € 461,-

Derhalve komt van de totale behoefte van [minderjarige 1] een gedeelte van € 164,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 297,- per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

3.3.

Zoals hierboven reeds is overwogen, heeft de man al geruime tijd geen contact met [minderjarige 1] en niet kan worden verwacht dat daarin in de nabije toekomst verandering zal komen. Daarom zal er geen rekening worden gehouden met een percentage aan zorgkorting.

Conclusie

3.3.1.

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] van € 164,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderbijdrage wordt toegewezen tot dit bedrag. Het verzoek van de man zal worden afgewezen.

3.3.2.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

3.3.3.

Omdat de onderhoudsbijdrage in 2026 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2025 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.

4De beslissing

De rechtbank:

in de voorlopige voorziening:

4.1.

wijst het verzoek af;

in de bodemprocedure:

4.2.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2022 en het daarin opgenomen ouderschapsplan voor zover het betreft de tussen partijen overeengekomen regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat het de man met ingang van de datum van deze beschikking wordt verboden contact te hebben met de minderjarige;

4.3.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2020 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 30 december 2024 wordt bepaald op € 164,- per maand;

4.4.

bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2025 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;

in beide procedures:

4.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

4.6.

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. T. Houtepen, griffier, op 12 februari 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733