Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep in echtscheidingszaak waarin hoofdverblijfplaats kinderen, kinderalimentatie, gouden sieraden, inzage financiële stukken, waardering onderneming en gebruiksvergoeding aan de orde zijn. Hoofdverblijfplaats blijft bij moeder; verzoek terugverhuisverplichting afgewezen. Kinderalimentatie ongewijzigd; zorgkorting 35% leidt niet tot verlaging wegens verbod reformatio in peius. Vrouw verbeurt op grond van art. 3:194 lid 2 BW haar aandeel in huwelijksgoud aan man; afgifte of betaling waarde (gewicht x €70/gram). In| Datum publicatie | 25-02-2026 |
| Zaaknummer | 200.357.832 / 200.357.833 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Kinderen; Alimentatie; Familievermogensrecht; Opzettelijk verzwijgen 3:194 BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding. Hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie. Verdeling van huwelijksgemeenschap. Geslaagd beroep op artikel 3:194 lid 2 BW ten aanzien van gouden sieraden.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.357.832 en 200.357.833
(zaaknummers rechtbank Gelderland 437520 en 444422)
beschikking van 17 februari 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [plaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. P.J.G. van den Boom,
en
[verweerder] ,
wonende te [plaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. I. Mercanoğlu.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna ook: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 1 tot en met 11, ingekomen op 6 augustus 2025;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties A tot en
met C;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 12 tot en met 16;
- een journaalbericht van mr. Van den Boom van 5 december 2025 met producties 17 tot en
met 31;
- een journaalbericht van mr. Van den Boom van 9 december 2025 met productie 32;
- een journaalbericht van mr. Mercanoğlu van 10 december 2025 met producties D en E.
De mondelinge behandeling heeft op 19 december 2025 plaatsgevonden. Daar zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun hiervoor genoemde advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is een vertegenwoordiger verschenen.
3De feiten
Partijen zijn op [datum] 2018 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.
Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren op [geboortedatum1] 2022, en
- [minderjarige2] , geboren op [geboortedatum2] 2024.
De man heeft op 14 juni 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De vrouw heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan.
Bij de beschikking van 7 mei 2025 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 2 juni 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
Behalve dat de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken:
-
is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
-
is een voorlopige regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld en ieder verdere beslissing daarover aangehouden tot 17 februari 2026 in afwachting van een rapportage van de zorgaanbieder;
-
is bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw € 198 per kind per maand zal betalen (kinderalimentatie), telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
-
is de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen gelast.
Het meer of anders verzochte is afgewezen.
4De omvang van het geschil
Tussen partijen is in geschil:
a. de hoofdverblijfplaats van de kinderen;
b. de door de man te betalen kinderalimentatie;
c. de verdeling van de gouden sieraden;
d. inzage in financiële stukken;
e. de waardering van het ondernemingsvermogen ‘ [naam] ’;
f: een door de man te betalen woon- en gebruiksvergoeding.
De kwestie over de verdeling van de inboedel is inmiddels tussen partijen onderling geregeld, zoals blijkt uit door mr. Van den Boom overgelegde productie 32. Het door de vrouw gedane verzoek betreffende de inboedel beschouwt het hof daarom als ingetrokken.
De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem vast te stellen en te bepalen dat de gouden sieraden in de verdeling moeten worden betrokken in die zin dat deze op grond van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geheel aan hem toevallen zonder nadere verrekening, althans dat de vrouw op grond van artikel 1:164 BW de sieraden aan de man dient af te dragen bij gebreke waarvan de vrouw gehouden is de helft van de dagwaarde van de gouden sieraden aan de man te betalen. Subsidiair dient de vrouw volgens de man veroordeeld te worden tot afgifte van de helft van de gouden sieraden, dan wel de helft van de dagwaarde aan de man te betalen. De man heeft zijn verzoeken ten opzichte van de procedure bij de rechtbank aangevuld/gewijzigd.
De vrouw voert verweer en is op haar beurt met vier grieven in (incidenteel) hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof het hoger beroep van de man ongegrond te verklaren en verder, kort samengevat:
-
te bepalen dat de man gehouden is volledige inzage te verschaffen in diverse door haar genoemde financiële stukken, zulks in het kader van de verdeling van de woning en de waardering van de onderneming van de man;
-
de door de man te betalen kinderalimentatie te bepalen op € 416 per kind per maand;
-
te bepalen dat de man aan de vrouw € 11.550 moet betalen als woonvergoeding, aangevuld met een gebruiksvergoeding totdat de woning is verdeeld.
De man voert verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw en verzoekt het hof de grieven en aanvullende verzoeken van de vrouw af te wijzen en (aanvullend) te bepalen dat partijen bij helfte draagplichtig zijn voor de aanslag inkomstenbelasting 2023 en bijdrage ZFW en de vrouw te veroordelen om aan hem € 13.700 te betalen.
5De motivering van de beslissing
a. de hoofdverblijfplaats van de kinderen
In zijn eerste grief stelt de man dat hij wilde werken naar een co-ouderschapregeling. Daarom had hij verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] bij hem te bepalen en van [minderjarige2] bij de vrouw. Doordat de rechtbank nu de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de vrouw heeft bepaald wordt de mogelijkheid om te werken naar een co-ouderschapregeling hem onmogelijk gemaakt. Dat klemt temeer nu de vrouw ook nog eens van [plaats1] naar [plaats2] is vertrokken. Daarom wil hij voor nu dat de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij hem wordt bepaald, in afwachting dat de vrouw weer naar [plaats1] terugverhuist. Als het hoofdverblijf bij de vrouw blijft, dan wil hij dat de vrouw een terugverhuisverplichting naar [plaats1] wordt opgelegd.
De vrouw wil dat de hoofdverblijfplaats blijft zoals die nu is. [minderjarige2] is sinds zijn geboorte al bij de vrouw en [minderjarige1] sinds oktober 2023. Dit biedt de kinderen stabiliteit en continuïteit. In de toekomst kan een en ander wellicht worden heroverwogen, maar nu nog niet. De vrouw dient niet gedwongen te worden om te verhuizen, dat is een onredelijke eis. Het is bovendien door de man gekomen dat de vrouw hals over kop de woning moest verlaten.
De raad heeft ter zitting het volgende aan het hof geadviseerd. De raad ziet geen zwaarwegende redenen om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen naar de man. De vrouw heeft inmiddels in de afgelopen twee jaar een leven opgebouwd in [plaats2] en heeft daar nu ook een eigen woning en al die tijd waren de kinderen voornamelijk bij haar. Het vraagt nogal wat van kinderen om dat weer om te gooien. De omgang is van ver gekomen en loopt nu gelukkig goed. De raad ziet geen belemmeringen dat de kinderen ook veel bij vader zijn, maar de afstand is wel te groot voor een co-ouderschapsregeling. Als de kinderen de leeftijd hebben dat ze naar school gaan is het fijn voor ze als hun leven zich in betrekkelijke kleine cirkel beweegt, maar het is teveel gevraagd om nu te verlangen dat de vrouw met de kinderen terugverhuist naar [plaats1] . Er is ook niet eerder gesproken over verhuizing of terugverhuizing. Het splitsen van de hoofdverblijfplaats is ook niet in het belang van de kinderen. Kortom: de hoofdverblijfplaats dient bij de vrouw te blijven.
Ook het hof ziet geen zwaarwegende gronden om de huidige hoofdverblijfplaats bij de vrouw te wijzigen naar het adres van de man in [plaats1] . Toen de relatie van partijen stuk liep en de vrouw uit de woning is vertrokken, kon zij op dat moment enkel onderdak vinden bij haar ouders in [plaats2] . Het is dus goed te begrijpen waarom de vrouw naar [plaats2] ging. Bovendien komt de vrouw daar ook vandaan, dus is het ook niet vreemd zij daar eigen woonruimte heeft gezocht en gevonden. Het is niet realistisch om de vrouw nu te verplichten terug te verhuizen naar [plaats1] . Het hof begrijpt goed dat de man de kinderen het liefst zo dicht mogelijk bij zich heeft, maar na een echtscheiding gaan zaken door toedoen van de
ex-echtgenoten zelf en/of door de omstandigheden die buiten de invloedsfeer van henzelf liggen soms anders dan je wellicht graag zou willen. Het hof zal de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de hoofdverblijfplaats in stand laten en dat betekent dat grief 1 van de man faalt.
b. de kinderalimentatie
In haar derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank de verklaringen van de man ten aanzien van zijn inkomen heeft gevolgd, zonder dat dit door de man is onderbouwd of de rechtbank dat aan de hand van objectieve gegevens heeft geverifieerd. Het is volgens de vrouw aannemelijk dat de man over aanzienlijke middelen beschikt, maar dat hij die in de procedure bewust buiten beeld houdt. Het is op basis van de stukken volgens de vrouw evident dat de man meer kan betalen dan hetgeen de rechtbank heeft opgelegd. Ze verzoekt het hof de draagkracht van de man opnieuw vast te stellen op een niveau dat aansluit bij zijn daadwerkelijke draagkracht en de behoefte van de kinderen.
De man voert aan dat de rechtbank terecht is uitgegaan van zijn inkomen dat hij nu in loondienst heeft. In 2023 voerde de man weliswaar nog een onderneming en werd hij als zzp’er ingehuurd door het [naam2] , maar die onderneming heeft hij - door de gewijzigde wetgeving in verband met schijnzelfstandigheid - moeten staken. De onderneming is inmiddels ook uitgeschreven uit het handelsregister. De man had door die gewijzigde wetgeving geen andere keuze dan in loondienst voor het [naam2] te gaan werken. De behoefte is door de rechtbank volgens de man juist berekend, evenals zijn draagkracht. Wel zou volgens hem ten aanzien van de zorgkorting, gelet op de regeling zoals die er is, een ander percentage moeten worden toegepast.
Het hof stelt vast dat tussen partijen het eigen aandeel in de kosten van de kinderen (hierna aangeduid als: de behoefte) niet in geschil is. De vrouw stelt enkel de draagkracht van de man ter discussie. Het hof ziet echter niet dat de draagkracht door de rechtbank op onjuiste gronden is vastgesteld en dat daarbij van een ander inkomen van de man had moeten worden uitgegaan dan het inkomen uit loondienst. Dat is het inkomen dat de man daadwerkelijk heeft en door de gewijzigde regelgeving ten aanzien van zelfstandigen zonder personeel is de verklaring van de man dat en waarom hij in loondienst is gaan werken aannemelijk. Het hof zal, evenals de rechtbank, uitgaan van het inkomen dat de man daadwerkelijk geniet, zijnde zijn inkomen uit loondienst. Dat de man evident meer zou kunnen betalen zoals de vrouw stelt is het hof niet gebleken en is door de vrouw ook niet aangetoond. Het door de rechtbank van de zijde van de vrouw gehanteerde inkomen staat tussen partijen niet ter discussie, behalve dat de man heeft aangevoerd dat de vrouw (€ 300 per maand) huurtoeslag ontvangt.
Ten aanzien van de huurtoeslag overweegt het hof dat in de forfaitaire berekening van de draagkracht geen rekening wordt gehouden met eventueel ontvangen huurtoeslag. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw is dus zoals de rechtbank die heeft berekend en levert - eveneens volgens de berekening van de rechtbank - een draagkracht van € 599 per maand op. Ten aanzien van het inkomen van de man heeft het hof partijen gevraagd of van de door de man op de mondelinge behandeling overgelegde recente loonstroken vermelde ‘Jaarloon BT’ van € 49.689 kan worden uitgegaan. Geen van beiden heeft daartegen bezwaren gemaakt. Uitgaande van dat jaarinkomen komt dat neer op een netto besteedbaar inkomen van € 3.216 per maand (cijfers 2025-2, berekening is aangehecht) en dat is gelijk aan hetgeen de rechtbank had berekend. Ten aanzien van de draagkracht van de man kan dus worden uitgegaan van € 627 per maand, nu de vrouw ook geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aflossing op de studieschuld waar de rechtbank rekening mee heeft gehouden.
Op grond van de draagkrachtvergelijking zoals de rechtbank die heeft gemaakt is het aandeel van de man in de kosten van de kinderen € 627 per maand. Anders dan de rechtbank zal het hof rekening houden met een zorgkorting van 35% in plaats van 25%. De huidige regeling inzake de verdeling van zorg- en opvoedtaken is dat de kinderen afwisselend in de ene week van vrijdag 10.00 uur tot zondag 16.30 uur bij de man zijn en in de andere week van woensdag 12.00 tot vrijdag 16.00. Bij een dergelijke regeling past een zorgkorting van 35%. Dat komt neer op een zorgkorting van € 534. Die kan echter niet geheel ‘verzilverd’ worden - omdat partijen gezamenlijk een tekort in draagkracht hebben - maar slechts voor de helft. Dat betekent dat op het aandeel van de man € 267 als zorgkorting in mindering wordt gebracht, zodat hij € 360 per maand aan kinderalimentatie zou moeten betalen, ofwel € 180 per kind per maand.
Indien het hof voormelde bijdrage aan de man zou opleggen, betekent dit dat de vrouw slechter zou worden van haar hoger beroep. Dat is niet de bedoeling van een hoger beroep en nu de man geen grieven in hoger beroep heeft geformuleerd ten aanzien van de kinderalimentatie zal het hof de door de rechtbank opgelegde bijdrage in stand laten. Grief 3 van de vrouw faalt dus voor zover zij daarmee beoogde een hogere bijdrage van de man te ontvangen.
De man heeft in mei 2025 samen met een compagnon een besloten vennootschap opgericht. Hij verklaarde ter zitting voornemens te zijn om met deze vennootschap een onderneming te starten waarbij hij en zijn compagnon begeleid wonen voor jongeren willen aanbieden. Op dit moment is de onderneming nog niet gestart, omdat zij op zoek zijn naar een geschikte locatie/woning. Uit de vennootschap ontvangt de man dus nog geen inkomen. Het hof merkt op dat zodra dit wel het geval is, dit in beginsel een relevante wijziging van omstandigheden is die een herberekening van de draagkracht van de man rechtvaardigt. Nu is dat echter nog niet aan de orde.
c. de verdeling van de gouden sieraden
Tijdens het huwelijksfeest hebben partijen gouden sieraden gekregen. Zij zijn het erover eens dat die tot de te verdelen gemeenschap behoren. Onduidelijk is echter waar het deze sieraden nu zijn. De man stelt in zijn tweede grief primair dat de vrouw de sieraden heeft, dat zij dat opzettelijk verborgen houdt en zij daarom op grond van artikel 3:194 lid 2 BW haar aandeel in de sieraden verbeurt aan de man. De vrouw betwist de stelling van de man.
Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de sieraden aanvankelijk zijn ondergebracht bij de ouders van de man en daarna, in juli 2023, overgebracht zijn naar een kluis bij De Nederlandse Kluis in [plaats1] . Beide partijen hebben van die kluis een sleutel en krijgen een bericht van De Nederlandse Kluis als de ander de kluis heeft geopend. Op 20 oktober 2023 is de vrouw (zonder de man) bij die kluis geweest en heeft daar volgens haar zeggen sieraden van haar moeder uitgehaald. De man heeft nadien geconstateerd dat de sieraden die partijen op hun huwelijksfeest hebben ontvangen niet meer in de kluis aanwezig waren. In haar e-mail van 5 november 2023 (bij bijlage 11 bij productie 8 bij het journaalbericht namens de man in eerste aanleg van 19 november 2024) heeft de vrouw aan de man geschreven ‘Wat het goud betreft, tijdens de scheiding krijg je waar je recht op hebt. Tot dan blijft het goud veilig bij mij in de kluis.’ Nu de vrouw als enige bij de kluis is geweest nadat de sieraden daarin zijn gelegd en mede gelet op haar e-mailbericht van 5 november 2023, heeft het hof haar op de zitting bevraagd over de inhoud van de kluis en waar de op het huwelijksfeest verkregen sieraden nu zijn. Daarbij kwam ook de Whatsapp correspondentie tussen partijen aan de orde over de sieraden. Op de ook directe vragen van het hof gaf de vrouw ontwijkende antwoorden, waarbij zij haar woorden zorgvuldig leek te kiezen. Zo verklaarde zij dat de sieraden ‘niet onder haar beheer zijn’. Er is dus geen duidelijkheid gekomen over waar de sieraden zijn. Vast staat dat de man tot op heden zijn deel van de sieraden niet heeft gekregen. Gelet op de geschetste gang van zaken, de wijze van beantwoording door de vrouw op de vragen van het hof, twijfelt het hof ernstig aan de oprechtheid van de vrouw over de sieraden. Het hof houdt het ervoor dat de vrouw weet waar de sieraden zijn, dan wel ze elders heeft ondergebracht en ze zo verborgen houdt voor de man. Het hof zal daarom beslissen dat de vrouw haar aandeel in die goederen verbeurt aan de man. De vrouw is gehouden om de sieraden aan de man af te geven. Zo zij hier binnen twee weken na de datum van deze beschikking geen gevolg aan geeft, dient de vrouw de waarde van die sieraden aan de man te betalen. Die waarde wordt vastgesteld op de wijze zoals door de man gevraagd in zijn beroepschrift: gewicht (746,75 gram) x de goudprijs. Die goudprijs stelt het hof, nu partijen het niet eens zijn over de waarde en de feitelijke goudgehaltes van de genoemde sieraden door het hof niet zijn vast te stellen, schattenderwijs en ter voorkoming van verdere geschillen daaromtrent, vast op € 70 per gram. Grief 2 van de man slaagt.
d. inzage in financiële stukken
In haar eerste grief verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man verplicht wordt om zijn volledige financiële administratie over de jaren 2023 en 2024 te verstrekken, zowel dus zakelijke - en privé-bankafschriften, met een toelichting op opvallende privé-opnames, bewijsstukken van alle zakelijke kosten en een overzicht van belastingbetalingen. Subsidiair verzoekt ze het hof te bepalen dat de onverklaarbare privé-opnames van € 83.354 moeten worden aangemerkt alsnog aanwezig in de gemeenschap en dat die nog moeten worden verdeeld. Als de man het geld bewust heeft onttrokken dan doet ze een verzoek op grond van artikel 3:194 lid 2 BW en 1:164 BW.
Feitelijk wil de vrouw dat de man rekening en verantwoording aflegt, zowel zakelijk als privé, over de jaren 2023 en 2024 om zo een beeld te krijgen van de financiële situatie van de man. In die periode waren partijen nog gehuwd en in beginsel zijn echtgenoten niet gehouden om jegens elkaar gedurende het huwelijk rekening en verantwoording af te leggen. Het hof ziet ook geen concretisering van waar de vrouw nu eigenlijk naar op zoek is. De man heeft in de procedure stukken overgelegd en het hof ziet niet wat daar nog aan zou moeten worden toegevoegd. Ten aanzien van de uitgaven in 2023 heeft de man verklaard dat in dat jaar de omzet hoger was - zoals ook blijkt uit de overgelegde jaarstukken - dan in de voorgaande jaren, en de uitgaven dus ook hoger waren. Daarin ziet het hof geen aanleiding om de man te verplichten de stukken over te leggen zoals door de vrouw verzocht. Kennelijk is de vrouw van mening dat de man gelden/middelen achterhoudt en vermoedt zij dat de door haar verzochte documenten daarvoor steun zouden kunnen geven. Een dergelijk vermoeden is echter, zonder ook een verdere concretisering, onvoldoende om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Het hof zal het verzoek van de vrouw afwijzen, zodat haar eerste grief faalt.
e. de waardering van het ondernemingsvermogen ‘ [naam] ’
De tweede grief van de vrouw ligt enigszins in het verlengde van haar eerste grief. Volgens de vrouw is de onderneming van de man meer waard dan de waarde die de rechtbank heeft gehanteerd.
Het hof overweegt dat de rechtbank in de bestreden beschikking op dit onderdeel uitgebreid heeft gemotiveerd hoe zij tot een waarde is gekomen en het hof kan die redenering goed volgen en maakt die tot de zijne. In hetgeen de vrouw op dit onderdeel heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Grief 2 van de vrouw faalt.
f: een door de man te betalen woon- en gebruiksvergoeding
Vast staat dat de woning aan de [adres] in [plaats1] tot de gemeenschap behoort. De man wil die woning overnemen en de rechtbank heeft hiertoe een ‘spoorboekje’ opgesteld. De vrouw wil een gebruiksvergoeding omdat de man sinds oktober 2023 alleen het genot van de woning heeft.
Het hof overweegt als volgt. Bij de rechtbank stond al vast dat de man vanaf 27 oktober 2023 alleen in de woning zit en dus alleen het woongenot heeft. Vast staat ook dat hij vanaf die datum alle lasten van de woning betaalt, inclusief de aflossingen op de hypothecaire schuld. Gebleken is ook dat de vrouw inmiddels eigen woonruimte in [plaats2] heeft en daar woongenot heeft. De vergoeding die de vrouw wil ontvangen ziet dan enkel op haar aandeel in de waarde van de woning waarover zij niet kan beschikken. Deze waarde krijgt zij tot haar beschikking als de woning goederenrechtelijk aan de man is toegedeeld. Dat kan kennelijk op korte termijn, want de man heeft volgens zijn verklaring inmiddels een hypotheekofferte ter overneming van de woning aanvaard. De vrouw zal daarbij nog meer dan haar aandeel in de overwaarde van de woning ontvangen, omdat de man in zijn verweer op de grief van de vrouw heeft verklaard dat hij de vrouw het voordeel geeft van de door hem gedane aflossingen op de hypothecaire lening. Bij dit alles past niet dat de vrouw ook nog een gebruiksvergoeding toekomt. Het hof zal de beslissing van de rechtbank in stand laten en het verzoek van de vrouw afwijzen. Haar vierde grief faalt.
aanvullend verzoek van de man: aanslag IB 2023 en bijdrage ZVW
In zijn verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft de man nog een aanvullend verzoek opgenomen. Dat betreft de aanslag inkomstenbelasting 2023 en bijdrage ZVW die de man heeft voldaan. In totaal betreft dat volgens hem € 23.765 + € 3.635 = € 27.400 en hij wil daarvan de helft van de vrouw ontvangen, ofwel € 13.700. Hoewel de man de zogenoemde twee-conclusieregel kent, doet hij dit verzoek toch om niet een nieuwe procedure te hoeven starten.
De door de man genoemde tweeconclusieregel vloeit voort uit artikel 347 lid 2 Rv. Op grond daarvan dienen alle grieven en veranderingen of vermeerderingen van verzoek in hoger beroep in beginsel bij het verzoekschrift te worden aangevoerd. Die regel geldt ook hier en het hof zal het verzoek van de man daarom afwijzen. Daarbij weegt ook mee dat niet is gebleken waarom de man zijn verzoek niet al eerder had kunnen doen, gelet op
gezien de dagtekening van 7 juni 2024 van de aanslagen. Het hof overweegt daarbij wel dat in zijn algemeenheid geldt dat echtelieden na ontbinding van de huwelijksgemeenschap een gelijk aandeel hebben in die ontbonden gemeenschap en dat beide ook voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden van die gemeenschap
1.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief 2 van de man. De overige grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen voor zover daarin is overwogen dat het goud bij helfte dient te worden verdeeld en beslissen als hierna vermeld.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de (vermogensrechtelijke) gevolgen van de ontbinding van het huwelijk betreffen.
7De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , van 7 mei 2025, voor zover daarin is overwogen dat het goud bij helfte dient te worden verdeeld en in zoverre beschikkende:
bepaalt dat de vrouw haar aandeel in de door partijen tijdens het huwelijksfeest ontvangen gouden sieraden verbeurt aan de man. De vrouw is gehouden om de sieraden aan de man af te geven. Zo zij hier binnen twee weken na de datum van deze beschikking geen gevolg aan geeft, dient de vrouw de waarde van die sieraden aan de man te betalen. Die waarde wordt vastgesteld op de wijze zoals door de man vermeld in het gesteld: gewicht (746,75 gram) x de goudprijs (€ 70 per gram);
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , van 7 mei 2025, voor het overige althans voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, L. Hamer en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 17 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
60 |
Loon volgens jaaropgaaf |
€ |
49.689 |
||||
|
|
|||||||
|
59 |
Inkomsten (transport) |
€ |
49.689 |
||||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) |
€ |
13.769 |
|||||
|
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817 |
€ |
4.216 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
49.689 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
17.985 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
6.889 |
|||
|
117 |
Verschuldigde inkomensheffing |
- |
€ |
11.096 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
1.720 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
5.169 |
jaar |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
3.216 |
||||
Artikel 1:100 BW
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
