Essentie (gemaakt door AI)
Werknemer verzoekt vernietiging ontslag op staande voet wegens gestelde mishandeling/bedreiging. De kantonrechter oordeelt dat de dringende reden niet vaststaat: uiteenlopende lezingen, ontbrekende onderbouwing en geen inzicht in vervolging. Het verzoek wordt toegewezen; loon, wettelijke rente en gematigde verhoging (25%) worden toegewezen. Voorwaardelijk tegenverzoek werkgever tot ontbinding wegens ernstig verwijtbaar handelen wordt afgewezen, maar ontbinding wegens duurzaam verstoorde arbeidsrelatie wordt toegewezen per 1-| Datum publicatie | 24-02-2026 |
| Zaaknummer | 11941203 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Arbeidsrecht |
| Trefwoorden | Overig |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Arbeidsrecht - verzoek werknemer vernietiging ontslag op staande voet (oosv) toegewezen, tegenverzoek werkgever tot ontbinding aovk ook toegewezen, ontbinding op de g-grond want voor gevraagd ontbinding op de e-grond zelfde feiten als voor het oosv. In de omstandigheden van het geval geen aanleiding voor billijke vergoeding.Volledige uitspraak
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11941203 \ HA VERZ 25-162
Beschikking van 16 december 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A.T. Bakker,
tegen
[verweerster] ,
te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V..
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer toe, omdat de aangevoerde dringende reden niet komt vast te staan en het ontslag daarom niet (rechts)geldig is.
Omdat het verzoek wordt toegewezen wordt toegekomen aan het voorwaardelijk tegenverzoek van werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen dan wel een verstoorde arbeidsrelatie.
Omdat aan het tegenverzoek tot ontbinding op grond van ernstig verwijtbaar handelen dezelfde feiten ten grondslag zijn gelegd als aan het ontslag op staande voet, waarvan wordt geoordeeld dat deze niet komen vast te staan, kan dat in dit geval ook niet leiden tot ontbinding op deze grond. Het tegenverzoek tot ontbinding op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie wordt daarentegen wel toegewezen. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen per 1 februari 2026. [verweerster] zal [verzoeker] daarom (achterstallig) loon moeten betalen en de transitievergoeding. Hoewel [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de arbeidsovereenkomst op te zeggen zonder dat hiervoor een dringende reden aanwezig was, ziet de kantonrechter in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding een billijke vergoeding toe te kennen.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties
- het verweerschrift met producties en met een (voorwaardelijk) tegenverzoek
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
[verzoeker] heeft in 2008 [verweerster] opgericht en opgebouwd. Op 28 juni 2018 is de onderneming [bedrijf 1] opgericht, waarvan [naam 1] , de echtgenote van [verzoeker] , enig aandeelhouder is. Op diezelfde dag hebben [verzoeker] en [naam 1] , de echtgenote van [verzoeker] , [verweerster] ondergebracht in [bedrijf 1] .
[verzoeker] is per 1 februari 2019 in dienst bij [verweerster] . Hij ontving een loon van € 4.261,00 bruto per maand.
Op 19 augustus 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Uit de brief die [verweerster] ter bevestiging van dit ontslag stuurde wordt geciteerd:
Tot ontslag op staande voet wordt overgegaan wegens bedreiging en mishandeling, die zich op zondag 17 augustus jl. heeft voorgedaan. U was op dat moment aanwezig in de woning van cliënte. Cliënte is naast uw werkgever tevens uw partner. Het incident vond plaats rond 12.00 uur ’s middags in aanwezigheid van uw beider kinderen.
U heeft uw partner/ werkgever niet alleen een trap gegeven (mishandeling), maar ook aangegeven dat u haar zult vermoorden zo zij u zou ontslaan (bedreiging). De mishandeling en bedreiging waren -mede door de aanwezigheid van de kinderen -zodanig ernstig dat ingrijpen door de politie noodzakelijk was. De politie heeft u ook meegenomen wegens het door u gepleegde huiselijk geweld. Ook zal u een verbod worden opgelegd om de woning nog te betreden.
Zowel bedreiging als mishandeling is reden voor een ontslag op staande voet. Het feit dat de
bedreiging en de mishandeling zich niet op de werkvloer en buiten werktijd hebben voorgedaan, laat onverlet dat uw handelen een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Niet alleen bent u door uw handelen het vertrouwen van uw werkgever onwaardig geworden, maar daarenboven kan van een vruchtbare samenwerking door het gebeurde geen sprake meer zijn. Daarnaast heeft u cliënte bij uw dreigement aangesproken in haar hoedanigheid van werkgever door aan te geven dat u haar bij ontslag zult vermoorden.
Bij het verlenen van het ontslag op staande voet heeft cliënte bij de door haar te maken belangenafweging uw gedragen in het verleden meegewogen. Zo bent u vaak zonder opgaaf van reden en kennisgeving van uw zijde afwezig of niet bereikbaar geweest op het werk. Ook heeft u zich in what’s app berichten aan cliënte meermaals onheus jegens cliënte uitgelaten. Voor al deze gedragingen heeft u meermaals aangesproken.
Ik wil u er nadrukkelijk op wijzen dat alle hierboven genoemde punten niet alleen tezamen, maar ook op zichzelf een reden zijn voor ontslag op staande voet. Dit betekent dat, mocht één of meerdere van bovengenoemde punten is een procedure anders blijken te zijn, het ontslag op staande voet op grond van de overige punten onverminderd overeind blijft.
(…)
[verzoeker] heeft per brief van 2 september 2025 geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet, uit deze brief wordt geciteerd:
Hierbij teken ik formeel bezwaar aan tegen het door u aangezegde ontslag d.d. 19-08-2025. Ik betwist de rechtsgeldigheid van deze beëindiging, aangezien een arbeidsovereenkomst conform het Burgerlijk Wetboek (artikelen 7:671 e.v. BW) niet eenzijdig door de werkgever kan worden beëindigd zonder toestemming van het UWV of zonder ontbinding door de kantonrechter, tenzij sprake is van een dringende reden die onverwijld en gemotiveerd aan de werknemer kenbaar is gemaakt (art. 7:677 BW) .
In uw ontslaggrond wordt gesteld dat sprake zou zijn van mishandeling en bedreiging. Deze aantijgingen zijn feitelijk onjuist en misplaatst. Ik licht dit als volgt toe:
• Mishandeling: Er heeft geen enkele mishandeling plaatsgevonden. De situatie waarnaar verwezen wordt, betrof een kortstondige woordenwisseling met mijn zoon van 22 jaar oud, waarbij hij mij met duwbewegingen uit mijn slaapkamer probeerde te zetten. Ik heb mij daartegen verweerd door hem van mij af te duwen. Mijn partner kwam er vervolgens bij en ook haar heb ik van mij afgeduwd toen zij fysiek dichtbij kwam. Er is geen sprake geweest van fysiek geweld van mijn kant of van hun kant. Het betrof enkel een korte duw in een smalle doorgang, die binnen één minuut voorbij was.
Nadat de politie door mijn partner was gebeld, heb ik thuis met een politieagent gesproken en de situatie tussen mijn zoon en mij uitgelegd. De agent gaf aan dat ik voor de rust mee moest naar het bureau om een verklaring af te leggen en de kwestie uit te zoeken. Tot op heden ben ik niet veroordeeld voor mishandeling. Hoe mijn zoon dan als getuige kan worden gebruikt voor een vermeend fysiek huiselijk geweld jegens mijn partner, terwijl de aanvaring enkel tussen hem en mij plaatsvond, is onbegrijpelijk. Er is bovendien bij niemand schade of letsel geconstateerd. Hier wordt een onterecht en opgeblazen scenario geschetst dat nu ten onrechte als ontslaggrond wordt gebruikt. In feite had ik zelf aangifte moeten doen, aangezien ik degene was die werd aangevallen. Voor de volledigheid vermeld ik dat mijn jongere kinderen tijdens dit incident boven aanwezig waren en niet betrokken zijn geweest.
• Bedreiging / verbale agressie: De bewering dat ik mijn partner zou hebben bedreigd met de dood indien zij mij zou ontslaan, is volledig onjuist en ongegrond. Er is op geen enkel moment over ontslag gesproken tijdens dit incident. Deze aantijging is een verdraaiing van de feiten.
• WhatsApp-communicatie: Het vermeende "onheus bejegenen" via WhatsApp moet worden gezien in de context waarin mijn partner, met wie ik tevens zakelijke banden heb, privécontacten met andere mannen onderhield en vervolgens mij de les leest dat ik geen contact met andere vrouwen mag onderhouden. Daarbij komt dat zij zonder mijn toestemming zakelijke middelen misbruikte. Mijn onderneming [verweerster] , die ik sinds 2008 run, heb ik in 2018 uit vertrouwen op haar naam gezet. Vervolgens heeft zij echter - zonder overleg - gelden onttrokken van de zakelijke rekening voor doeleinden die niets met de onderneming te maken hebben, mijn zakelijke bankpas ingehouden en mij de toegang tot bankzaken ontzegd.
• Belemmering werkzaamheden: Daarnaast blokkeert mijn partner mijn toegang tot
essentiële werkaccounts (planning, rooster, afspraken met instellingen) en verstrekt zij mij geen toegang tot contracten en noodzakelijke informatie om mijn taken als
ondernemer/werknemer uit te voeren. Mijn taken voer ik altijd al zelfstandig digitaal vanaf elke locatie uit. Daarbij heb ik mijn partner niet bij nodig, want zij doet alleen maar de facturatie en soms de planning indien nodig. Ondanks herhaaldelijk verzoek heb ik ook geen inzage gekregen in de contracten die nodig zijn om mijn periodieke salarisverhogingen door te voeren, noch zijn mijn structurele overuren (40-urige werkweek plus 20-urige bereikbaarheidsdiensten) uitbetaald.
• Arbo en re-integratie: Tot slot heb ik de afgelopen zes weken herhaaldelijk verzocht om de contactgegevens van de bedrijfsarts/Arboarts, zodat ik de situatie kan toelichten en samen met de Arbodienst een passend re-integratietraject kan opstarten. Tot op heden heb ik hier geen gehoor op gekregen.
Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een rechtsgeldige dringende reden die ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Ik stel mij nadrukkelijk beschikbaar voor werk en ben bereid mijn arbeid conform mijn contract voort te zetten. Op grond van artikel 7:610 BW juncto artikel 7:628 BW maak ik aanspraak op volledige doorbetaling van mijn salaris en overige arbeidsvoorwaarden.
Per brief van 25 september 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] ook [verweerster] aangeschreven over het gegeven ontslag op staande voet, waarbij hij het standpunt van [verzoeker] herhaalt en [verweerster] sommeert tot onder meer het weder tewerkstellen van [verzoeker] binnen 48 uur en doorbetaling van het salaris.
De gemachtigde van [verweerster] heeft per brief van 2 oktober 2025 gereageerd waarbij de standpunten van [verweerster] ten aanzien van het ontslag op staande voet worden gehandhaafd.
3Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter,
bij wijze van provisionele vordering,
[verweerster] te veroordelen tot betaling van het overeengekomen loon vanaf 14
augustus 2025, zijnde het netto equivalent van € 4.261,00 bruto per maand.
in de bodemprocedure,
I. het ontslag op staande voet van 19 augustus 2025 te vernietigen en [verweerster] te veroordelen tot betaling van loon vanaf 14 augustus 2025,
II. daarnaast verzoekt hij [verweerster] te veroordelen om [verzoeker] tewerk te stellen binnen 24 uur na afgifte van deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [verweerster] zich niet houdt aan de in deze af te geven beschikking,
III. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Hij voert het volgende aan. [verzoeker] betwist dat hij op 17 augustus 2025 [naam 1] heeft mishandeld en bedreigd. Er was aldus geen dringende reden om hem op 19 augustus 2025 op staande voet te ontslaan. [verzoeker] en [naam 1] zijn al enige tijd verwikkeld in een vervelende echtscheiding, waarbij [verzoeker] [naam 1] verwijt de situatie van 17 augustus 2025 te gebruiken om [verzoeker] zo hard mogelijk te raken en zelf zo goed mogelijk uit de echtscheiding te komen. Er is op die dag enkel geduwd naar aanleiding van een discussie die hij had met zijn zoon, waarbij [naam 1] zich op een gegeven moment in de discussie heeft gemengd.
[verweerster] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerster] voert ‑ samengevat ‑ aan dat voldoende is onderbouwd dat [verzoeker] [naam 1] heeft mishandeld en bedreigd op 17 augustus 2025 hetgeen een dringende reden oplevert voor het gegeven ontslag op staande voet op 19 augustus 2025. De verklaringen die [verzoeker] over het incident heeft afgelegd zijn tegenstrijdig en de politie heeft hem niet voor niets meegenomen na het incident. Bovendien heeft het OM de zaak nu verder in behandeling. Echter, voor het geval wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet geen standhoudt heeft [verweerster] een tegenverzoek gedaan tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van ernstig verwijtbaar handelen dan wel een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
4De beoordeling van het verzoek
Vernietiging van het ontslag op staande voet
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [verweerster] moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
[verweerster] heeft enkel de bedreiging en mishandeling, die zou hebben plaatsgevonden in de avond van 17 augustus 2025 aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd.
Zij stelt hiervoor dat [verzoeker] heeft erkend [naam 1] geduwd te hebben en niet aannemelijk kan maken dat hieraan duwen van [naam 1] aan voorafging, hetgeen door [verweerster] wordt erkend, daarmee kan volgens haar niet aannemelijk zijn dat sprake was van zelfverdediging van [verzoeker] . Bovendien heeft hij niet consistent over het incident heeft verklaard, omdat hij drie verschillende versies van het incident heeft gepresenteerd. De politie en het OM hebben de kwestie serieus genomen door [verzoeker] mee te nemen voor verhoor naar het politiebureau, waar [verzoeker] drie dagen vast heeft gezeten en het OM vervolgens voor de maximale duur een contact- en gebiedsverbod heeft opgelegd. [naam 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging en deze aangifte heeft geleid tot vervolging van [verzoeker] . Tot slot heeft de zoon van zowel [naam 1] en [verzoeker] bij de politie verklaard over het incident.
[verzoeker] betwist het feitenrelaas zoals door [verweerster] gesteld. Hij voert aan dat hij op de avond van 17 augustus 2025 verwikkeld raakte in een discussie met zijn zoon die zich bemoeide met de echtsscheidingssituatie tussen zijn ouders. Op een gegeven moment besloot [naam 1] zich ook met de discussie te bemoeien. Partijen hebben over en weer geduwd. De politie is inderdaad gekomen, maar niet om [verzoeker] mee ten nemen op verdenking van huiselijk geweld, enkel om een verklaring af te leggen, de orde te herstellen en de rust terug te laten keren. Het is ook niet juist dat [verzoeker] drie dagen heeft vastgezeten. Bovendien heeft [verzoeker] [naam 1] niet bedreigd. Met enige vervolging door het OM is [verzoeker] niet bekend.
De kantonrechter is van oordeel dat niet komt vast te staan dat er op 17 augustus 2025 een situatie heeft voorgedaan die een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. De standpunten van [verzoeker] en [verweerster] lopen erg uiteen over wat zich heeft voorgedaan. Daarbij ontbreekt de verklaring van de zoon die ook bij de situatie betrokken was. Nu heeft [verweerster] uitdrukkelijk aangeboden deze verklaring alsnog in het geding te brengen, zodra deze beschikbaar is. Echter, de kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] deze gelegenheid niet meer hoeft te krijgen. Immers, [verweerster] heeft nagelaten om enig inzicht te geven in deze verklaring, terwijl [naam 1] ter zitting heeft verklaard dat zij de verklaring heeft gelezen en aldus kennis heeft van hetgeen in die verklaring staat. Daarnaast heeft zij in haar eigen aangifte met geen woord wordt gesproken over mishandeling. Het onderwerp van de aangifte is: “bedreiging met geweld”. Er is geen andere onderbouwing van de mishandeling, bijvoorbeeld door foto’s van het al dan niet opgelopen letsel. Daarnaast ontbreekt ieder inzicht in de door [verweerster] gestelde vervolging van [verzoeker] als gevolg van dit incident. Voorgaande betekent dat teveel onduidelijk is over wat er zich precies heeft voorgedaan op 17 augustus 2025, reden waarom de kantonrechter niet kan vast stellen dat deze gebeurtenissen een dringende reden opleveren.
Naar aanleiding van het voorgaande zal het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag worden toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
[verzoeker] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen, omdat [verweerster] te laat heeft betaald.
[verzoeker] heeft ook de wettelijke verhoging verzocht over het achterstallige salaris. Omdat [verweerster] sinds 14 augustus 2025 geen loon meer heeft betaald, maar de arbeidsovereenkomst nog voortduurt, zal zij worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging over dit achterstallige salaris. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25%,
Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker]
1.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat partijen (ex)echtgenoten zijn.
5De beoordeling van het tegenverzoek
Op het verzoek van [verweerster] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. De voorwaarde waaronder [verweerster] dat verzoek heeft gedaan is namelijk vervuld, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.
2 Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
3
Primair heeft [verweerster] aan het verzoek tot ontbinding (ernstig) verwijtbaar handelen van [verzoeker] ten grondslag gelegd. Omdat [verweerster] expliciet dezelfde feiten ten grondslag heeft gelegd aan een ontbinding de g-grond als die aan het ontslag op staande voet, waarvan hiervoor is overwogen dat deze niet komen vast te staan, kan dit ook in dit geval niet leiden tot de vaststelling dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld. Hoewel partijen over en weer ook behoorlijk ongepaste berichten hebben overgelegd, betwisten partijen over en weer dat die daadwerkelijk zouden zijn verstuurd en zijn ze daarenboven dus niet uitdrukkelijk ten grondslag gelegd aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zodat de kantonrechter daaraan voorbijgaat.
Subsidiair heeft [verweerster] gesteld dat de arbeidsrelatie tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord is geraakt. Dit is door [verzoeker] betwist. De kantonrechter ziet in de situatie tussen partijen echter geen mogelijkheden meer voor een vruchtbare samenwerking. [verweerster] is daarnaast een dusdanig kleine onderneming dat partijen ook niet om elkaar heen kunnen, nog daargelaten dat [naam 1] de eigenaar is van [verweerster] . De duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen werkt naar het oordeel van de kantonrechter direct door in de arbeidsrelatie. Die verstoring is ook duurzaam en ernstig.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, met inachtneming van de opzegtermijn onder aftrek van de proceduretijd, tegen 1 februari 2026.
Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden als gevolg van ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie heeft [verzoeker] recht op betaling van de transitievergoeding, die de kantonrechter heeft berekend op een bedrag van € 9.937,00 bruto.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat partijen (ex)echtgenoten zijn.
6. De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
vernietigt het ontslag op staande voet,
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van € 4.261,00 bruto aan loon per maand vanaf 14 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de wettelijke verhoging over het achterstallig salaris, gematigd tot een percentage van 25%,
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad
4,
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026,
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de transitievergoeding voor een bedrag van € 9.937,00 bruto,
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025. |
||
32548 / 53854
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
