Essentie (gemaakt door AI)
Kantonzaak tussen ex-partners waarin [eiser] schadevergoeding vordert wegens vermeend onrechtmatige aangifte door [gedaagde] van overtreding contactverbod. Toegepast wordt de strenge maatstaf voor onrechtmatigheid bij aangifte (HR Herman/Fortis). Stemherkenning mocht redelijk vermoeden opleveren; geen evident ongegronde of onbetamelijke aangifte. Vordering [eiser] wordt afgewezen. In reconventie vraagt [gedaagde] immateriële schade wegens misbruik procesrecht; afgewezen gelet op hoge drempel en artikel 6 EVRM. Proceskool| Datum publicatie | 24-02-2026 |
| Zaaknummer | 11760096 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Haarlem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Strafrechtelijke aangifte niet civiel onrechtmatig. Het enkele feit dat de aangeefster haar vermoedens (overtreden contactverbod door ex-vriend) wellicht (te) stellig heeft geformuleerd, is daartoe onvoldoende. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen. Het is evenmin gebleken dat eiser deze procedure aanhangig heeft gemaakt met het uitsluitend oogmerk om weer met zijn ex-vriendin in contact te komen.Volledige uitspraak
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11760096 \ CV EXPL 25-4036
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende op een geheim adres,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. R.A. Bos,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 1],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R. van den Berg.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie
- de conclusie van dupliek in reconventie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Feiten
Partijen hebben in de jaren 2013 tot en met 2019 een affectieve relatie met elkaar gehad.
Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 september 2022 is aan [eiser] een tweetal vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Een van deze maatregelen behelst “De verdachte zal gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met de aangeefster [gedaagde], geboren [geboortedatum] 1963 te [plaats 1], noch met haar directe familie (dochter en/of zus)”.
De rechtbank heeft bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan (één van) de opgelegde maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis is bepaald op 14 dagen voor iedere keer dat niet aan (één van) de maatregelen wordt voldaan.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 27 februari 2024 bevestigd.
Op 24 augustus 2024 heeft [gedaagde] telefonisch de volgende melding gedaan bij de politie, waarvan proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt:
“Ik werd gisteren gebeld door een voor mij onbekend 06-nummer. Ik verwachtte een telefoontje van mijn werk en daarom nam ik op. Ik hoorde de wind waaien dus het was iemand die buiten liep. Ik hoorde dat het [eiser] was. Hij begon direct een heel riedeltje. Hij zei: Ik geef nooit op, ik hou van je en ik geef nooit op. Vervolgens wenste hij mij een hele fijne vakantie en hing hij op. Ik weet zeker dat het [eiser] was want ik herken zijn stem uit duizenden.”
Op 24 augustus 2024 is [eiser] aangehouden door de politie, waarna hij op 26 augustus 2024 door de rechter-commissaris veroordeeld is om veertien dagen in vervangende hechtenis door te brengen.
[eiser] heeft tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis hoger beroep ingesteld.
Bij beslissing van 11 september 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam het beroep gegrond verklaard, de beslissing van de rechter-commissaris vernietigd en de vordering tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis afgewezen:
“Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen met een e-mailbericht waarin aangeefster melding ervan doet dat de veroordeelde haar gebeld heeft, met daarbij een screenshot van het inkomende telefoonnummer.
Aangeefster heeft een en ander telefonisch tegenover de politie bevestigd en daarbij melding gemaakt van enkele uitspraken die zij de veroordeelde door de telefoon hoorde doen.
Uit de stukken blijkt niet van een relatie tussen het telefoonnummer waarmee gebeld zou zijn en de veroordeelde.
De veroordeelde ontkent de beschuldigingen.
Bij deze stand van zaken oordeelt het hof dat er onvoldoende grond is om vast te stellen dat de veroordeelde zich niet aan de vrijheidsbeperkende maatregel heeft gehouden.”
3Het geschil in conventie en reconventie
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 24.182,00, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] een valse melding bij de politie heeft gedaan. [gedaagde] heeft de aanname dat zij door [eiser] was gebeld ten onrechte gepresenteerd als een feit. Daarmee heeft zij bewust onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. [eiser] is als gevolg van de voorlopige hechtenis zijn (nieuwe) baan verloren en heeft daardoor schade geleden in de vorm van acht netto maandsalarissen.
[gedaagde] betwist de vordering en voert – samengevat – aan dat zij op goede gronden naar de politie is gegaan om melding te maken van een nieuwe contactpoging door [eiser]. De aangifte was dan ook niet onrechtmatig. De beslissing om [eiser] aan te houden is bovendien niet door [gedaagde] genomen, maar door de Officier van Justitie. [eiser] had zijn gepretendeerde vordering dan ook tegen de Staat der Nederlanden moeten instellen. [eiser] heeft de gestelde schade en het vereiste causaal verband onvoldoende onderbouwd. Ten slotte stelt [gedaagde] dat sprake is van misbruik van procesrecht en dat [eiser] daarom de werkelijke proceskosten moet vergoeden.
[gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering betaling van € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding. Zij legt daaraan ten grondslag dat [eiser] onrechtmatig jegens haar handelt door indirect contact te zoeken onder het voorwendsel van een schadeclaim.
[eiser] betwist de tegenvordering en voert - samengevat - aan dat het hem vrijstaat om de schade die hij lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] op haar te verhalen en dat [gedaagde] de schade die zij stelt te hebben gelden niet heeft onderbouwd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
[eiser] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door melding te doen van overtreding van het contactverbod door [eiser], terwijl zij wist, dan wel behoorde te weten, dat het verre van zeker was dat [eiser] haar had gebeld.
De kantonrechter overweegt dat het doen van een strafrechtelijke aangifte in beginsel slechts onrechtmatig kan zijn als de aangever wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging ongegrond was, als het doen van aangifte wordt gebruikt voor een doel waartoe dit middel niet strekt of als de aangifte door de wijze waarop of de omstandigheden waaronder deze wordt gedaan anderszins onbetamelijk of onzorgvuldig is jegens de beschuldigde.
1 Dit betreft een strenge maatstaf, waaraan in het onderhavige geval niet is voldaan. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op 23 augustus 2024 door een voor haar onbekend nummer is gebeld. [gedaagde] dacht zeker te weten de stem van [eiser] te herkennen en heeft de politie daarvan op de hoogte gesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat het onderzoek van de politie te weinig heeft opgeleverd om [eiser] aan het onbekende telefoonnummer te kunnen koppelen. Dat betekent naar het oordeel van de kantonrechter echter niet dat sprake is van een evident ongegronde aangifte. Er is geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] wist of redelijkerwijs had moeten weten dat het [eiser] niet was en dat de beschuldiging (dus) ongegrond was. Doordat [gedaagde] meende de stem van [eiser] te herkennen, kon bij haar een redelijk vermoeden bestaan van overtreding van het contactverbod door [eiser]. Het stond [gedaagde] vrij hiervan aangifte te doen bij de politie. Het enkele feit dat [gedaagde] haar vermoedens wellicht (te) stellig heeft geformuleerd, is onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen.
Nu verder geen andere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de aangifte anderszins onbetamelijk of onzorgvuldig jegens [eiser] maken, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig gehandeld heeft door aangifte jegens [eiser] te doen. Dat betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. De kantonrechter komt niet toe aan de beoordeling van de overige verweren van [gedaagde].
in reconventie
[gedaagde] stelt dat [eiser] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door (in het kader van deze procedure) weer contact met haar te zoeken. Volgens [gedaagde] misbruikt [eiser] het procesrecht om toch weer in haar leven aanwezig te zijn en (indirect) contact met haar te hebben.
De kantonrechter stelt voorop dat bij het vaststellen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure terughoudendheid moet worden betracht, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is dan ook pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven.
2
Naar het oordeel van de kantonrechter is de hiervoor beschreven hoge lat niet gehaald. Hoewel de vordering van [eiser] in conventie is afgewezen, is niet gebleken dat hij deze vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
3 Het stond [eiser] onder deze omstandigheden vrij om zijn (vermeende) schade op [gedaagde] te verhalen en haar in rechte aan te spreken. Het is niet gebleken dat [eiser] deze procedure aanhangig heeft gemaakt met het uitsluitend oogmerk om met [gedaagde] in contact te komen. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] er ook voor had kunnen kiezen om de Staat der Nederlanden aan te spreken, maakt dat niet anders. Ook het feit dat [gedaagde] veel stress en angst heeft ervaren als gevolg van deze procedure, is onvoldoende om onrechtmatig handelen door [eiser] aan te nemen.
De conclusie is dat de tegenvordering van [gedaagde] wordt afgewezen.
in conventie en in reconventie
[eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat van misbruik van procesrecht geen sprake is, is geen aanleiding voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten. Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [eiser] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.086,00 |
(2 punten × € 543,00) |
|
- nakosten |
€ |
135,00 |
|
|
Totaal |
€ |
1.221,00 |
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
135,00 |
(2 punten × factor 0,5 × € 135,00) |
|
- nakosten |
€ |
67,50 |
|
|
Totaal |
€ |
202,50 |
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 202,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart 5.2, 5.3 en 5.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
De griffier De kantonrechter
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, NJ 2004, 130 (Herman/Fortis).
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
