Gerechtshof Amsterdam 17-02-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:385

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding met verdeling van een voormalige gemeenschapswoning. Kernvraag is de peildatum voor waardering. Hof oordeelt dat, ondanks het uitgangspunt waardering ten tijde van verdeling, op grond van redelijkheid en billijkheid wordt aangesloten bij 8 mei 2018. Partijen bereiken in 2018 een schikking waaruit intentie tot toedeling aan man tegen toenmalige waarde volgt en handelen daarna overeenkomstig. Vrouw draagt niet bij aan lasten en maakt geen aanspraken. Grieven falen; vonnis wordt bekrachtigd; vorderingen vrouw afge

Datum publicatie23-02-2026
Zaaknummer200.354.414/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Huwelijk in gemeenschap van goederen. In 2013 echtscheiding. Financiële afwikkeling van de gemeenschappelijke woning. Aan de orde is de vraag welke peildatum moet worden aangehouden bij de waardering van de woning in het kader van de verdeling. Daarbij verschillen partijen van mening of dient te worden uitgegaan van de waarde van de woning per datum bereikte schikking in 2018 of per de datum van verkoop en levering aan de derde-koper in 2024. De rechtbank heeft terecht de peildatum voor de vaststelling van de waarde van de woning op grond van de redelijkheid en billijkheid op de datum schikking in 2018 bepaald.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.354.414/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/752547/ HA ZA 24-666

arrest van de meervoudige familiekamer van 17 februari 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonend in [plaats A] ,

appellante,

advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem,

tegen

[de man] ,

wonend in [plaats B] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem.

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1De zaak in het kort

Partijen zijn in 2013 gescheiden. Zij waren met elkaar in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Deze zaak betreft de financiële afwikkeling van de gemeenschappelijke woning. Aan de orde is de vraag welke peildatum moet worden aangehouden bij de waardering van de woning in het kader van de verdeling.

2Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is bij dagvaarding van 4 maart 2025 en herstelexploot van 29 april 2025 in hoger beroep gekomen van een in een proces-verbaal vastgelegd vonnis van 4 december 2024 van de rechtbank Amsterdam. Dat vonnis is onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).

2.2.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

2.3.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

Partijen zijn [in] 2007 met elkaar getrouwd in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen. De man heeft op 30 december 2005 het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de flatwoning aan de [A-straat] te [plaats B] (hierna ook: de woning aan de [A-straat] ) alleen in eigendom verkregen en op eigen naam een hypothecaire lening afgesloten. Ook de vrouw had vóór het huwelijk met de man een woning alleen in eigendom verkregen en op eigen naam een hypothecaire lening afgesloten. Dit betreft de woning aan de [B-straat] te [plaats B] (hierna: de woning aan de [B-straat] ).

3.2.

Tijdens hun huwelijk hebben partijen in de woning aan de [A-straat] gewoond. De tenaamstelling van de woning aan de [A-straat] en de woning aan de [B-straat] is na 14 september 2007 niet in het kadaster aangepast.

3.3.

De rechtbank heeft bij beschikking van 9 oktober 2013 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk is op 19 november 2013 ontbonden door inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.4.

De vrouw heeft na de ontbinding van het huwelijk in de woning aan de [B-straat] gewoond en de man in de woning aan de [A-straat] .

3.5.

Op 22 april 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, een beschikking gewezen, waarin een stappenplan voor de verdeling van de woningen is opgenomen. Daarbij is bepaald dat de man en de vrouw drie maanden de gelegenheid krijgen om de door ieder van hun bewoonde woning over te nemen tegen de WOZ-waarde zoals vermeld op het aanslagbiljet 2015, waarbij de ander dient te worden ontslagen uit de mogelijke hoofdelijke aansprakelijkheid. Tevens is bepaald dat partijen bij helfte draagplichtig zijn voor een eventuele restschuld en dat, indien partijen de financiering niet binnen drie maanden rond hebben gekregen, de woning dient te worden verkocht. Deze beschikking is door het hof bij beschikking van 8 maart 2016 bekrachtigd. Partijen hebben het stappenplan niet uitgevoerd.

3.6.

In 2017 is de door de vrouw bewoonde woning aan de [B-straat] executoriaal verkocht. De bank is bij brief van 12 januari 2017 akkoord gegaan met het verlenen van finale kwijting aan de man voor de (eventuele) restschuld die zou ontstaan nadat de veiling heeft plaatsgevonden. De bank heeft hierbij de man toegezegd na het afwikkelen van de veiling hem een schriftelijke bevestiging te sturen dat er finale kwijting is verleend.

3.7.

Op 13 februari 2018 hebben partijen bij het gerechtshof Amsterdam een schikking getroffen, die als volgt luidt:

“1. De man verstrekt de vrouw schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de hypothecaire geldverstrekker van de woning gelegen aan de [B-straat] afziet van aanspraken op de man ter zake van de schuld die thans aan deze geldverstrekker resteert na (en vanwege) de executoriale verkoop van genoemde woning;

2. De man verstrekt de vrouw opgave van de WOZ-waarde van het appartementsrecht gelegen aan de [A-straat] aan de hand van de beschikking onroerende zaakbelasting over 2018 ten aanzien van dat appartementsrecht en de man verstrekt de vrouw opgave van de omvang van de hypotheekschuld rustende op genoemd appartementsrecht per 2018;

3. De man zal zich inspannen de vrouw te doen ontslaan uit de aanspraken die de hypothecaire geldverstrekker van het appartementsrecht [A-straat] en zal daarvan de vrouw schriftelijk bewijs doen toekomen;

4. Indien partijen aan de hand van voorgaande gegevens eensluidend tot de slotsom komen dat, door verrekening van de onderwaarde van het appartementsrecht gelegen aan de [A-straat] met de aanspraken die de vrouw in deze procedure geldend wenst te maken, sprake is van het over en weer tenietgaan van deze vorderingen, zullen zij overeenstemming bereiken in die zin dat over en weer zal worden afgezien van verdere (verreken-)vorderingen uit hoofde van de afwikkeling van hun huwelijksgoederengemeenschap.”

De afspraken onder 1, 2 en 3 zijn uitgevoerd. Mr. Wernik, advocaat van de vrouw, heeft op 8 mei 2018 doorhaling van de procedure verzocht, waaraan mr. Meijer, de advocaat van de man, zich heeft gerefereerd. Het onder 1 genoemde stuk is in de procedure bij de rechtbank overgelegd.

3.8.

De man heeft in 2023 uit eigen middelen € 45.000,- afgelost op de hypothecaire schuld verbonden aan de woning aan de [A-straat] .

3.9.

Mr. Meijer heeft de vrouw via haar advocaat op 22 mei 2024 schriftelijk verzocht om akkoord te gaan met een bij de brief gevoegde akte van verdeling waarbij de woning aan de [A-straat] aan de man zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 154.000,-. De vrouw is daarmee niet akkoord gegaan.

3.10.

De man heeft in maart 2024 de woning aan de [A-straat] tegen een bedrag van € 390.000,- aan een derde verkocht. De woning is eind juli 2024 geleverd. De hypotheekschuld bedroeg € 175.000,-. Sinds de levering wordt € 84.000,- in depot gehouden bij de notaris die de levering van de woning heeft verzorgd.

4Procedure bij de rechtbank

4.1.

De man heeft in conventie - samengevat en na wijziging van eis - gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

A. het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de flatwoning in de hoogbouw op de zesde etage met afzonderlijke meterkast op de zesde etage en een afzonderlijke berging op de begane grond, gelegen te [plaats B] , [A-straat] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie AD, complexaanduiding 7864, appartementsindex 30 aan de man toedeelt waarbij de man niet gehouden is vanwege de hierbij dan te verkrijgen overbedeling de vrouw als deelgenoot een vergoeding te betalen;

B. vast stelt dat de waarde van de woning aan de [A-straat] per datum dagvaarding dient te worden gewaardeerd op € 154.000,-, de verdeling op basis daarvan te bevelen en de vrouw te veroordelen om mee te werken aan het passeren van de akte van verdeling ter zake, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat zij hiermee na betekening van het te dezer zaken te wijzen vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-;

toevoeging door eiswijziging:

nakoming van de overeenkomst van 13 februari 2018 gelast, waarbij partijen zullen afzien van verdere (verreken-)vorderingen uit hoofde van de afwikkeling van de boedel en thans hiertoe voorligt dat de overwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld en partijen voor een eventuele restschuld beiden voor de helft draagplichtig zijn conform de waarden in 2015 dan wel uiterlijk 2017;

C. de vrouw veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met een bedrag aan na-salaris, met- en zonder betekening.

4.2.

De vrouw heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat als waarde voor de verdeling van de waarde van de woning gelegen aan de [A-straat] de verkoopwaarde van € 390.000,- wordt aangehouden en de man bij wege van overbedeling is gehouden aan de vrouw een bedrag van € 107.500- te vergoeden.

4.3.

De rechtbank heeft in conventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de woning aan de [A-straat] aan de man toegedeeld met vaststelling van de waarde hiervan op 8 mei 2018. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van de vrouw afgewezen. De rechtbank heeft zowel in conventie als in reconventie de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd.

5Vorderingen in hoger beroep

5.1.

De vrouw vordert vernietiging van het bestreden vonnis en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de man alsnog in zijn vorderingen in conventie in eerste aanleg niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze vorderingen te ontzeggen. Voorts vordert de vrouw te verklaren voor recht dat als waarde voor de verdeling van de waarde van de woning gelegen aan de [A-straat] de verkoopwaarde van € 390.000,- wordt aangehouden en de man bij wege van overbedeling is gehouden aan de vrouw een bedrag van € 107.500- te vergoeden, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties.

5.2.

De man betoogt dat het hof het bestreden vonnis moet bekrachtigen en de vorderingen van de vrouw (nogmaals) moet afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en kosten bij betekening.

6Beoordeling

6.1.

Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat op basis van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat als peildatum voor de waardebepaling van de woning dient te worden uitgegaan van de datum van de (feitelijke) verdeling.

6.2.

De man is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat als peildatum voor de waardebepaling van de woning dient te worden uitgegaan van 8 mei 2018.

6.3.

Het hof stelt vast dat ten tijde van het wijzen van het vonnis in eerste aanleg de woning aan de [A-straat] reeds aan een derde was geleverd. Op dat moment maakte de woning dus niet langer deel uit van de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap van partijen en kon de woning dan ook niet meer worden verdeeld. Blijkens de stellingen van partijen richt het geschil in hoger beroep zich feitelijk op de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning. Daarbij verschillen partijen van mening of dient te worden uitgegaan van de waarde van de woning per 8 mei 2018 of per de datum van verkoop en levering aan de derde-koper in 2024.

6.4.

Uitgangspunt is dat bij de verdeling van een tot de gemeenschap behorend goed in beginsel wordt uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken (vgl. HR 12 februari 1999, NJ 1999/551). Tussen partijen staat niet ter discussie dat de verdeling van de woning vóór de verkoop en levering aan de derde-koper nog niet had plaatsgevonden. Volgens de man hebben partijen na 2018 wel gehandeld alsof de woning reeds aan hem was toegedeeld.

6.5.

Met de man (en de rechtbank) is het hof van oordeel dat in dit geval op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling en dat moet worden uitgegaan van de waarde van de woning ten tijde van de in 2018 bereikte schikking. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de in 2018 gemaakte afspraken dat partijen (op zijn minst genomen) de intentie hadden de woning aan de [A-straat] aan de man toe te delen tegen de waarde op dat moment. Onder 2 van de bereikte schikking wordt immers verwezen naar de WOZ-waarde van de woning in 2018 en de omvang van de hypotheekschuld in 2018, terwijl onder 3 is afgesproken dat de man zich er voor zal inspannen de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Onder 4 wordt vervolgens gesproken over ‘de onderwaarde van het appartementsrecht’, welke onderwaarde de man mogelijk zou mogen verrekenen met aanspraken die de vrouw op de man stelde te hebben. Hieruit volgt dat de (veronderstelde) onderwaarde van de woning aan de [A-straat] door de man zou worden gedragen. De zaak is vervolgens op 8 mei 2018 op verzoek van de vrouw geroyeerd, met welk royement de man heeft ingestemd. Weliswaar is daarna niet voldaan aan het onder 4 vermelde in de schikking – dat wil zeggen: het bereiken van overeenstemming ten aanzien van het over en weer afzien van verdere (verreken-)vorderingen uit hoofde van de afwikkeling van hun huwelijksgoederengemeenschap – maar na het royement van de zaak hebben partijen feitelijk gehandeld alsof de woning aan de [A-straat] aan de man was toegedeeld. Zo heeft de vrouw nooit verzocht de woning aan de man toe te delen dan wel aan een derde te verkopen teneinde (alsnog) tot verdeling te komen. Evenmin heeft zij bijgedragen aan de kosten van de woning en de hypothecaire lasten, waar zij als mede-eigenaar van de woning wel toe gehouden zou zijn. Ook heeft de vrouw geen aanspraak gemaakt op een gebruikersvergoeding ten laste van de man. Verder is niet gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat partijen hun financiële huishouden hadden ingericht als had de verdeling van de woning aan de [A-straat] al plaatsgevonden. Tegenover al deze feiten en omstandigheden heeft de vrouw onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat partijen vanaf 2018 niets hebben gedaan in afwachting van het moment waarop de woning een overwaarde zou hebben en er geen restschuld meer zou bestaan. Dit alles betekent dat de man naar het oordeel van het hof er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat partijen in 2018 zijn overeengekomen dat de woning aan hem zou worden toegedeeld tegen de op dat moment geldende waarde van € 154.000,-. De rechtbank heeft dan ook terecht de peildatum voor de vaststelling van de waarde van de woning aan de Rottummeroog op grond van de redelijkheid en billijkheid op 8 mei 2018 bepaald.

6.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven van de vrouw falen en haar vorderingen zullen worden afgewezen. Het bestreden vonnis zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden bekrachtigd. In het feit dat partijen gewezen echtgenoten waren, ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren.

7. Beslissing

Het hof:

7.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zoverre aan het oordeel van het hof onderworpen;

7.2.

bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;

7.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Troost, mr. J.M. van Baardewijk en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733