Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin dochter loonbeslag/executie inzet voor achterstallige kinderalimentatie na meerderjarigheid. Vader stelt dat incidentele betalingen als alimentatie moeten gelden en vordert schorsing executie. Partijen stemmen in met onderscheid betalingen levensonderhoud vs. incidentele betalingen. Rechter waardeert betalingen objectief en rekent € 1.850,41 als alimentatie mee. Nog € 3.710,15 verschuldigd, met wettelijke rente.
https://www.split-online.nl/kennisbank/uitspraken/76673?token=7aeae32e4a2f238e923001e6eec9615b
| Datum publicatie | 23-02-2026 |
| Zaaknummer | C/15/371248 / KG ZA 25-693 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Haarlem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Familieprocesrecht; LBIO |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Schorsing executie. Vordering tot nakoming alimentatieverplichting. Partijen hebben ingestemd met het voorstel van de voorzieningenrechter om een onderscheid te maken tussen de door vader gedane betalingen die zien op levensonderhoud en incidentele betalingen. Vader is nog een bedrag van € 2.105,69 aan alimentatie aan dochter verschuldigd.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/371248 / KG ZA 25-693
Vonnis in kort geding van 8 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.I. Koryzna,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de dochter,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie.
De zaak in het kort
Dochter heeft bij haar vader aanspraak gemaakt op alimentatie. Vader betoogt dat hij heeft bijgedragen met incidentele betalingen, zodat deze bedragen in mindering moeten strekken op de verschuldigde alimentatie. Dochter heeft een deurwaarder ingeschakeld tot executie van haar vordering. Vader vordert schorsing van de executie en dochter vordert te bepalen dat vader gehouden is tot nakoming van de beschikking waaruit de alimentatieverplichting voor vader blijkt.
Ter zitting hebben partijen ingestemd met het voorstel van de voorzieningenrechter om een onderscheid te maken tussen de door vader gedane betalingen die zien op levensonderhoud en incidentele betalingen. De voorzieningenrechter bepaalt aan de hand van een door partijen nader gegeven toelichting dat vader over de periode tot en met november 2025 nog een bedrag van € 2.105,69 aan alimentatie aan dochter verschuldigd is.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 13
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 13
- de aanvullende producties 14 en 15 van de vader
- de mondelinge behandeling van 14 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- het bericht met aanvullende productie 16 van de vader
- het bericht uitlaten kosten met als bijlage de door de dochter aangevulde productie 16.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door mr. Koyzna voornoemd
- de dochter, bijgestaan door mr. Nandoe Tewarie voornoemd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Op 16 augustus 2011 is in een beschikking het bedrag aan onderhoudsverplichtingen van de vader aan [de moeder] (hierna: de moeder) voor het onderhoud van de dochter, vastgesteld op € 250,- per maand, welk bedrag jaarlijks, voor het
eerst op 1 januari 2012 diende te worden en daadwerkelijk is geïndexeerd.
De dochter is op 26 augustus 2024 meerderjarig geworden. Per die datum komt
de bijdrage aan de dochter toe en kan de moeder daarop geen aanspraak meer maken. De vader heeft geen vaste bijdragen per maand betaald, maar heeft zich wel met de dochter verstaan over haar financiële ondersteuning. Hij heeft, naar zijn zeggen ter ondersteuning, ook een groot aantal ad hoc betalingen gedaan.
In augustus 2025 is tussen de vader en de dochter onenigheid ontstaan over een door de dochter gevolgde stage in het buitenland. De dochter heeft het contact met de vader verbroken, waarna de vader de betalingen heeft stopgezet.
De dochter heeft zich tot het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (hierna: LBIO) gewend. Deze heeft de vader gesommeerd tot betaling van € 2.470,44 aan achterstallige kinderalimentatie. De vader heeft bezwaar gemaakt, omdat hij meent substantieel meer aan het levensonderhoud van de dochter heeft bijgedragen te hebben dan het vastgestelde bedrag en aldus structureel voorzien te hebben in dat onderhoud.
De dochter heeft zich ook gewend tot het Nationaal Loket Alimentatie Inning (hierna: NLAI). Het NLAI heeft op 23 september 2025 aan vader bericht dat geen alimentatiebetalingen zijn ontvangen en de vordering volgens dochter een bedrag van € 705,84 voor het jaar 2025 en een bedrag van € 1.389,66 voor het jaar 2024 bedraagt. Een totaal van € 2.095,-. Ook hiertegen heeft de vader bezwaar gemaakt. De vader is van mening dat het bedrag is voldaan door de door hem gedane betalingen aan de dochter van in totaal € 12.724,94, die volgens hem moeten worden beschouwd als materiële voldoening aan de onderhoudsverplichting.
In reactie hierop heeft het NLAI op 30 september 2025 aan de vader bericht dat de dochter de verrichte betalingen niet ziet als onderhoudsbijdrage/alimentatie, maar als overige uitgaven. NLAI heeft verder aangegeven dat dit standpunt correct is zolang er tussen partijen geen wilsovereenstemming bestaat over de verrekening van de betalingen door de vader met de wettelijk verplichte bijdrage.
Op 29 oktober 2025 heeft de deurwaarder aan de vader een bevel tot betaling betekend voor een bedrag van € 2.095 te vermeerderen met de kosten van het exploot, totaal van € 2.253,78 te voldoen binnen twee dagen.
Vervolgens heeft de vader aangekondigd een kortgedingprocedure te zullen starten. De dochter heeft doen berichten dat zij ervan uitgaat dat de uitkomst van het kort geding zal worden afgewacht voordat tot verdere executie zal worden overgegaan.
3Het geschil
De vader vordert:
I. de executie van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 16 augustus 2011 te schorsen totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld dat nog enig bedrag aan de dochter verschuldigd is;
II. bij wijze van voorlopige maatregel te bepalen dat de vader, gelet op de omstandigheden, voorlopig totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld dat nog enig bedrag aan de dochter is verschuldigd, geen bijdrage behoeft te voldoen aan onderhoudsverplichtingen (nu deze reeds zijn voldaan);
III. de dochter te verbieden om verdere executiemaatregelen te nemen jegens de vader of te doen nemen onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de dochter daarmee in strijd handelt;
IV. subsidiair voor zover reeds door de dochter tot executie is overgegaan, de dochter te bevelen om de reeds geinde bedragen binnen 7 dagen na betekening van het vonnis terug te betalen en om alle mogelijk gelegde beslagen op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dat de dochter daarmee in strijd handelt;
V. meer subsidiair voor zoverre de voorzieningenrechter de vorderingen onder I, II, III en IV afwijst, de dochter te veroordelen tot betaling van een bedrag groot € 12.724,94 ten titel van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betekening van de dagvaarding;
VI. met veroordeling van gedaagde in de integrale kosten van deze procedure, althans de geliquideerde proceskosten, inclusief de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis.
De vader stelt dat hij gedurende de relevante periode ruim meer dan waartoe hij gehouden was heeft bijgedragen in de vorm van incidentele betalingen ten behoeve van het levensonderhoud van de dochter. Volgens de vader moeten deze uitgaven worden aangemerkt als nakoming van zijn onderhoudsverplichting, althans als bedragen die in mindering strekken op de verschuldigde kinderalimentatie.
De dochter voert verweer. De dochter concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vader, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vader, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure.
De dochter voert aan dat de incidentele bijdragen van de vader slechts in mindering kunnen komen op de vastgestelde betalingsverplichting indien er tussen partijen wilsovereenstemming bestaat dat deze bedragen in de plaats van de maandelijkse alimentatie zullen treden. Van enige afspraak of (stilzwijgende) instemming is in dit geval geen sprake.
In reconventie vordert de dochter achterstallige kinderalimentatie over de periode van 26 augustus 2024 tot en met 26 december 2025, van in totaal € 5.560,56.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.
Onderhoudsbijdrage/alimentatie
De sub 3.5. genoemde vordering overlapt het geschil in conventie, nu gelet op de stellingen van partijen zowel in conventie als in reconventie de vraag aan de orde is of de man al heeft betaald. De voorzieningenrechter zal dan ook eerst op de vordering in reconventie ingaan.
De voorzieningenrechter zal de vordering opvatten als een vordering tot precisering van de betalingsverplichting van de vader. De titel waarvan de executie in conventie aan de orde is, is immers mede de grondslag waarop de aanspraken in reconventie berusten. Bij een nieuwe executoriale titel heeft de dochter dan ook geen belang, bij die precisering wel.
Het betoog van de vader moet worden opgevat als een verweer dat hij de alimentatie vordering (deels) is nagekomen: de vader stelt dat zijn incidentele betalingen moeten worden beschouwd als daadwerkelijke voldoening van (een deel van) zijn onderhoudsverplichting.
Bij de beoordeling van dit beroep moet de voorzieningenrechter nagaan hoe de betalingen naar objectieve maatstaven moeten worden gekwalificeerd en wat partijen wat dat betreft over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen. Het gaat hier om de wijze waarop de vader en de dochter zich met elkaar hebben verstaan en zich tegenover elkaar hebben uitgelaten vanaf het moment waarop de dochter 18 jaar werd.
Op grond van de verklaringen van partijen ter zitting kan het volgende worden vastgesteld.
Er is sprake van een verstoorde verstandhouding tussen de vader en de moeder.
De vader was in vérgaande mate betrokken bij de financiën van de dochter. De praktijk was als volgt. De dochter beschikte niet over een (door de vader of de ouders) vastgesteld budget voor levensonderhoud, maar moest haar uitgaven bijhouden in een kasboek, welk kasboek naar de wens van vader werd aangehouden en in terugkerend overleg tussen vader en dochter werd bijgehouden. Op die manier kon de dochter haar uitgaven voor levensonderhoud verantwoorden, om deze vervolgens door een van de ouders vergoed te kunnen krijgen.
Wanneer de dochter geld tekort kwam om haar uitgaven te kunnen voldoen wendde zij zich voornamelijk tot de vader. Door de vader is niet periodiek een vast bedrag aan alimentatie/onderhoudsbijdrage aan de dochter betaald.
De vader bemoeide zich ook met andere door de dochter gemaakte keuzes, waaronder die betreffende haar relatie en de invulling van haar stageverplichting. Die laatste bemoeienis heeft in augustus 2025 tot een escalatie tussen de vader en de dochter geleid. Als reactie op de ervaren druk heeft de dochter het contact met de vader verbroken en zich tot het LBIO gewend.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan partijen voorgesteld om ten aanzien van de door de vader gedane betalingen een onderscheid te maken tussen betalingen die zien op levensonderhoud en zogenoemde incidentele betalingen, en daarbij de volgende maatstaf te hanteren: als de dochter op basis van een budget kosten voor levensonderhoud had moeten voldoen, welke uitgaven zou zij dan zelf hebben betaald. Partijen hebben met dit voorstel ingestemd.
De vader heeft na de zitting een overzicht opgesteld waarin hij aan de hand van die maatstaf gepoogd heeft aan te geven welke van de door hem gedane betalingen (van in totaal € 12.724,94) behoren tot kosten van levensonderhoud en welke als incidentele betalingen zijn te beschouwen. Volgens de vader zijn de betalingen tot een bedrag van € 8.215,50 aan te merken als kosten van levensonderhoud. De overige betalingen van in totaal € 4.529,45 zijn volgens de vader incidentele uitgaven geweest.
De dochter heeft daarna per afzonderlijke betaling haar reactie op het door de vader gemaakte onderscheid gegeven.
De voorzieningenrechter oordeelt omtrent een en ander als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de betalingen die door de vader aan de dochter zijn gedaan voordat zij meerderjarig werd (dus tot 24 augustus 2024) buiten beschouwing worden gelaten, omdat toen van een rechtstreekse onderhoudsverplichting jegens de dochter nog geen sprake was.
De voorzieningenrechter is – met inachtneming van de hiervoor vermelde maatstaf en gelet op de toelichting van partijen – van oordeel dat de geel gemarkeerde betalingen op het door de vader opgestelde overzicht, dat als bijlage 1 aan dit vonnis wordt gehecht, als voldoening van kosten van levensonderhoud kunnen worden beschouwd. Deze bedragen tellen op tot een totaal van € 1.850,41. De volgende posten zijn als incidentele kosten door de voorzieningenrechter aangemerkt: het etentje op het strand, de acne behandelingen, rijlessen, de borg voor het appartement in Malta en de kosten voor een ID kaart. Dit zijn relatief grotere uitgaven die je maar eens of af en toe doet en die uit een maandelijks toegekend budget in de omvang van de verschuldigde kinderalimentatie hoe dan ook niet zouden kunnen worden voldaan zonder later in de maand klem te komen zitten.
De posten waarvan de dochter alleen maar heeft gezegd “niet waar” worden als onvoldoende gemotiveerd betwist beschouwd.
Gelet op het feit dat de dochter pas het LBIO heeft ingeschakeld nadat zij de vader had geblokkeerd en de vader stopte met het financieren van haar levensonderhoud op de voet waarop dat voorheen al circa een jaar had plaatsgevonden acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat vader in betekenisvolle mate bijdroeg. De voorzieningenrechter acht dan ook aannemelijk dat partijen minstgenomen tot de omvang van het hiervoor berekende bedrag zijn overeengekomen dat het alimentatie betrof.
De slotsom is dat de door de vader gedane betalingen tot een bedrag van € 1.850,41 als alimentatie in aanmerking kunnen worden genomen. De vader heeft niet bestreden dat de over de periode vanaf 25 augustus 2024 t/m december 2025 verschuldigde alimentatie als in reconventie gevorderd juist berekend is. Dat betekent dat nog € 3.710,15 moet worden betaald
Omdat er al een titel voor deze vordering bestaat zal het dictum worden geformuleerd als een precisering daarvan.
De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van verzuim. Nu de dochter tot eind juli heeft meegewandeld in het door de vader ontworpen ‘systeem’ waarin hij haar ondersteunde, zonder op enige additionele betaling aanspraak te maken zal de ingangsdatum van de wettelijke rente worden gesteld op de datum waarop de vader door het LBIO is aangeschreven. Voor de alimentatie die ziet op de periode na aanschrijving van het LBIO en dus later pas verschuldigd is geworden geldt dat de wettelijke rente verschuldigd is steeds vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarvoor de alimentatie verschuldigd is.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van de vader tot schorsing van de executie worden afgewezen.
Proceskosten
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordeling zal ambtshalve uitvoerraad bij voorraad worden verklaard.
Tenslotte
De vader moet zich realiseren dat de in zijn ogen teleurstellende uitkomst van dit kort geding vooral een gevolg is van het beschermende karakter van de alimentatieregels.
De afloop zou anders zijn geweest als hij bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd van de dochter de maandelijkse bijdrage als budget via een vaste overschrijving ter beschikking had gesteld en daarbij had afgesproken of (op reële wijze) had bepaald welke kosten het budget bedoeld was te dekken. Additionele behoefte had dan door de dochter kunnen en moeten worden gemotiveerd.
Partijen wordt aangespoord het contact te herstellen en wat betreft de ondersteuning die er de komende (pakweg) twee jaar nodig is heldere afspraken te maken en die schriftelijk vast te leggen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
bepaalt dat de vader de beschikking van 16 augustus 2011 van deze rechtbank dient na te komen, in die zin dat de vader nog gehouden is tot betaling van een bedrag van € 3.710,15 aan verschuldigde alimentatie over de periode tot en met december 2025,
veroordeelt de vader tot betaling van de wettelijke rente over de verschuldigde alimentatie met ingang van de datum waarop de vader door het LBIO is aangeschreven, en voor de alimentatie die na die aanschrijving verschuldigd is geworden steeds vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarvoor alimentatie verschuldigd is tot de dag van volledige betaling,
verklaart, voor zover nodig, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025.
1589
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
