Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-01-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:204

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep over wijziging kinder- en partneralimentatie waarin het hof oordeelt dat het thans onvoldoende is voorgelicht door wederzijdse stellingen over zwarte inkomsten en (oud) vermogen. Gelet op onduidelijkheden over draagkracht en behoefte sinds 2023 laat het hof bewijs toe. Vrouw moet bewijzen dat man na 2023 zwarte inkomsten uit zijn coffeeshop heeft. Man moet bewijzen dat vrouw vóór het huwelijk aanzienlijk vermogen had en na 2023 inkomsten uit prostitutie en/of handel in luxe goederen heeft. Verdere beslissing aan

Datum publicatie19-02-2026
Zaaknummer200.356.475/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging kinder- en partneralimentatie. Dilemma. Fiscaal niet-verantwoorde inkomsten en vermogen in strijd met alimentatiestelsel. Niet ongebruikelijk dat met die inkomsten wordt gerekend, maar discutabel en onwenselijk wanneer partijen worden verplicht om zwarte inkomsten te laten voorduren om aan opgelegde onderhoudsbijdragen te kunnen blijven voldoen. Tegelijkertijd, als zwarte inkomsten nog worden genoten, geen rechtvaardiging om die inkomsten niet mee te laten wegen. Door tijdsverloop niet (meer) vast te stellen dat partijen kunnen beschikken over dezelfde gelden als waarover zij beschikten tijdens huwelijk. Bewijsopdracht.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.356.475

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 585148)

beschikking van 15 januari 2026

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Kaouass,

en

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.G. Dorrestein.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 4 juli 2025;

  • een journaalbericht namens de vrouw van 1 augustus 2025 met een productie;

  • het verweerschrift met een productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • [minderjarige 1] , geboren [in] 2013,

  • [minderjarige2] , geboren [in] 2015, en

  • [minderjarige3] , geboren [in] 2016.

3.2

De kinderen wonen bij de vrouw.

3.3

De man heeft een dochter uit een eerdere relatie, [minderjarige4] , geboren [in] 2007. De man betaalt € 551,- als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie) voor [minderjarige4] .

3.4

Bij beschikking van 1 februari 2021 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:

  • de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2021 vastgesteld op € 1.754,- per kind per maand, en

  • de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vastgesteld op € 4.000,- per maand.

3.5

Bij beschikking van 30 november 2023 heeft dit hof de verzoeken in hoger beroep van zowel de man als van de vrouw ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie afgewezen.

4De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 1 februari 2021 in die zin gewijzigd dat:

  • de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 25 maart 2024 wordt vastgesteld op € 427,- per kind per maand; en

  • de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 25 maart 2024 op nihil wordt gesteld.

Daarnaast heeft de rechtbank het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vrouw is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verzoeken van de man om de kinder- en partneralimentatie te wijzigen alsnog af te wijzen en:

  • de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 1.608,- per kind per maand, en

  • de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op € 4.000,- per maand,

beide bedragen bij vooruitbetaling te voldoen.

4.3

De man voert verweer. De man vraagt het hof om de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5De motivering van de beslissing

5.1

Het hof ziet zich in de beoordeling van dit verzoek in hoger beroep, dat ziet op de vaststelling van partner- en kinderalimentatie, geconfronteerd met een moeilijk dilemma.

5.2

Partijen beschuldigen elkaar in alle hiervoor gevoerde procedures en ook nu weer dat de ander zwarte inkomsten heeft of heeft gehad. De man stelt dat de vrouw voorafgaand aan hun huwelijk al beschikte over vermogen; vergaard doordat zij in binnen- en buitenland werkte als prostituee. Zij kocht en verkocht wereldwijd daarnaast of daarna dure tassen en sieraden en handelt daar nog steeds in. De vrouw stelt dat de man zwarte inkomsten heeft bij de uitbating van zijn eenmanszaak, een coffeeshop. Partijen ontkennen voorts langdurig en vasthoudend dat aan eigen zijde sprake is (geweest) van zwarte inkomsten.

5.3

Het hof heeft in dit kader in de beschikking van 30 november 2023 het volgende overwogen:

2.22 Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 20 januari 2022 (r.o. 2.19) in het kader van de verdeling van kleding, sieraden, tassen, schoenen en accessoires al opgemerkt dat uit de stukken en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling een beeld is ontstaan dat partijen tijdens het huwelijk een luxe levensstijl voerden en in een zekere (hoge) welstand leefden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet valt vast te stellen wat partijen (per maand) te besteden hadden. Op grond van de levensstijl en het uitgavenpatroon van partijen kan, ook wanneer de man dat gedeeltelijk betwist, niet anders worden geconcludeerd dat partijen veel meer gelden ter beschikking hebben gehad dan alleen het inkomen zoals dat blijkt uit de belastingaangiften van de eenmanszaak. De vrouw heeft – ook na correctie en aanpassing van haar behoefte in hoger beroep – voldoende aangetoond dat er meer geld binnenkwam dan dat uit de belastingaangiften blijkt. Bij het oordeel dat partijen in een hoge welstand hebben geleefd neemt het hof ook in aanmerking dat partijen vermogen hebben gevormd en geïnvesteerd in Marokko. In de tussenbeschikking van 19 juli 2022 heeft het hof vastgesteld dat partijen nieuwe standpunten omtrent (het bestaan van) die onroerende zaken hebben ingenomen en – in het kader van de verdeling – nieuwe taxatierapporten hebben overgelegd waarin waarden zijn opgenomen die in onverklaarbaar grote mate van elkaar en van de vroegere taxaties verschillen. Of en in hoeverre uit dat vermogen inkomen wordt gegenereerd, is evenmin duidelijk.

2.23

Gelet op het bovenstaande is het hof – evenals de rechtbank – niet in staat om op deugdelijke wijze te beoordelen wat het inkomen van de man over de afgelopen jaren is geweest. Het lag op de weg van de man om hier duidelijkheid over te verschaffen. Daarom gaat het hof ervan uit dat de man voldoende draagkracht heeft om de verzochte bedragen aan kinder- en partneralimentatie te voldoen.

5.4

Het hof stelt voorop dat fiscaal niet verantwoorde (al dan niet structurele) inkomsten en vermogen in strijd zijn met het recht en dus ook met het alimentatiestelsel. Desondanks is het niet ongebruikelijk dat de aanwezigheid van dergelijke inkomsten in procedures van invloed is op draagkracht of behoefte en wordt ook met die inkomsten gerekend in het door de gerechten gehanteerde model gebaseerd op het rapport van de expertgroep alimentatienormen. Dat wil niet zeggen dat alle aanbevelingen zonder meer gevolgd kunnen of zouden moeten worden. Zo is het op zijn zachtst gezegd discutabel en onwenselijk te noemen wanneer partijen zouden worden verplicht om zwarte inkomsten te laten voorduren om aan de in het verleden opgelegde onderhoudsbijdragen te kunnen blijven voldoen. Tegelijkertijd blijft het zo dat, als deze zwarte inkomsten nog worden genoten, er geen rechtvaardiging is om die inkomsten niet mee te laten wegen bij het bepalen van de mate waarin kan of moet worden bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de kosten van het levensonderhoud van de gewezen echtgenoot.

5.5

Ten tijde van de beschikking van 30 november 2023 heeft het hof feitelijk kunnen vaststellen dat de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk hoger waren dan zij konden verantwoorden op basis van de stukken. Gelet op het tijdsverloop sinds het huwelijk - inmiddels is bijna zes jaar verstreken sinds het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding - kan het hof niet met dezelfde overtuiging als in de beschikking van 30 november 2023 vaststellen dat partijen kunnen beschikken over dezelfde gelden als waarover zij beschikten tijdens het huwelijk. Daar staat tegenover dat de man niet eerder heeft verzocht om wijziging van de door hem te betalen onderhoudsbijdragen nadat de vrouw aan de man heeft medegedeeld dat zij inkomsten uit arbeid heeft. De man heeft de eerder vastgestelde bedragen ook steeds voldaan. Eigenlijk is het hof dus - gelijk aan de situatie die leidde tot de beschikking van 30 november 2023 - nog steeds niet in staat om op deugdelijke wijze te beoordelen wat het inkomen van de man over de afgelopen jaren is geweest. Ook kan het hof niet vaststellen of er aan de zijde van de vrouw fiscaal niet verantwoorde inkomsten of vermogen zijn of waren uit prostitutie dan wel de verkoop van luxe tassen en/of sieraden.

5.6

Het hof acht zich gelet op het voorgaande op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen geven. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden en partijen toelaten om bewijs aan te leveren van hun stellingen. Het hof houdt bij het navolgende rekening met de ingangsdatum die ten grondslag ligt aan de wijzigingsverzoeken: 25 maart 2024. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de man (ook) in de jaren na 2023 zwarte inkomsten heeft gehad uit zijn coffeeshop. De man wordt in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat de vrouw voorafgaand aan het huwelijk beschikte over een aanzienlijk vermogen. Daarnaast laat het hof de man toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vrouw in de jaren na 2023 werkt of heeft gewerkt als prostituee en/of inkomsten heeft uit de verkoop van luxe goederen.

5.7

Indien en voor zover partijen dit bewijs willen leveren door middel van het horen van getuigen, zal het hof hiervoor twee dagen beschikbaar stellen, namelijk een dag voor de vrouw en een dag voor de man. Voorafgaand aan het eerste getuigenverhoor dienen partijen de stukken die tot bewijs van hun stellingen kunnen dienen over te leggen.

6De beslissing

Het hof beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

laat de vrouw toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de man in de jaren na 2023 zwarte inkomsten heeft uit zijn coffeeshop;

bepaalt dat, indien de vrouw dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op dinsdag 31 maart 2026;

laat de man toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vrouw voorafgaand aan het huwelijk beschikte over een aanzienlijk vermogen, alsmede dat de vrouw werkt of heeft gewerkt als prostituee en dat zij inkomsten heeft uit de verkoop van luxe goederen;

bepaalt dat, indien de man dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op dinsdag 7 april 2026;

bepaalt dat partijen in persoon én vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat partijen overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat partijen eventuele bewijsstukken uiterlijk twee weken voorafgaand aan de getuigenverhoren dienen in te brengen met een afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van der Bel, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733