Gerechtshof Amsterdam 17-02-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:367

Essentie (gemaakt door AI)

Toewijzing beroep op art. 3:194 lid 2 BW vanwege verzwijging, dan wel het verborgen houden van contante gelden (in bankkluis) gemeenschap. Pas na leggen beslag is geld (30.359) boven water gekomen. Vrouw stelde steeds dat er geen geld in kluis lag. Vrouw verbeurt haar aandeel in contante geld aan man. Verweer dat man op de hoogte was van het bestaan van geld in een kluis slaagt niet.

Datum publicatie19-02-2026
Zaaknummer200.354.234/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Opzettelijk verzwijgen 3:194 BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Toewijzing beroep op art. 3:194 lid 2 BW (opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een of meer tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen, waardoor de vrouw haar aandeel in die goederen aan de man heeft verbeurd). Verweer dat man op de hoogte was van het bestaan van het verzwegen goed slaagt niet.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.354.234/01

zaaknummers rechtbank: C/15/324830 / FA RK 22-503 en C/15/349483 / FA RK 24-882

beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: mr. H. Tülü te Alkmaar,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar.

1De zaak in het kort

1.1

De zaak gaat over de vraag of de vrouw opzettelijk een of meer tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen heeft verzwegen, zoekgemaakt of verborgen gehouden, waardoor zij haar aandeel in die goederen aan de man heeft verbeurd (artikel 3:194 lid 2 BW) .

2De procedure in hoger beroep

2.1

De man is op 6 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 6 februari 2025, hierna te noemen: de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 11 juli 2025 een verweerschrift ingediend.

2.3

De zitting heeft op 1 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen, ieder bijgestaan door hun advocaat. De man is tevens bijgestaan door een tolk in de Turkse taal, de heer T. Cetinkaya. De advocaat van de man heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2005 te [plaats B] , Turkije, met elkaar gehuwd.

3.2

Partijen hebben sinds juli 2015 beiden de Nederlandse nationaliteit.

3.3

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] , [in] 2010 te [plaats C] ;

- [kind 2] , [in] 2015 te [plaats C] .

3.4

Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken; deze is op 15 mei 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk van partijen is op die datum ontbonden.

3.5

Tijdens het huwelijk hebben partijen roerende zaken opgeslagen in een kluis, die bij de Nederlandse Kluis B.V. wordt gehuurd door de zus van de vrouw en haar echtgenoot, hierna ook te noemen: de kluis.

3.6

Aan de man is op 12 juli 2023 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op de goederen die zich bevinden in de kluis, dit ter bewaring van zijn recht op verdeling van tot de ontbonden goederengemeenschap behorende goederen.

3.7

Tussen de man enerzijds en de zus van de vrouw en haar echtgenoot anderzijds is geprocedeerd over de opheffing van het door de man gelegde conservatoir beslag. Deze procedures hebben geleid tot:

- het vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 22 november 2023, waarbij de vordering van de zus van de vrouw en haar echtgenoot tot opheffing van het beslag is afgewezen;

- het arrest van dit hof van 2 april 2024, waarbij is geoordeeld dat het beslag moet worden opgeheven en waarin het hof onder 3.5 heeft overwogen:

“(..) Uit hetgeen het hof bij 3.4 heeft beschreven volgt dat het gereed geld dat tot het vermogen van [de vrouw] en [de man] [lees: de vrouw en de man; hof] behoort in ieder geval bestaat uit de envelop met € 5.000,- en de bundel gereed geld met € 25.350,- (totaal € 30.350,-) (..) [de vrouw] c.s. heeft naar het oordeel van het hof daarom voldoende aannemelijk gemaakt dat het beslag op de bundel geld van € 15.000,- eveneens ten onrechte is gelegd, nu deze niet behoort tot het vermogen van [de vrouw] en [de man] . (..)”;

- het vonnis van voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 31 juli 2024, waarbij de man is veroordeeld tot nakoming van het arrest van dit hof van 2 april 2024 op straffe van een dwangsom.

4De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen ten aanzien van de contante gelden, als volgt vastgesteld:

- “ “de contante gelden van partijen ter hoogte van € 30.350,-, zoals genoemd in rechtsoverweging 2.9.39, worden bij helfte verdeeld tussen partijen”;

Ten aanzien van de gouden sieraden van partijen heeft de rechtbank onder 2.9.32 als volgt overwogen:

- “ “Partijen hebben gouden sieraden, te weten 17 armbanden (24-karaats) à 21 gram, 10 stuks kwartgoud en 1 gouden set. Partijen zijn er over eens dat de sieraden onverdeeld zullen blijven en dat deze aan de kinderen van partijen zullen worden geschonken als [kind 1] en [kind 2] beiden de achttienjarige leeftijd hebben bereikt. Nu partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.”

De rechtbank heeft verder het verzoek van de man tot vergoeding van de door hem geleden financiële schade in verband met het door hem gelegde maritaal beslag tot een bedrag van € 2.115,66 toegewezen en voor het overige afgewezen.

4.2

De man verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre) en met aanvulling van zijn verzoeken:

I. te bepalen dat het tot de gemeenschap behorende contante geldbedrag € 40.000,- bedraagt;

II. primair te bepalen dat de vrouw haar aandeel in het contante geldbedrag van € 40.000,-volledig aan de man heeft verbeurd en dat zij het bedrag van € 40.000,-, zonder enige verrekening, volledig aan de man dient te voldoen;

subsidiair: indien het hof bepaalt dat het contante geldbedrag € 30.350,- bedraagt, te bepalen dat de vrouw haar aandeel in dit geldbedrag volledig aan de man heeft verbeurd en dat zij dit bedrag van € 30.350,-, zonder enige verrekening, volledig aan de man dient te voldoen;

III. te bepalen dat de vrouw de door de man geleden financiële schade van € 8.734,- aan de man dient te vergoeden;

IV. primair te bepalen dat de gouden sieraden bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld;

subsidiair te bepalen dat de gouden sieraden aan de vrouw worden toegedeeld onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man.

4.3

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en, ten aanzien van het aanvullend verzoek van de man onder IV met betrekking tot de sieraden, verzoekt de vrouw primair de man niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij dit verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt de vrouw de wijze van verdeling van deze sieraden te gelasten, inhoudende dat deze na objectieve taxatie tussen partijen bij helfte worden gedeeld.

5De motivering van de beslissing

5.1

De man is met drie grieven opgekomen tegen de bestreden beschikking. Grief 1 ziet op het oordeel van de rechtbank over de omvang van de in het vermogen van partijen vallende contante gelden. Grief 2 heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank over het beroep van de man op de werking van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Grief 3 gaat over het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de door de man gestelde financiële schade ten gevolge van de handelwijze van de vrouw. Met betrekking tot de verdeling van de sieraden van partijen heeft de man een aanvullend verzoek gedaan. Voor alle grieven en verzoeken geldt dat de vrouw gemotiveerd verweer heeft gevoerd, dat hierna, voor zover van belang, aan de orde zal komen.

5.2

Bij de beoordeling van de grieven en verzoeken van de man gaat het hof - evenals de rechtbank – ervan uit dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van hetgeen is verzocht met betrekking tot de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen. Tegen het oordeel van de rechtbank dat vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat vanaf juli 2015 Nederlands recht van toepassing is, is geen grief gericht, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan. Evenmin is in geschil dat het huwelijksvermogen van partijen uitsluitend bestaat uit vermogen opgebouwd na juli 2015, zodat Nederlands recht van toepassing is op de afwikkeling van het aanwezige huwelijkse vermogen. Omdat niet is gesteld of gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in artikel 1:93 en 1:94, lid 1 (oud) BW worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan. Dat betekent dat de gemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte dient te worden verdeeld. Daarbij is tussen partijen niet in geschil dat voor de omvang van de ontbonden gemeenschap van goederen de datum van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding geldt, zijnde 2 februari 2022.

Grief 1 omvang contant geld

5.3

In grief 1 klaagt de man erover dat de rechtbank de omvang van het contante geld heeft vastgesteld op € 30.350,- in plaats van het door de man gestelde bedrag van € 40.000,-. De rechtbank heeft zich volgens de man bij deze vaststelling ten onrechte gebaseerd op rechtsoverweging 3.5 van het arrest van dit hof van 2 april 2024. De rechtbank had niet zonder meer mogen afgaan op dit arrest, omdat de vaststelling door het hof in die procedure niet bindend is voor deze procedure over de verdeling van de ontbonden gemeenschap, aldus de man.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof in deze procedure een bewijsaanbod gedaan, inhoudende het onder ede horen van de vrouw ten aanzien van de hoogte van het door partijen gespaarde contante geld.

5.4

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de hoogte van het contante geld € 30.000,- bedraagt, waarbij zij zich neerlegt bij de bestreden beschikking, waarin een bedrag van € 30.350,- is vastgesteld. De vrouw voert aan dat de man niet heeft bewezen dat er meer geld in de kluis zou liggen.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij gedurende het huwelijk contant geld uit hun gemeenschappelijk vermogen hebben opgeslagen in de kluis, die op naam stond van de zus en zwager van de vrouw. De man heeft – onvoldoende weersproken – gesteld dat hij geen sleutel bezat van deze kluis en derhalve geen (eigen) toegang daartoe had. Uit het arrest van het hof van 2 april 2024 valt af te leiden dat de zus en de zwager van de vrouw enerzijds en de man anderzijds ter zitting van 22 februari 2024 overeenstemming hebben bereikt over de vraag welke contante gelden in de kluis (sowieso) tot het gezamenlijk vermogen van de man en de vrouw behoren. Deze overeenstemming ziet allereerst op de inhoud van een witte envelop met daarop de tekst “ [de vrouw] 5000,-” met daarin contant geld met een totale waarde van € 5.000,- en daarnaast op de ‘bundel gereed geld 2’ met een totale waarde van € 25.350,-. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 30.350,-.

Uit het arrest van 2 april 2024 valt eveneens af te leiden dat partijen in die procedure nog wel van mening verschilden over het antwoord op de vraag of de in de kluis aangetroffen ‘bundel gereed geld 1’ met een totale waarde van € 15.000,- in het vermogen van de man en de vrouw valt. De zus van de vrouw en haar echtgenoot hebben in die procedure gesteld dat het bedrag van € 15.000,- van hun zoon is.

Ter zitting bij het hof in de onderhavige procedure heeft de man de stelling ingenomen dat van de ‘bundel gereed geld 1’ een bedrag van € 10.000,- in het vermogen van de man en de vrouw valt. In hoger beroep handhaaft de man zijn standpunt dat niet slechts een bedrag van € 30.350,-, maar een bedrag van in totaal € 40.000,- van de man en de vrouw in de kluis aanwezig was. Volgens de man bestond dit bedrag uit spaargeld en een bedrag dat partijen naar aanleiding van het oversluiten van hun hypotheek hebben ontvangen. Enige concrete en objectief verifieerbare onderbouwing van deze stelling ontbreekt. De man heeft niet nader toegelicht om hoeveel spaargeld en/of geld van de overgesloten hypotheek het ging. Welke bedragen op welk moment in de kluis zijn gelegd en tot welk totaalbedrag, is daarmee volstrekt onduidelijk gebleven. De man heeft ter zitting slechts gesteld dat hij in het kader van een transactie rondom een perceel grond in Turkije op enig moment bij een filiaal van de ABN AMRO bank een bedrag van € 10.000,- in contanten heeft opgenomen, waarna hij dit geld heeft overhandigd aan zijn zwager, die het vervolgens in de kluis heeft gelegd. Deze € 10.000,- bevindt zich volgens de man in de “ bundel gereed geld 1”. Waarop de man deze laatste stelling baseert, blijft eveneens onduidelijk. Het hof is dan ook van oordeel dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, nu hij geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat er in totaal een bedrag van € 40.000,- van partijen in de kluis ligt. Aldus is ook geen ruimte voor een bewijsopdracht. Grief 1 van de man faalt en het verzoek van de man onder I wordt afgewezen.

Grief 2 beroep van de man op artikel 3:194 lid 2 BW

5.6

Grief 2 van de man richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een situatie waarin de vrouw opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de man zelf in de procedure heeft verzocht om verdeling van de contante gelden van partijen, daartoe stellende dat zij een bedrag van € 40.000,- aan contant geld hebben, opgeborgen in een kluis van de zus en zwager van de vrouw, en de vrouw nimmer ontkend heeft dat sprake was van contante gelden van partijen en hiervan ook verdeling heeft verzocht. Volgens de rechtbank is dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW, omdat de man bekend was met de aanwezigheid van de gelden en dus niet kan worden gezegd dat de gelden verborgen zijn gebleven in het kader van de verdeling.

5.7

Volgens de man is wel degelijk sprake van opzettelijke verzwijging of verborgen houden van contant geld door de vrouw in de zin van art. 3:194 lid 2 BW, zodat zij haar eigen aandeel in dit geld aan de man heeft verbeurd. De vrouw heeft aanvankelijk expliciet ontkend dat er contante gelden aanwezig waren in de kluis die zich feitelijk (mede) onder haar beheer bevond. De advocaat van de man heeft in een vroeg stadium verzocht om verdeling van deze gelden, waarop door de advocaat van de vrouw ondubbelzinnig is verklaard dat er “geen contante gelden in de kluis liggen”. De waarheid kwam pas aan het licht nadat de man beslag had laten leggen op de inhoud van de kluis. Met het beslag werd de vrouw geconfronteerd met bewijs, waarna zij in haar processtuk alsnog heeft erkend dat er contant geld aanwezig was.

Dat geen sprake is van verzwijgen, omdat de man wist van de gelden, zoals de rechtbank heeft overwogen, gaat volgens de man voorbij aan de actieve misleiding door de vrouw. De expliciete, onware ontkenning door de vrouw noopte de man tot het leggen van kostbaar en ingrijpend beslag. Dit handelen valt onder de reikwijdte van ‘verzwijgen’ en ‘verborgen houden’. Evenmin kan de latere, onder druk gedane ‘erkenning’ de eerdere opzettelijke verzwijging helen. Deze erkenning was geen blijk van vrijwillige openheid maar een gedwongen reactie op het feit dat zij was betrapt, aldus nog steeds de man.

5.8

De vrouw heeft als verweer aangevoerd dat zij in haar processtukken nimmer heeft ontkend dat sprake was van contante gelden van partijen, maar dat zij niet meer precies wist of en, zo ja, hoeveel contant geld in de kluis lag. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat geen sprake kan zijn van verzwijging door haar, omdat de man zelf ervan op de hoogte was dat er gemeenschappelijk contant geld in de kluis lag.

5.9

Het hof overweegt als volgt. Artikel 3:194 lid 2 BW bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoot. De strekking en functie van deze bepaling zijn om oneerlijk gedrag van de deelgenoten tegenover elkaar te ontmoedigen en om de deelgenoten te stimuleren om openheid van zaken te geven. Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW is voldoende dat de desbetreffende deelgenoot wist dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort (vgl. Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2027:565).

5.10

Bij de beoordeling of ten aanzien van het contante geld van partijen, dat zich in de kluis van de zus en zwager van de vrouw bevond, al dan niet sprake is van een situatie in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW neemt het hof allereerst als vaststaand tussen partijen aan dat zij gedurende het huwelijk beiden wetenschap ervan hadden, dat zij contant geld uit hun gemeenschappelijk vermogen hadden opgeslagen in de kluis. Daarnaast is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de man geen sleutel bezat van de kluis en geen (eigen) toegang daartoe had. Voor de beoordeling van grief 2 van de man acht het hof verder de navolgende feiten van belang.

-De vrouw heeft in haar verzoek tot echtscheiding van 1 februari 2022 met betrekking tot de verdeling gesteld dat partijen hierover in overleg proberen te komen. Mocht het partijen niet lukken om overeenstemming te bereiken, dan zal door de vrouw alsnog de verdeling worden verzocht op nader aan te vullen gronden.

-Na een niet geslaagde mediation heeft de man op 1 mei 2023 een verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken ingediend. Met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft de man onder andere gesteld dat partijen € 40.000,- aan contant geld in een kluis opgeslagen hebben liggen. De man heeft de rechtbank verzocht het bedrag van € 40.000,- bij helfte tussen partijen te verdelen.

-In het kader van een geschil tussen partijen over een vakantiereis van de vrouw met de kinderen van partijen naar Turkije heeft de advocaat van de man op 10 juli 2023 aan de advocaat van de vrouw per e-mail geschreven:

Cliënt stelt dat hij bereid is om de vliegtickets te betalen, indien cliënt alvast zijn eigen deel van het gemeenschappelijk geld krijgt toebedeeld. Het gaat om contant geld van € 40.000,-, hetgeen momenteel nog in de kluis van de zus/zwager van uw cliënte bevindt. Derhalve maakt cliënt aanspraak op een bedrag ad € 20.000. De gouden sieraden die ook in dezelfde kluis liggen, zullen dan later in de procedure ter sprake komen.

-Op 11 juli 2023 is namens de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man een e-mail gezonden met de volgende inhoud:

Nog even voor de duidelijkheid: er is geen geld in een kluis. Partijen hadden jaren geleden contant geld (exacte hoogte onbekend) maar dat is opgegaan voor dagelijks gebruik. Uw client kan zich vast nog wel herinneren dat hij dan aangaf bij cliënte dat ze “maar” wat uit de kluis moest halen als er bepaalde kosten moesten worden gemaakt. Dat is inmiddels al geruime tijd verleden tijd. Uw client zal dat ook weten zodat zijn voorstel een sigaar uit eigen doos is.

-Omdat de man weigerde aan de vrouw toestemming te geven voor de vakantiereis is de vrouw een kort geding procedure gestart. In de namens de vrouw kort na 11 juli 2023 uitgebrachte dagvaarding is onder punt 8 namens de vrouw gesteld dat:

(..) De man heeft als reactie daarop aangegeven dat hij alleen bereid is om de vliegtickets de betalen als hij € 20.000 in contanten ontvangt, wat volgens hem nog in de kluis van partijen zou moeten liggen. De vrouw is echter niet bekend met deze bedragen in een kluis en acht het laakbaar dat de man zijn toestemming verbindt de verdeling van de echtscheiding.

-De uitlatingen van de vrouw met betrekking tot (de afwezigheid van) contant geld in de kluis hebben de man ertoe gebracht om op 11 juli 2023 verlof te vragen om conservatoir beslag te leggen op - kort gezegd - de inhoud van de kluis. In dat kader heeft de man aangevoerd dat de kluis is gehuurd door de zus van de vrouw en/of haar echtgenoot en zij daarover vrij kunnen beschikken. Op 12 juli 2023 is de verzochte toestemming verleend en op 14 juli 2023 heeft de deurwaarder het verlof betekend.

Uit het op 14 juli 2023 door de deurwaarder opgemaakte proces-verbaal blijkt de volgende – voor onderhavige procedure relevante- inhoud van de kluis:

(..)

5. Inhoud witte envelop met daarop de tekst “ [de vrouw] 5000,-“

(..)

6. twee bundels gereed geld

a. BUNDEL GEREED GELD 1 (..) met een totale nominale waarde van € 15.000,- (..)

b. BUNDEL GEREED GELD 2 (..) met een totale nominale waarde van € 25.350,- (..).

-De advocaat van de vrouw heeft de advocaat van de man naar aanleiding van het proces-verbaal van de deurwaarder op 18 juli 2023 onder andere bericht:

“In bovengenoemde zaak begreep ik tot mijn grote verbazing dat u namens uw cliënt beslag heeft laten leggen op de inhoud van een kluis van de zwager en zus van cliënte. (..) Zoals uit de beschrijving van de deurwaarder kan worden opgemaakt (hetgeen ook overeenkomt met de mededelingen van cliënte) bevindt zich in voornoemde kluis (..) ook een bedrag aan contanten ad. € 5.000,- (envelop “ [de vrouw] ”). Voor het overige is derhalve onrechtmatig beslag gelegd, aangezien dat aantoonbaar geen bestanddelen van de gemeenschap betreffen”.

-De vrouw heeft vervolgens in de echtscheidingsprocedure in haar verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de man van 25 januari 2024 aangevoerd dat er volgens haar in de kluis een bedrag van € 30.000,- aan contant geld van partijen ligt, welk bedrag bij helfte dient te worden verdeeld.

5.11

Uit het voorgaande valt allereerst af te leiden dat de vrouw, in reactie op het verweerschrift van de man van 1 mei 2023 en zijn e-mail van 10 juli 2023, eerst uitdrukkelijk heeft ontkend dat zich in de kluis nog enig contant geld van partijen bevond, en dat het ooit wel in de kluis aanwezige geld was opgegaan aan dagelijks gebruik, waarbij werd gesuggereerd dat de man hiervan geheel op de hoogte was. Pas nadat de deurwaarder op 14 juli 2023 constateerde dat in de kluis een witte envelop met daarop de tekst “ [de vrouw] 5000” aanwezig was ( [de vrouw] is de voornaam van de vrouw) en twee bundels gereed geld, informeerde de advocaat van de vrouw de advocaat van de man op 18 juli 2023 met de nodige verontwaardiging (“…begreep ik tot mijn grote verbazing dat u namens uw cliënt beslag heeft laten leggen op de inhoud van een kluis van de zwager en zus van cliënte…”) dat (slechts) de inhoud van deze envelop – een bedrag van € 5.000,- - tot de gemeenschap behoorde. Ter zake de twee in de kluis aangetroffen bundels gereed geld nam de vrouw echter expliciet het standpunt in dat deze bundels gereed geld aantoonbaar geen bestanddelen van de gemeenschap betroffen. Pas in haar verweerschrift van 25 januari 2024 heeft de vrouw haar standpunt ter zake de omvang van het contante geld verlaten en gesteld dat het om een bedrag van € 30.000,- gemeenschappelijk geld ging.

5.12

De vrouw heeft in haar processtukken geen enkele verklaring gegeven voor deze gewijzigde opstelling. Ook ter zitting van het hof heeft de vrouw - desgevraagd - niet kunnen uitleggen wat er in de tussentijd – en wanneer - is gebeurd, dat ertoe heeft geleid dat zij van haar eerdere standpunt omtrent de inhoud van de kluis is teruggekomen. Gelet hierop en het onder 5.8 weergeven feitenoverzicht komt het hof tot de conclusie dat het handelen van de vrouw – zoals de man heeft gesteld – valt onder de reikwijdte van opzettelijk ‘verzwijgen’ en/of ‘verborgen houden’. Uitsluitend toen het voor de vrouw niet anders kon dan erkennen dat er gemeenschappelijk geld in de kluis lag, zoals de witte envelop met de titel “ [de vrouw] 5000”, is de vrouw opgeschoven in haar standpunt over de omvang van de te verdelen gemeenschap. De vrouw heeft echter nagelaten om tijdig zelf stappen te zetten die tot meer openheid hadden kunnen leiden over de omvang van de te verdelen gemeenschap. Dit alles in samenhang beoordelend komt het hof tot het oordeel dat sprake is van verzwijging, dan wel het verborgen houden van de contante gelden van de gemeenschap door de vrouw in de zin van art. 3:194 lid 2 BW.

5.13

Het hof heeft bij zijn oordeel betrokken dat ‘ieder verzwijgen, zoek maken of verborgen houden’ van de te verdelen vermogensbestanddelen tot toepasselijkheid van de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW leidt, ook als nog geen verdeling heeft plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565). De stelling van de vrouw dat zij tijdig in de echtscheidingsprocedure het standpunt heeft ingenomen dat er € 30.000,-- aan contant geld verdeeld moet worden, baat haar dan ook niet. Evenmin is er voor de vrouw de mogelijkheid om, na overtreding van art. 3:194 lid 2 BW, tot inkeer te komen nadat zij werd geconfronteerd met de inhoud van de kluis na beslaglegging hierop door de man. Deze uitleg strookt met de strekking van artikel 3:194 lid 2 BW dat tot doel heeft om oneerlijk gedrag van de deelgenoten tegenover elkaar te ontmoedigen. Daar komt nog bij dat de deelgenoten in het algemeen in hoge mate van elkaar afhankelijk zijn inzake de juistheid en volledigheid van de over en weer door hen verschafte inlichtingen omtrent het bestaan van gemeenschapsgoederen. De vrouw is op dat punt - op zijn minst genomen - nalatig geweest.

5.14

Naar aanleiding van het verweer van de vrouw dient het hof ten slotte nog de vraag te beantwoorden of artikel 3:194 lid 2 BW wel van toepassing kan zijn nu de man zelf wist dat in de kluis gemeenschappelijk contant geld aanwezig was. Volgens de vrouw is het niet mogelijk om iets te verzwijgen waar de man zelf kennis van heeft gehad. Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 3:194 lid 2 vloeit niet voort dat de deelgenoot aan wie het aandeel van de andere deelgenoot wordt verbeurd met het bestaan van het verzwegen goed compleet onbekend moet zijn. Naar het oordeel van het hof geldt artikel 3:194 lid 2 BW juist onder omstandigheden als hier gegeven, ten aanzien van goederen waarvan de andere deelgenoot -in dit geval de man- het bestaan tot op zekere hoogte kent, maar het goed niet in zijn macht heeft en de precieze omvang niet kan kennen. In de onderhavige zaak vormt het door de vrouw meerdere keren ontkennen van de aanwezigheid van contant geld in de kluis in combinatie met haar passieve houding als deelgenoot bij het verkrijgen van openheid over de inhoud van de kluis omstandigheden die maken dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is, ook nu de man wist van aanwezigheid van contant geld in de kluis.

5.15

Dit alles brengt mee dat grief 2 van de man slaagt en het hof het subsidiaire verzoek van de man onder II zal toewijzen. Het hof zal het onderdeel van het petitum “zonder enige verrekening” niet uitspreken, nu het hof ervan uitgaat dat toewijzing van het verzoek ook zonder die toevoeging tegemoetkomt aan zijn standpunt dat de vrouw het gehele bedrag van € 30.350,- aan de man dient te betalen, en de man overigens dit onderdeel van zijn verzoek niet heeft toegelicht.

Grief 3 financiële schade van de man

5.16

Met grief 3 komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank over de vergoeding van door hem gestelde financiële schade. In de procedure bij de rechtbank heeft de man verzocht om de vrouw te veroordelen tot vergoeding aan hem van de door hem gestelde financiële schade ter hoogte van € 10.063,66. Deze schade ziet op de kosten voor het leggen van het beslag op de inhoud van de kluis en op de kosten om verweer te voeren in de naar aanleiding van het gelegde beslag tegen hem aangespannen kort geding procedures door de zus en de zwager van de vrouw. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen voor zover het de door de man gemaakte kosten voor het leggen van het beslag betreft. Dit beslag was volgens de rechtbank rechtmatig. De overige kosten die de man heeft moeten maken zijn volgens de rechtbank niet aan de vrouw te wijten, zodat het verzoek tot vergoeding voor deze kosten is afgewezen.

5.17.

De man is het hier niet mee eens. Het door hem gelegde beslag is door de rechtbank rechtmatig geacht; de man moest zich daarna verweren in de door de zus en haar echtgenoot gestarte kort geding procedures. Deze kosten zijn volgens de man een direct gevolg van het onrechtmatig handelen van de vrouw. De zus en haar echtgenoot faciliteerden het verborgen houden van het contante geld. Er bestaat daarom volgens de man een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de vrouw - bestaande uit het verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van het contante geld - en de kosten die de man heeft moeten maken voor het voeren van verweer tegen de vorderingen van de zus en haar echtgenoot tot opheffing van het beslag.

5.18

De vrouw legt zich neer bij het oordeel van de rechtbank over de kosten van het beslag. Wat betreft de overige kosten is de vrouw van oordeel dat deze aan de man zelf zijn te wijten. De man had in ieder geval direct nadat de deurwaarder de beschrijving van de inhoud van de kluis had opgemaakt het beslag kunnen opheffen. Dat heeft hij niet gedaan, waardoor de zus en haar echtgenoot genoodzaakt waren juridische stappen te ondernemen. Dat kan de vrouw niet worden verweten. De vrouw betwist dat zij onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld.

5.19

Het hof is van oordeel dat voor de man geen noodzaak meer bestond om het conservatoir beslag op de gehele inhoud van de kluis voort te laten duren nadat hem via de deurwaarder de inhoud van de kluis bekend was geworden. De beschrijving van de inhoud van de kluis had voor de man in ieder geval aanleiding moeten zijn om het conservatoir beslag in reikwijdte te beperken tot die bestanddelen van de inhoud van de kluis waarvan het nog niet duidelijk was of die wel of niet tot het vermogen van partijen behoorden. Bovendien, zoals het hof ook in zijn arrest van 2 april 2024 heeft overwogen, door de keuze van de man om maritaal conservatoir beslag te laten leggen op de inhoud van de kluis - in plaats van (maritaal) derdenbeslag - heeft de man de zus van de vrouw en haar echtgenoot rechtsbescherming onthouden. Zij hebben niet de mogelijkheid gehad om in een vroegtijdig stadium te verklaren welke goederen en gelden in de kluis door het beslag waren getroffen. Dat de zus van de vrouw en haar echtgenoot vervolgens zijn gaan procederen ter bescherming van hun (eigendoms-)rechten kan de vrouw niet worden verweten.

Op grond van het voorafgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen het handelen van de vrouw en de door de man gestelde schade. Voor zover de man meent dat het door de vrouw opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van het contante geld op zichzelf al een onrechtmatige daad jegens hem is welke haar schadeplichtig maakt, dan wijst het hof erop dat het handelen van de vrouw reeds wordt gesanctioneerd doordat de vrouw haar aandeel in het contante geld aan de man verbeurt. Grief 3 van de man kan niet slagen en zijn verzoek onder III wordt afgewezen.

Sieraden (aanvullend verzoek)

5.20

De rechtbank heeft geen beslissing genomen over de sieraden omdat partijen het ter zitting bij de rechtbank erover eens waren dat de sieraden onverdeeld zullen blijven en dat deze aan de kinderen worden geschonken als zij beiden de 18-jarige leeftijd hebben bereikt. De man wenst thans alsnog verdeling van de gouden sieraden, gezien de aanzienlijke waarde van deze sieraden van € 35.000,-. Dit bedrag kan volgens de man niet genegeerd worden bij een rechtvaardige verdeling van de gemeenschap van goederen. De man heeft ter zitting bij het hof nader toegelicht dat hij zelf de beschikking wil hebben over de helft van de sieraden zodat hij zelf kan beslissen op welke wijze hij (een deel van) de sieraden aan de kinderen kan doen toekomen.

5.21

De vrouw acht het in het belang van de kinderen dat de tussen partijen gemaakte afspraak over het niet verdelen van de sieraden wordt nagekomen. Er is sprake van een partijafspraak, waaraan de man zich moet houden. De vrouw heeft ter zitting bij het hof voorgesteld dat partijen een gezamenlijke kluis openen waarin de sieraden kunnen worden bewaard. Zodra de kinderen de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, kunnen partijen de sieraden aan de kinderen doen toekomen.

5.22

De man heeft geen grief geformuleerd tegen de wijze waarop de rechtbank in overweging 2.9.32 van de bestreden beschikking de afspraak over de sieraden heeft vastgelegd. Het hof is van oordeel dat partijen ter zitting bij de rechtbank een bindende afspraak hebben gemaakt over het niet verdelen van de sieraden en over het aan de kinderen schenken van de sieraden. Het hof begrijpt het aanvullende verzoek van de man aldus, dat hij de partijen bindende afspraak wil ontbinden. De man heeft evenwel geen wettelijke gronden aangevoerd die kunnen leiden tot ontbinding van de afspraak. Dat de man bij nader inzien minder gelukkig is met de door hem gemaakte afspraak is onvoldoende om tot ontbinding van de afspraak te komen. Het aanvullend verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen. Het hof geeft partijen in overweging het door de vrouw ter zitting gedane voorstel te volgen.

5.23

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 6 februari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met uitzondering van het oordeel ten aanzien van art. 3:194 lid 2 BW en vernietig het dictum van de bestreden beschikking op onderdeel 3.9., en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw haar aandeel in het contante geldbedrag van € 30.350,-- volledig aan de man heeft verbeurd, en dat de vrouw dit bedrag van € 30.350,-- volledig aan de man dient te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. H.A. van den Berg en mr. A.R. Sturhoofd, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733