Essentie (gemaakt door AI)
Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen waarin rechtsmacht en NL recht worden aangenomen. Verzoeken tot ontbinding worden toegewezen. Gezag: reeds gezamenlijk op grond van art. 1:253aa BW; verzoek van vader tot medegezag wordt afgewezen. Hoofdverblijfplaats minderjarige bij moeder. Geen zorgregeling vastgesteld. Kinderalimentatie: behoefte €737; draagkracht moeder nihil, vader betaalt €737 p/m. Verzoek partneralimentatie afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing/behoefte. Voortgezet gebruik woning 6m| Datum publicatie | 19-02-2026 |
| Zaaknummer | C/09/675146 / FA RK 24-7883 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Kinderen; Alimentatie; Familievermogensrecht; Pensioen; Pensioenverevening |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen: gezag, hoofdverblijfplaats, voortgezet gebruik en verdelingVolledige uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7883 (ontbinding geregistreerd partnerschap)
FA RK 25-2361 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/675146 (ontbinding geregistreerd partnerschap)
C/09/682677 (verdeling)
Datum beschikking: 30 december 2025
Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 28 oktober 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Uzumcu te [plaats 2] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.F. Mandos te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift van de zijde van de man;
-
het F9-formulier van 18 november 2024 van de zijde van de man, met bijlage;
-
het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, van de zijde van de vrouw;
-
het verweerschrift op zelfstandig verzoek, van de zijde van de man;
-
het F9-formulier van 16 september 2025 van de zijde van de man, met als bijlage een aanvullend verzoekschrift;
-
het F9-formulier van 8 november 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de man met zijn advocaat;
-
de vrouw met haar advocaat en tolk;
-
[naam 1] en [naam 2] namens Jeugdbescherming west Haaglanden.
Door de vrouw is op de zitting een brief van haar Ierse advocaat overgelegd.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
-
het F9-formulier van 2 december van de zijde van de man, met bijlagen;
-
Het F9-formulier van 10 december 2025 van de zijde van de vrouw.
Feiten
-
De man en de vrouw zijn op [datum] 2015 te [plaats 1] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
-
Zij zijn de ouders van de volgende kinderen:
- de tijdens deze procedure jong-meerderjarige geworden [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] ;
- de nog minderjarige [de minderjarige] , geboren op
[geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland 2] .
-
De man heeft de Belgische nationaliteit.
-
De vrouw, [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] hebben de Ierse nationaliteit.
-
Deze rechtbank heeft op 4 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen – voor zover van belang – inhoudende dat:
- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres 1] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige] aan de vrouw worden toevertrouwd;
- dat de man met ingang van 4 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 1.265,- per maand, zijnde € 632,50 per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de man aan de vrouw met ingang van 4 maart 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 197,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 25 april 2025 is [de jong-meerderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden van 25 april 2025 tot
[geboortedatum 1] 2025 en is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden van 25 april 2025 tot 25 april 2026.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man, na aanvulling, strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot:
-
bepaling dat de man mede met het gezag over [de minderjarige] belast wordt;
-
veroordeling van de vrouw om haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woningen aan de [adres 1] en de [adres 2] , [land] , aan een derde, waartoe zij in ieder geval:
- binnen veertiendagen nadat dit vonnis is uitgesproken samen met de man een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met een door de rechtbank aan te wijzen makelaar onder de voor NVM-makelaar voor de woning in [plaats 2] en PSRA-SCSI gecertificeerde estate agent voor de woning in Ierland gebruikelijke voorwaarden;
- de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de man op zal volgen waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woningen in een zoveel mogelijk presentabele staat dienen te verkeren;
- dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst, indien en voor zover:
- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en;
- de koopovereenkomst, voor een woning als deze, gebruikelijke condities bevat;
- dient mee te werken aan de levering van de woningen op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;
- 50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan de vrouw toekomende aandeel in de overwaarde;
- bepaling dat, indien de vrouw niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking zoals hiervoor gevorderd, zij een dwangsom verschuldigd is van
€ 250,- per overtreding en van € 250,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 10.000,-;
- verdeling ten overstaan van een notaris en onzijdige personen, met bepaling daarbij dat tevens in aanmerking wordt genomen dat de man sinds het indienen van het verzoek tot op heden alle gemeenschappelijke schulden, waaronder de hypotheeklasten en overige lasten, volledig heeft voldaan, en bepaling dat deze door de man voorgeschoten betalingen bij de verdeling voor 50% aan de vrouw worden toegerekend;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om ontbinding van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen tot:
-
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw en alvorens daartoe over te gaan zich te laten adviseren door de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderen te horen;
-
vaststelling van een kinderalimentatie, daartoe de gebruikelijke financiële informatie op te vragen bij procespartijen, en bij het uitblijven van de financiële gegevens het bedrag vast te stellen aan de hand van de schattingen van de vrouw;
-
vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, daartoe de gebruikelijke financiële informatie op te vragen bij procespartijen, en bij het uitblijven van de financiële gegevens het bedrag vast te stellen aan de hand van de schattingen van de vrouw;
-
partijen te gelasten om binnen drie maanden na de inschrijving van de te geven beschikking met betrekking tot de ontbinding van het geregistreerde partnerschap in de registers van de burgerlijke stand, bij een door de rechtbank aan de wijzen notaris over te gaan tot verdeling van de gemeenschap onder opgave van het vermogen en de stellingen van partijen omtrent dit vermogen over en weer;
-
het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] , tot het moment dat partijen sluitende afspraken hebben kunnen maken bij voornoemde notaris over hun gemeenschappelijke vermogen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat [de jong-meerderjarige] gedurende deze procedure meerderjarig is geworden. De rechtbank kan in deze procedure daarom geen beslissingen nemen die [de jong-meerderjarige] betreffen. De daarop gerichte verzoeken worden daarom afgewezen.
Ontbinding geregistreerd partnerschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
De rechtbank zal krachtens artikel 10:86 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) Nederlands recht toepassen op het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Op grond van artikel 815 tweede lid Rv moet een verzoekschrift tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbijgaan aan het vereiste van artikel 815 tweede lid Rv. De rechtbank zal partijen dan ook ontvangen in hun verzoeken om het geregistreerd partnerschap te ontbinden.
Inhoudelijke beoordeling
De man en de vrouw hebben beiden gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond toewijzen.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van het gezag.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt om samen met de vrouw belast te worden met het gezag over [de minderjarige] . De man dacht dat hij al gezag over haar had, maar volgens de vrouw is dat niet het geval. De vrouw neemt nu alle beslissingen over [de minderjarige] zonder de man in kennis te stellen of om toestemming te vragen. De man vindt het in het belang van [de minderjarige] dat hij ook kan meebeslissen over haar.
De vrouw stelt eenhoofdig belast te zijn met het gezag over [de minderjarige] doordat [de minderjarige] in Ierland is geboren. Door de toepassing van het Ierse recht is er geen sprake van gezamenlijk gezag. De vrouw wil ook niet dat er gezamenlijk gezag komt. Het lukt partijen namelijk niet om met elkaar te overleggen en beslissingen samen te nemen.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de man [de minderjarige] heeft erkend in Ierland. De man staat ook op de geboorteakte van [de minderjarige] als juridisch vader. Uit artikel 6 lid 4 van de Guardianship of Infants Act volgt dat de man daardoor bij de erkenning van [de minderjarige] niet automatisch het gezag over [de minderjarige] heeft gekregen, omdat hij op dat moment niet met de vrouw was gehuwd.
In 2012 zijn partijen samen met [de minderjarige] in Nederland gaan wonen. Partijen zijn in Nederland vervolgens in 2015 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Op grond van artikel 16 lid 4 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, waarbij Ierland en Nederland partij zijn, wordt na verplaatsing van de gewone verblijfplaats van een kind, het recht van de nieuwe woonplaats van het kind van toepassing op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op het moment dat het geregistreerd partnerschap werd aangegaan, was het Nederlands recht dus van toepassing. Dit betekent dat de man, door het aangaan van het geregistreerd partnerschap met de vrouw op grond van artikel 1:253aa BW mede het gezag heeft verkregen over [de minderjarige] . Nu de man al samen met de moeder belast is met het gezag over [de minderjarige] , wordt zijn verzoek om hem mede te belasten met het gezag afgewezen.
Omdat de ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over [de minderjarige] , komt de rechtbank toe aan het beoordelen van het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. De man is het eens met dit verzoek. De rechtbank zal het verzoek daarom als op de wet gegrond toewijzen, nu ook niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet.
Partijen zijn het er ook over eens dat het belangrijk is dat het contact tussen de man en [de minderjarige] hersteld wordt. [de minderjarige] heeft aangegeven dat zij op dit moment behoefte heeft aan een flexibele zorgregeling, met name omdat ze rust nodig heeft en tijd voor haar schoolwerk. [de minderjarige] heeft op dit moment moeite met het contact met de man en ze voelt zich veiliger bij de vrouw. De jeugdbeschermer heeft aangegeven dat [de minderjarige] in de toekomst zeker open staat voor contact, maar dat er op dit moment even geen ruimte is voor een vaste zorgregeling. De man heeft op de zitting aangegeven de wens van [de minderjarige] te willen respecteren. Hij wil graag dat er samen met de jeugdbescherming gekeken zal gaan worden op welke wijze het contact met [de minderjarige] binnen haar wensen kan worden hersteld. De rechtbank stelt daarom geen zorgregeling vast. Door partijen is ook geen verzoek toe gedaan.
Kinderalimentatie [de minderjarige]
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek.
Op het verzoek tot alimentatie ten behoeve van [de minderjarige] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de bijdrage van de man in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] naar redelijkheid met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen, gelet op het feit dat er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is vastgesteld.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Niet in geschil is dat de vrouw gedurende het huwelijk niet werkte, zodat zij de zorg voor [de minderjarige] en de zoon van partijen op zich kon nemen. Voor de berekening van het netto gezinsinkomen (NBGI) ter bepaling van de behoefte van [de minderjarige] zal de rechtbank daarom geen rekening houden met inkomen aan de zijde van de vrouw.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De man werkt voor de Europese Commissie, waardoor hij geen belasting betaalt in Nederland. De rechtbank zal daarom rekening houden met een netto jaarinkomen. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgaaf 2024, omdat partijen begin 2025 uit elkaar zijn gegaan. Uit de overgelegde jaaropgaaf 2024 blijkt een netto jaarinkomen van € 62.091,-. De rechtbank gaat uit van dit bedrag, inclusief de household allowance en de dependant child allowance is, omdat deze bedragen inkomen betreffen dat ter beschikking stond in het door partijen samen gevoerde huishouden. De rechtbank merkt nog op dat de behoefteberekening van de man niet kan worden gevolgd, omdat daar uitgegaan wordt van een belastingdruk die er feitelijk niet is.
De rechtbank zal bij de berekening van het NBI van de man geen rekening houden met het inkomen dat hij heeft genoten door werkzaamheden te verrichten als verkeersregelaar. De rechtbank is met de man van oordeel dat dit inkomen niet meegenomen moet worden bij de berekening van de behoefte, omdat de man dit extra werk is gaan verrichten ter voldoening van de schulden en het daar ook aan heeft besteed zoals blijkt uit de overgelegde overzichten. Dit inkomen is dus is niet als extra inkomen besteed aan de gewone lasten van het gezin.
De rechtbank berekent op grond van het voorgaande daarom het NBI van de man op
€ 62.091,- / 12 = € 5.174,-.
Het NBGI van partijen tezamen bedraagt in 2025 dus eveneens € 5.174,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 268,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 737,- per maand voor [de minderjarige] . De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
De vrouw heeft op dit moment geen baan. Het is volgens de rechtbank duidelijk dat zij op termijn wel weer aan het werk zou kunnen gaan. In Ierland heeft zij een baangarantie en de rechtbank vindt dat zij geacht moet worden ook in Nederland een baan te kunnen vinden. Het is echter onduidelijk welk inkomen ze daaruit kan genereren.
Partijen gaan er beiden vanuit dat de vrouw nog tot aan de zomer met de kinderen in Nederland zal blijven. Op dit moment heeft de vrouw nog geen baan. De rechtbank zal daarom voor de berekening van de kinderalimentatie nog niet uitgaan van inkomen aan de zijde van de vrouw. De vrouw dient zich in te spannen om inkomen te genereren. Op termijn, of wanneer de vrouw een baan vindt, kan dat aanleiding zijn om de verschuldigde alimentatie opnieuw te berekenen.
Draagkracht man
Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn huidige inkomen. Uit het door de man verstrekte overzicht blijkt een dat hij tot en met oktober 2025 een bedrag van € 52.839,- netto heeft verdiend. Daarnaast heeft hij over de maand november 2025 een bedrag van € 5.318,- ontvangen. De rechtbank gaat er vanuit dat hij over de maand december een gelijk bedrag zal ontvangen als in november. Het netto jaarinkomen over 2025 bedraagt dan dus € 63.475,- (€ 52.839,- + € 5.318,- + € 5.318,-). De rechtbank zal, zoals ook bij de behoefte overwogen, bij de berekening van de draagkracht geen rekening houden met de inkomsten van de werkzaamheden als verkeersregelaar. De rechtbank is van oordeel dat het op de langere termijn niet van de man gevergd kan worden dat hij meer dan een fulltime baan uitvoert. Daarnaast houdt de rechtbank geen rekening met de aflossing van de schulden, omdat de resterende schulden kunnen worden voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de woning(en) en op korte termijn nog uit het inkomen uit de extra werkzaamheden van de man, waarmee bij de berekening van de draagkracht dus geen rekening wordt gehouden.
Op basis van het voorgaande is het NBI van de man € 63.475,- / 12 = € 5.290,-.
Het NBI van de man is hoger dan € 2.125,- per maand, zodat de rechtbank conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) voor de berekening van de draagkracht van de man de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] als uitgangspunt zal nemen.
De draagkracht van de man bedraagt volgens bovenstaande formule: 70% x [5.290 – (0,3 x 5.290 + 1.310)] = € 1.675,-.
Zorgkorting
De rechtbank houdt in haar berekening van de kinderalimentatie rekening met een zorgkorting, omdat er op dit moment geen zorgregeling is tussen de man en [de minderjarige] .
Conclusie
Nu de vrouw geen draagkracht heeft komt de rechtbank niet toe aan een draagkrachtvergelijking. De draagkracht van de man is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Dit betekent dat de man met ingang van datum beschikking, een bedrag van € 737,- aan kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] zal voldoen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek.
Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling partneralimentatie afwijzen en overweegt daartoe als volgt. De vrouw is op dit moment, ondanks dat zij opgeleid is, niet aan het werk. Zij stelt dat partijen tijdens de samenleving hebben afgesproken dat zij niet zou werken en partijen zouden leven van het inkomen van de man. Bovendien stelt zij dat het niet handig is voor haar om op zoek te gaan naar een baan, omdat zij voor de kinderen zorgt en bezig is om terug te keren naar Ierland. De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie hiermee onvoldoende is onderbouwd. De kinderen van partijen zijn niet meer op een leeftijd dat de vrouw geen werkzaamheden zou kunnen verrichten. De situatie is met het uiteengaan van partijen gewijzigd. De vrouw kan dan ook niet zonder meer terugvallen op de wijze waarop partijen hun leven tijdens hun samenleving hadden ingericht. De rechtbank vindt daarom dat het in het kader van de partneralimentatie van de vrouw verwacht kan worden dat zij een eigen inkomen genereert en dat zij haar vertrek naar Ierland niet afwacht.
Voortgezet gebruik woning in [plaats 2]
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De woning is in Nederland gelegen. Op grond van artikel 4 lid 3 onder a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over de gedane verzoeken tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw komende tijd nog in de woning in [plaats 2] mag blijven, samen met de kinderen van partijen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning daarom toewijzen voor de maximale wettelijke duur.
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de partnerschapsgemeenschap.
Op grond van artikel 10:71 BW wordt het partnerschapsvermogen beheerst door het Nederlands recht, aangezien het partnerschap is aangegaan in Nederland en niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan op [datum] 2015. Nu gesteld noch gebleken is dat zij partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. De ontbonden partnerschapsgemeenschap moet op grond van artikel 1:100 BW bij helfte worden verdeeld.
Partijen verzochten aanvankelijk een verdeling ten overstaan van een notaris. Op de zitting hebben ze echter medegedeeld een verdeling door de rechtbank te wensen. De rechtbank zal daarom overgaan tot de vaststelling van de verdeling van de partnerschapsgemeenschap.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
28 oktober 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Door de man is gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de wettelijke gemeenschap vallen:
-
Koopwoning [plaats 2] ;
-
Koopwoning [land] ;
-
Gemeenschappelijke schulden.
Ad a. Koopwoning [plaats 2]
Partijen zijn het erover eens dat de woning in [plaats 2] aan een derde moet worden verkocht. De vrouw heeft hierbij wel verzocht dat de opleverdatum van de woning niet voor september 2026 zal zijn, omdat zij hoopt dan naar Ierland te kunnen verhuizen. Tot die tijd wil zij met de kinderen van partijen in de woning blijven. De man heeft ter zitting met dit verzoek ingestemd.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de verdeling van de woning in [plaats 2] vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje. Daarbij geldt dat partijen de door hen gekozen makelaar uiterlijk in april 2026 de opdracht geven tot verkoop. De opleverdatum zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw niet voor september 2026 zijn.
Ad b. Koopwoning [land]
De man wil graag dat de woning in [land] aan een van partijen wordt toebedeeld of dat de woning aan een derde wordt verkocht. De vrouw wil dat de woning vijf jaar lang onverdeeld blijft, zodat ze de woning kan (laten) opknappen om hem in waarde te laten stijgen voor de verkoop.
De rechtbank bepaalt dat ook de woning in [land] verkocht moet worden. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de vrouw op dit moment financieel niet in staat is om de woning over te nemen. De man heeft niet de wens om de woning over te nemen. De rechtbank overweegt dat het, mede gelet op de financiële situatie, van de man niet kan worden verlangd dat de woning nog vijf jaar lang onverdeeld blijft. De rechtbank neemt in het dictum een spoorboekje op voor de verkoop van de woning, waarbij de gebruikelijke termijnen zullen gelden, zodat de verkoop van de woning in werking gezet kan worden.
Ad c. Gemeenschappelijke schulden
Door de man is bij de brief van 2 december 2025 een actueel overzicht van de schulden ingediend. De man verzoekt de verdeling van de schulden die op het overzicht vermeld staan.
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)partners tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen partijen geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)partner voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)partner wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)partner.
De rechtbank zal vastleggen dat partijen ten aanzien van de schulden die na het aangaan van het geregistreerd partnerschap zijn ontstaan en op de peildatum nog bestonden in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn.
Dwangsom
Door de man is verzocht om een dwangsom op te leggen aan de vrouw van € 250,- voor iedere keer dat zij haar medewerking weigert aan verkoop van de woningen.
De rechtbank wijst dit verzoek of, omdat de man naar het oordeel van de rechtbank niet heeft toegelicht waarom dit nodig is.
Pensioen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van nevenvoorzieningen op grond van artikel 4 lid 3 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 10:51 BW is het recht dat van toepassing is op het vermogensregime van partijen ook van toepassing op de vraag of de ene partner recht heeft op een gedeelte van het pensioen van de andere partner. De rechtbank stelt daarom vast dat het Nederlandse recht van toepassing is.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij ook aanspraak maakt op de helft van het door de man opgebouwde pensioen. Omdat geen verzoek is geformuleerd ten aanzien van de pensioenen, zal de rechtbank hier geen beslissing over nemen. Dat neemt niet weg dat partijen moeten overgaan tot pensioenverevening. Zoals bepaald in artikel 1:155 BW en in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, valt al het pensioen dat partijen tijdens het geregistreerd partnerschap in Nederland hebben opgebouwd daaronder. Op grond van artikel 1 lid 8 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) , is deze wet ook van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling indien Nederlands recht het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten beheerst. De echtgenoot die recht op verevening heeft, verkrijgt met betrekking tot een pensioen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling geen recht op uitbetaling van een deel van dat pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan, maar slechts een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot. De vrouw verkrijgt door de ontbinding van het geregistreerd partnerschap dus jegens de man een recht op uitbetaling van een deel van het door de man opgebouwde pensioen. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen hiertoe de relevante gegevens over en weer zullen uitwisselen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan op
[datum] 2015 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland 2] ;
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van datum beschikking een kinderalimentatie ten behoeve [de minderjarige] van € 737,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
wijst af het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning aan de [adres 1] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
stelt de verdeling van de wettelijke algehele gemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de beschikking van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en):
1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens uiterlijk in april 2026 een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, waarbij geldt dat de opleverdatum van de woning niet voor september 2026 zal zijn gelegen;
met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres 2] , [land] :
1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
*
stelt vast dat partijen ten aanzien van de schulden die op de peildatum nog bestonden in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het anders of meer verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 december 2025. |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
