Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep waarin bewind en mentorschap voor rechthebbende met vergevorderde dementie worden beoordeeld. Gemeenschap van goederen. Geen reden om af te wijken van wettelijke voorkeur. De hele gemeenschap valt onder het bewind, waardoor de echtgenote wordt beperkt in haar rechten. Hof acht echtgenote voldoende in staat om het bewind uit te voeren. Professioneel mentorschap wordt in stand gelaten wegens spanningen met dochter en voor goede samenwerking met instelling.| Datum publicatie | 19-02-2026 |
| Zaaknummer | 200.350.301_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Meerderjarigenbescherming; Bewind |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Gemeenschap van goederen. Geen reden om af te wijken van wettelijke voorkeur. De hele gemeenschap valt onder het bewind, waardoor de echtgenote wordt beperkt in haar rechten. Hof acht echtgenote voldoende in staat om het bewind uit te voeren. Professioneel mentorschap wordt in stand gelaten.Volledige uitspraak
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 augustus 2025
Zaaknummer: 200.350.301/01
Zaaknummer eerste aanleg: 11219569 OV VERZ 24-3279
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. A.J.M. van der Borst,
betreffende de instelling van het bewind over de (toekomstige) goederen van:
[de rechthebbende] ,
verblijvende bij Stichting [Stichting] ,
hierna te noemen: de rechthebbende,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de bewindvoerder / de mentor] , h.o.d.n. [naam] ,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder respectievelijk de mentor,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof,
[belanghebbende 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,
[belanghebbende 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 2] ,
[belanghebbende 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 3] ,
advocaat: mr. P.A. Visser,
Stichting [Stichting] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoeker in eerste aanleg,
hierna te noemen: de Stichting.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 januari 2025, heeft [verzoekster] verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de persoon van de bewindvoerder en mentor en - opnieuw rechtdoende - [verzoekster] te benoemen tot bewindvoerder en mentor van de rechthebbende, kosten rechtens.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 maart 2025, heeft de bewindvoerder/mentor verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
[verzoekster] , bijgestaan door mr. Van der Borst;
-
[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ;
-
de bewindvoerder/mentor, bijgestaan door mr. Maat-Oldenhof;
-
[collega] , collega van de bewindvoerder/mentor en mede-uitvoerder van het bewind en mentorschap;
-
[vertegenwoordiger] , gevolmachtigd door de Stichting (via een online verbinding).
[belanghebbende 3] is, met bericht van verhindering, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-
de brief met bijlage van de advocaat van [belanghebbende 3] van 23 juni 2025 (zienswijze [belanghebbende 3] );
-
de door de Stichting op 23 juni 2025 overgelegde volmacht;
-
de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van der Borst;
-
de op 24 juni 2025 op verzoek van het hof door de Stichting alsnog per email toegezonden medische stukken.
De advocaat van [verzoekster] heeft op 12 juni 2025 een V6-formulier ingediend met daarbij gevoegd een brief houdende aanvulling van gronden. Het hof laat deze brief buiten beschouwing wegens strijd met de tweeconclusieleer. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden of nieuwe feiten, die nopen tot afwijking van de tweeconclusieleer. Genoemde gronden hadden reeds eerder naar voren kunnen worden gebracht.
Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover [verzoekster] heeft betoogd in eerste aanleg niet te hebben kunnen reageren op het na de mondelinge behandeling door de Stichting ingediende verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap, het hoger beroep tevens dient om dergelijke eventuele omissies uit eerste aanleg te herstellen.
De advocaat van [verzoekster] heeft op de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de late indiening van de zienswijze van [belanghebbende 3] .
Het hof heeft toegelicht dat het hof [belanghebbende 3] abusievelijk pas laat in de procedure als belanghebbende heeft aangemerkt. Omdat de zienswijze van [belanghebbende 3] daags vóór de mondelinge behandeling is ingediend, heeft het hof de mondelinge behandeling voor een leespauze geschorst. De advocaat van [verzoekster] heeft vervolgens geen bezwaar gemaakt tegen het voorstel van het hof om verder te gaan met de mondelinge behandeling. Nu alle belanghebbenden de gelegenheid hebben gehad om van de zienswijze van [belanghebbende 3] kennis te nemen en daarop te reageren, wordt dit stuk meegenomen.
Met toestemming van het hof heeft de moeder bij bericht van 28 juli 2025 nog gereageerd op de hiervoor genoemde (door de Stichting in het geding gebrachte) medische stukken.
3De beoordeling
De feiten
Uit het huwelijk van [verzoekster] en rechthebbende zijn [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] geboren. [belanghebbende 3] is de dochter van rechthebbende.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de goederen die de rechthebbende toebehoren een bewind ingesteld, alsmede ten behoeve van de rechthebbende een mentorschap ingesteld, met benoeming van [de bewindvoerder / de mentor] (voornoemd) tot bewindvoerder en mentor.
[verzoekster] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
[verzoekster] voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan.
In de wet is geregeld dat bij het instellen van een bewind en mentorschap bij voorkeur de echtgenoot tot bewindvoerder en/of mentor wordt benoemd. [verzoekster] wil als bewindvoerder en mentor worden benoemd. Zij is met de rechthebbende in gemeenschap van goederen getrouwd. De noodzaak van bewindvoering door een derde is niet aanwezig. Gedurende het huwelijk heeft [verzoekster] altijd het financieel beheer over de huwelijksgemeenschap gehad. De rechthebbende is al enige tijd dementerend en is opgenomen in een instelling van de Stichting. Het garagebedrijf ligt nu al jaren stil en er moet dringend worden opgeruimd. Zo heeft [verzoekster] een bericht van de gemeente gekregen dat een aantal autowrakken moeten worden verwijderd en dat anders de gemeente dat gaat doen.
De Stichting heeft haar man een verzoek tot onderbewindstelling van zijn vermogen laten tekenen terwijl hij niet compos mentis was. Van een rechtsgeldig uitgebrachte voorkeur voor een derde is dan ook geen sprake. Er lag al geruime tijd een CZ-indicatie (zorgprofiel VV07: eindstadium dementie) en een machtiging op grond van de Wet zorg en dwang.
Door deze gang van zaken is de Stichting geen onafhankelijk partij en beoogt zij uitsluitend het belang van de bewindvoerder/mentor en [belanghebbende 3] te dienen. [verzoekster] is ook nooit door de Stichting benaderd voor een gesprek met de (destijds beoogd) bewindvoerder en mentor.
De belangen van de rechthebbende en van [verzoekster] zijn nog steeds hetzelfde en zijn niet tegenstrijdig. Er is sprake van een gelukkig huwelijk van zestig jaar, waaraan door de ziekte van de rechthebbende een einde is gekomen. Er is geen sprake van een duurzame ontwrichting. Gelet op de gemeenschap van goederen dient het te gaan om de belangen van de rechthebbende en diens huwelijkspartner, te weten [verzoekster] . Liquidatie van de huwelijksgemeenschap is niet aan de orde. Rechthebbende is zelfstandig ondernemer geweest met een eigen garagebedrijf. [verzoekster] is altijd nauw betrokken geweest bij de uitoefening van dit bedrijf. De bewindvoerder heeft geen kennis van dit bedrijf, terwijl [verzoekster] die kennis wel heeft. Zij heeft bovendien al jarenlang een accountant die haar bijstaat. [verzoekster] vindt het stuitend dat de bewindvoerder zonder overleg en zonder haar toestemming een wijziging van de AOW-uitkering van gehuwden naar een alleenstaande heeft aangevraagd, post geadresseerd aan [verzoekster] opent en achterhoudt en wijzigingen wil aanbrengen in de verzekeringen. [verzoekster] heeft bovendien uitgaven moeten doen voor onderhoud aan de gezamenlijke woning en heeft die van haar AOW moeten bekostigen omdat zij geen toegang meer heeft tot de gezamenlijke gelden. Er zijn hierdoor schulden ontstaan, terwijl [verzoekster] en de rechthebbende dit altijd hebben weten voorkomen. Er is thans slechts nog een restant van de hypotheekschuld, er is altijd gespaard om te kunnen aflossen. Door het bewind komt [verzoekster] ontzettend in de schulden, zij betaalt de ziektekosten voor rechthebbende, hij krijgt toeslag en die neemt de bewindvoerder tot zich. [verzoekster] krijgt dat niet van haar. De rechthebbende had twee Raborekeningen, die stonden ook op haar naam, maar daar beschikt de bewindvoerder nu over.
[verzoekster] en de rechthebbende hadden plannen om kleiner te gaan wonen en een camper te kopen. [verzoekster] kan niet in de huidige woning - waarvan een grote loods met bruggen, een grote werkplaats en showroom onderdeel uitmaken - blijven wonen. De rechthebbende was een verzamelaar en wilde nooit iets wegdoen. Het is daardoor een bende, er moet nog veel worden opgeruimd.
Er is geen sprake van een complexe familierelatie. De kinderen van [verzoekster] en rechthebbende, [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , zijn akkoord met de benoeming van [verzoekster] . Weliswaar is [belanghebbende 3] , de dochter van rechthebbende niet akkoord, maar zij heeft een andere positie. Mogelijk heeft zij een persoonlijk belang als toekomstig erfgenaam van rechthebbende.
[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] voeren - zakelijk weergegeven - het volgende aan.
Zij ondersteunen het verzoek van [verzoekster] . [verzoekster] wordt bijgestaan door een accountantskantoor en een notaris die al jarenlang bij de onderneming betrokken zijn. De rechthebbende heeft steeds de fysieke werkzaamheden in de garage verricht en [verzoekster] verzorgde de financiële kant van het bedrijf. Het is nooit de bedoeling geweest om eigendommen voor eigen gewin van de hand te doen. De rechthebbende en [verzoekster] waren al begonnen met het opruimen van het huis en het bedrijf. De gemeente heeft aan [verzoekster] verzocht om vanaf de openbare weg zichtbare wrakken weg te halen. Deze auto’s zijn naar de sloop gegaan. Dat is eenvoudig te verifiëren. De rechthebbende is altijd een verzamelaar geweest. Het is voor [verzoekster] belangrijk dat zij verder kan met de afwikkeling van het bedrijf en met haar leven. Dit biedt haar gemoedsrust.
De bewindvoerder stelt zich heel belerend en beschuldigend op jegens [verzoekster] . [belanghebbende 2] heeft een vraag gesteld over de betaling van ziektekosten, maar zij krijgt hier van de bewindvoerder geen antwoord op.
Het is onjuist dat [belanghebbende 3] door de familie wordt buitengesloten. [belanghebbende 3] is juist degene geweest die een gesprek met de Stichting heeft aangevraagd en de familie daar niet bij heeft betrokken.
[belanghebbende 3] voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan.
De rechthebbende en [verzoekster] hadden destijds een open relatie. Hieruit is [belanghebbende 3] geboren. De rechthebbende heeft [belanghebbende 3] in 2023 erkend. Zij was hier enorm trots op. [belanghebbende 3] had op dat moment al enige tijd geen contact meer met haar eigen moeder.
[belanghebbende 3] vindt het pijnlijk om te lezen dat zij, volgens [verzoekster] , nooit deel heeft uitgemaakt van het gezin. [belanghebbende 3] heeft zelf warme herinneringen aan weekenden en vakanties bij de familie. Zij voelde zich van kleins af aan opgenomen in het gezin van rechthebbende. Er zijn periodes geweest dat het voor [belanghebbende 3] moeilijker werd om regelmatig op bezoek te komen. Zij voelde zich soms ook klem zitten tussen haar moeder enerzijds en de rechthebbende en [verzoekster] anderzijds.
Het doet [belanghebbende 3] veel pijn om de rechthebbende in slechte gezondheid te zien. Zij is met [verzoekster] in het revalidatiecentrum aanwezig geweest bij een gesprek over de toekomst van de rechthebbende. [belanghebbende 3] heeft nadien geprobeerd om de inhoud van het gesprek samen te vatten. [verzoekster] is vervolgens met allerlei verwijten jegens [belanghebbende 3] gekomen, terwijl dit zaken waren die door de artsen waren geopperd. De band tussen [belanghebbende 3] en [verzoekster] is daarna verslechterd en [belanghebbende 3] kreeg geen informatie meer over de gezondheid en verblijfplaats van de rechthebbende. [belanghebbende 3] heeft van de Stichting begrepen dat [verzoekster] het niet goed vindt dat zij bij de rechthebbende op bezoek komt en dat het personeel angstig is voor de heftige reacties van [verzoekster] .
Het zal veel tijd kosten om alle zakelijke kwesties af te wikkelen en de vraag is of [verzoekster] in staat is om dit alles te overzien. In zoverre blijft [belanghebbende 3] bij haar standpunt dat het meer in het belang van de rechthebbende is dat het bewind door een professionele bewindvoerder wordt uitgevoerd.
Zowel [belanghebbende 3] als haar moeder hebben nooit om geld gevraagd. [belanghebbende 3] kan haar eigen boontjes doppen. [belanghebbende 3] is van mening dat de rechthebbende en [verzoekster] hard hebben gewerkt voor hun geld en dat zij daar zelf nu de vruchten van moeten kunnen plukken. Het geld is bestemd voor de zorg van de rechthebbende en een comfortabele oude dag van [verzoekster] . Het persoonlijk belang van [belanghebbende 3] is gelegen in het mentorschap. [belanghebbende 3] vreest door de recente gebeurtenissen dat zij geen enkele informatie krijgt en geen toegang meer tot de rechthebbende krijgt als het mentorschap bij [verzoekster] komt te liggen. Ze verzoekt daarom om het mentorschap bij een onafhankelijke derde te laten.
De bewindvoerder/mentor voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan.
De beslissing van de rechtbank dient in stand te blijven. De rechthebbende is duidelijk geweest dat het zijn wens was dat er een onafhankelijk bewindvoerder en mentor zou moeten worden benoemd. Hij was nog voldoende aanspreekbaar toen hij zijn wensen hierover kenbaar heeft gemaakt. Zijn geestelijke gezondheid gaat echter hard achteruit.
Er moet een aantal beslissingen worden genomen die juridisch complex zijn. De rechthebbende is altijd zelfstandig ondernemer geweest. Hij is niet meer in staat geweest om de werkplaats/garage op te ruimen en te verkopen. [verzoekster] geeft aan dat haar geld in de onderneming zit. Bij de verkoop zal moeten worden uitgezocht wie welke vergoedingsrechten toekomen en hoe de opbrengsten tussen de huwelijksgoederengemeenschap en het privévermogen zal moeten worden verdeeld. Hiervoor is juridische ondersteuning nodig. De bewindvoerder beschikt hierover. [verzoekster] lijkt vanuit angst te reageren, omdat zij de regie over de financiën kwijtraakt, zij niet in de echtelijke woning kan blijven wonen en haar leven niet kan leiden zoals zij wil. Zij wil niet dat een derde haar gaat vertellen waar zij haar geld niet en wel aan mag uitgeven of waar zij op moet bezuinigen.
Er moeten echter allerhande beslissingen worden genomen over de rechthebbende. In dit kader is het niet wenselijk dat er twee fronten zijn. De bewindvoerder wil graag met [verzoekster] samenwerken en haar ondersteunen, maar het is nog niet gelukt om met haar in gesprek te komen. De bewindvoerder heeft bericht gehad van het RDW dat de eigendom van een aantal auto’s was overgeschreven naar derden. De bewindvoerder heeft contact gezocht met [verzoekster] , maar er is geen reactie gekomen.
Vanwege het hoger beroep heeft de bewindvoerder nog geen toestemming bij de kantonrechter gevraagd om bepaalde zaken in gang te zetten. De bewindvoerder wil de beslissing van het hof afwachten voordat actie wordt ondernomen.
De Stichting sluit zich aan bij het standpunt van de bewindvoerder/mentor. Het heeft de voorkeur dat het bewind en mentorschap bij de huidige bewindvoerder en mentor blijft om de belangen van de rechthebbende te behartigen. Dit geldt met name voor het mentorschap.
De motivering van de beslissing
Het hof overweegt op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verklaard als volgt.
Grond voor bewind en mentorschap
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
-
voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
-
voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
In de door de Stichting nagezonden (medische) stukken staat dat bij de rechthebbende (onder meer) sprake is van een vergevorderd stadium van dementie, met verhoogde agitatie en agressie. Het hof concludeert, met betrokkenen, dat de rechthebbende op grond van zijn lichamelijke en geestelijke toestand niet langer in staat is om zijn om zijn (niet-) vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, zodat aan de gronden voor het instellen van het bewind en mentorschap is voldaan.
Gelet op deze diagnose acht het hof de rechthebbende niet in staat om zich uit laten over het verzoek en door het hof gehoord te worden over de verzoeken.
Persoon van de bewindvoerder
Op grond van artikel 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Op grond van het vierde lid wordt bij voorkeur de echtgenoot tot bewindvoerder benoemd, tenzij het derde lid van toepassing is.
Voor zover de bewindvoerder/mentor en de Stichting stellen dat de rechthebbende middels een verzoek tot onderbewindstelling en/of mentorschap in juli 2024 een voorkeur zou hebben uitgesproken voor de benoeming van een professioneel bewindvoerder en mentor, gaat het hof hieraan voorbij, aangezien voldoende aannemelijk is geworden dat de rechthebbende op dat moment niet meer in staat was om zijn wil kenbaar te maken. In mei 2024 was de rechthebbende al met een rechterlijke machtiging ingevolge de Wet zorg en dwang opgenomen in een zorginstelling. Op dat moment was er al sprake van veel achterdocht, onvoorspelbaarheid en met name jegens [verzoekster] agressief gedrag, hetgeen ook past bij het ziektebeeld van de rechthebbende.
De kantonrechter heeft daarom terecht en op goede gronden in eerste aanleg geoordeeld dat de rechthebbende in zijn inleidend verzoek van 27 juli 2024, bij de rechtbank ingekomen op 30 juli 2024, niet-ontvankelijk was.
Aangezien er op grond van het voorgaande niet kan worden aangesloten bij de voorkeur van de rechthebbende, volgt uit de wet dat dan in beginsel de echtgenoot tot bewindvoerder wordt benoemd. Van redenen om hiervan af te wijken is niet, dan wel onvoldoende gebleken.
De rechthebbende en [verzoekster] zijn al vele jaren met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een groot deel van hun leven samen doorgebracht. [verzoekster] heeft onweersproken aangevoerd dat zij gedurende het huwelijk steeds de financiële zaken heeft geregeld. Buiten een kleine hypotheekschuld - waarvoor [verzoekster] onweersproken heeft aangevoerd dat daarvoor gelden ter aflossing zijn gereserveerd - zijn er geen schulden.
De gemeenschap van goederen brengt met zich dat er geen gescheiden vermogen is en dat het [verzoekster] in beginsel vrij staat om over het gehele vermogen te beschikken. Door het instellen van het bewind over het vermogen van de rechthebbende wordt [verzoekster] beperkt in haar rechten en in de regie over haar eigen leven, aangezien de gehele gemeenschap van goederen onder bewind staat. Dat zij hier zorgen over heeft en zij die zorgen tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg geuit heeft, is voorstelbaar en geen reden om aan de wettelijke voorkeur voorbij te gaan. [verzoekster] heeft verder verklaard dat er door de instelling van het bewind schulden zijn ontstaan, omdat zij beperkt toegang heeft tot de gezamenlijke financiële middelen van rechthebbende en [verzoekster] , hetgeen door de bewindvoerder niet is betwist.
De zorgen die door de bewindvoerder naar voren zijn gebracht, zoals de kwestie van eventuele vergoedingsrechten, zijn niet onderbouwd en met name van theoretische aard. Desgevraagd heeft de bewindvoerder niet kunnen toelichten dat er aanwijzingen zijn dat dergelijke zaken zich voordoen en/of dat [verzoekster] bij een eventuele uitvoering van het bewind de rechthebbende zal benadelen. De bewindvoerder lijkt het bewind vanuit een erfrechtelijke zienswijze te benaderen of vanuit het oogpunt van een verdeling na echtscheiding, terwijl dit niet aan de orde is. Door de ziekte en de opname van de rechthebbende bij de Stichting is de huwelijksband weliswaar veranderd, maar dit maakt niet dat [verzoekster] niet als bewindvoerder zou moeten worden benoemd. Het gegeven dat er tussen [verzoekster] en [belanghebbende 3] enige frictie is, valt weliswaar te betreuren, maar dat leidt op zichzelf niet tot een andere beslissing.
Het hof neemt daarbij in overweging dat de rechthebbende geen last heeft van de spanningen binnen de familie. Dit is in ieder geval niet gesteld of gebleken. De rechthebbende wordt goed verzorgd en [verzoekster] gaat meerdere keren per week bij hem op bezoek.
Uit de brief van [belanghebbende 3] blijkt dat zij eveneens nog steeds een fijn contact met de rechthebbende onderhoudt. Er zijn door haar bovendien geen concrete voorbeelden aangedragen waaruit zou blijken dat de rechthebbende in zijn vermogensrechtelijke belangen wordt, dan wel zal worden benadeeld. Zij stelt zich op het standpunt dat het gemeenschappelijke vermogen bedoeld is voor een comfortabele oude dag van de rechthebbende, alsmede van [verzoekster] en dat het niet is bedoeld voor een eventuele erfenis van de nabestaanden.
Het hof ziet ook anderszins geen beletselen om [verzoekster] tot bewindvoerder te benoemen. [verzoekster] is weliswaar al op leeftijd, maar er is geen reden om te twijfelen dat zij die taak niet aan kan. Zo nodig kan zij de hulp van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] inroepen. [verzoekster] heeft voorts toegelicht dat zij wordt bijgestaan door een accountant en notaris, die beiden van alle zaken op de hoogte zijn. Verder zijn er vanuit [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] evenmin zorgen over de capaciteiten van [verzoekster] met betrekking tot de uitvoering van het bewind. Het is ten slotte van belang dat [verzoekster] inzake het bewind verantwoording zal moeten afleggen aan de kantonrechter en dat zij in voorkomende gevallen voor grote financiële beslissingen toestemming (in de vorm van een machtiging) aan de kantonrechter dient te vragen.
De grieven van [verzoekster] slagen in zoverre. Het hof zal op grond van het voorgaande de huidige bewindvoerder ontslaan en [verzoekster] benoemen tot opvolgend bewindvoerder, zoals hierna verder in het dictum is bepaald.
Persoon van de mentor
Op grond van artikel 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Op grond van het vierde lid wordt bij voorkeur de echtgenoot tot mentor benoemd, tenzij het derde lid van toepassing is.
Het staat vast dat de verhouding tussen [verzoekster] en [belanghebbende 3] is verslechterd en dat er onderling veel wantrouwen is. Vanuit [belanghebbende 3] , alsmede vanuit de mentor en de Stichting, zijn er zorgen dat [belanghebbende 3] door [verzoekster] buiten spel zal worden gezet en dat zij geen toegang meer zal krijgen tot de rechthebbende of te zijner tijd geen kans zal krijgen om afscheid te nemen van de rechthebbende, in de situatie dat [verzoekster] tot mentor van de rechthebbende wordt benoemd. [verzoekster] heeft dit gemotiveerd betwist en zij voert aan dat zij het contact tussen [belanghebbende 3] en de rechthebbende op geen enkele wijze in de weg zal staan.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt het hof af dat de standpunten van partijen tegenover elkaar staan en dat er tot op heden sprake is van een moeizame situatie.
Het is voor de rechthebbende van belang dat hij met al zijn kinderen een fijn contact kan onderhouden en dat een verslechterde relatie tussen [belanghebbende 3] en de overige familieleden hier niet aan in de weg moet (komen te) staan.
Vanwege de zorgen die er hierover bestaan lijkt de verhouding tussen [verzoekster] en de Stichting ook onder enige druk te staan, terwijl het voor de uitvoering van het mentorschap en voor de belangen van de rechthebbende van belang is dat er een goede samenwerking is tussen de mentor en de instelling, waar de rechthebbende verblijft.
Op grond van het voorgaande ziet het hof aanleiding om het mentorschap bij de huidige professionele mentor te laten en aan de wettelijke voorkeur voorbij te gaan.
Tussen de Stichting en de huidige mentor bestaat een goede samenwerking en er zijn geen aanwijzingen dat het mentorschap niet naar behoren wordt uitgevoerd.
Bij dit oordeel heeft het hof betrokken dat zowel [verzoekster] als [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat, alhoewel dit niet hun eerste voorkeur heeft, zij er op zich mee zouden kunnen instemmen dat als [verzoekster] tot bewindvoerder wordt benoemd, het mentorschap bij de huidige mentor belegd blijft.
Dit betekent dat de grieven van [verzoekster] in zoverre niet slagen.
Slotsom
Het hof zal hierna de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen voor zover die beschikking ziet op de persoon van de bewindvoerder en de beschikking voor het overige bekrachtigen.
Aantekening curatele- en bewindregister
Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.
Proceskosten
Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
4De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 29 oktober 2024, enkel voor zover die beslissing ziet op de benoeming van [de bewindvoerder / de mentor] h.o.d.n. [naam] tot bewindvoerder over de goederen van [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats] ;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
verleent met ingang van 1 september 2025 aan [de bewindvoerder / de mentor] voornoemd, ontslag als bewindvoerder over de goederen van [de rechthebbende] , voornoemd;
benoemt met ingang van 1 september 2025 [verzoekster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende op een bij het hof bekend adres, tot opvolgend bewindvoerder;
bepaalt dat de huidige bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de opvolgend bewindvoerder en een - zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, overlegt;
bepaalt dat de opvolgend bewindvoerder binnen vier maanden na aanvang van het bewind een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen dient op te maken en een afschrift daarvan dient in te leveren ter griffie (het Bewindsbureau) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.D.M. van der Linden en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
