Essentie (gemaakt door AI)
A-G Ibili: Hof wijst partneralimentatie af omdat vrouw in eigen onderhoud kan voorzien; hof verlangt benutting verdiencapaciteit in Marokko terwijl het uitgaat van gewone verblijfplaats in Nederland en geen concreet vooruitzicht op vertrek. Dat is onbegrijpelijk. Bij huidige situatie moet verdiencapaciteit naar Nederlands recht worden beoordeeld; toekomstige Marokko-situatie speelt nu niet. Conclusie: vernietiging en verwijzing.| Datum publicatie | 19-02-2026 |
| Zaaknummer | 25/02424 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Verdiencapaciteit (NBI); Behoeftig/behoefte |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Partneralimentatie. Verdiencapaciteit. Kan van de alimentatiegerechtigde, wiens verblijfsvergunning is ingetrokken, worden verwacht dat zij inkomsten uit arbeid verwerft, zo niet in Nederland dan in Marokko?Volledige uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02424
Zitting 13 februari 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de vrouw],
verzoekster tot cassatie,
hierna: de vrouw
tegen
[de man],
verweerder in cassatie,
hierna: de man
1Inleiding
In deze zaak heeft het hof het verzoek van de vrouw om vast te stellen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking partneralimentatie aan haar dient te betalen afgewezen, omdat de vrouw geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Op de achtergrond speelt dat de verblijfsvergunning van de vrouw, na beëindiging van de relatie tussen partijen, is ingetrokken door de Immigratie- en Naturalisatiedienst, waardoor het haar niet is toegestaan om in Nederland te werken. De vrouw voert juridische procedures om deze intrekking aan te vechten. In cassatie komt de vrouw op tegen het oordeel van het hof dat het op de weg van de vrouw ligt om haar verdiencapaciteit zo goed mogelijk te benutten, zo niet in Nederland, dan in Marokko.
2Feiten en procesverloop
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
1
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 17 maart 2019 te Tanger, Marokko. De man heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Bij beschikking van 7 juni 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voor zover van belang, als voorlopige voorziening een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.244,- bruto per maand vastgesteld. Na indexering per 1 januari 2025 bedraagt de partneralimentatie € 1.407,- bruto per maand.
Bij beschikking van 4 juni 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voor zover van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het verzoek van de vrouw om vast te stellen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een partneralimentatie van € 1.244,- per maand aan haar dient te betalen afgewezen.
Bij beschikking van 8 april 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam, voor zover van belang, de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de uitgesproken echtscheiding en de beschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd. Het verzoek van de man tot wijziging van de voorlopige voorziening betreffende partneralimentatie is afgewezen.
De vrouw is (tijdig) in cassatie gekomen van voormelde beschikking van het hof (hierna: de bestreden beschikking). De man heeft verweer gevoerd in cassatie.
3Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel keert zich tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) het oordeel van het hof dat de vrouw geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, zodat zij geen recht op partneralimentatie heeft.
Voor zover van belang heeft het hof dit oordeel als volgt gemotiveerd.
Op grond van art. 3 lid 1 Haags Alimentatieprotocol
2 worden onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. Art. 3 lid 2 Haags Alimentatieprotocol bepaalt dat, ingeval van een verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde het recht van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats van toepassing is vanaf het tijdstip waarop de verandering intreedt (rov. 5.13). Tussen partijen is in geschil waar de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft en daarmee welk recht van toepassing is op het alimentatieverzoek van de vrouw (rov. 5.14 t/m 5.16). Volgens het hof is Nederlands recht van toepassing op de verzochte alimentatie. Het hof motiveert dit als volgt:
‘5.18 Het hof neemt bij zijn beoordeling het volgende in aanmerking.
Partijen zijn op 17 maart 2019 in Marokko gehuwd. De vrouw heeft vanaf 15 februari 2020 samen met de man in de echtelijke woning gewoond. Uit een bericht van de IND van 7 juni 2023 blijkt dat de IND op 28 maart 2023 een meldingsformulier van de man heeft ontvangen, waarin is vermeld dat de relatie van de man met de vrouw is beëindigd. Bij beschikking van de IND van 3 juli 2023 is de verblijfsvergunning van de vrouw per 24 februari 2023 ingetrokken. Bij beschikking van de IND van 6 november 2023 is het door de vrouw op 15 september 2023 ingediende bezwaar tegen die beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet is ingediend binnen de termijn van vier weken die hiervoor staat. In die beschikking is vermeld dat de vrouw geen verblijfsrecht meer heeft, wat betekent dat zij niet meer in Nederland mag zijn. De vrouw heeft beroep ingesteld tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning. Zij is in afwachting van een uitspraak in die zaak. De vrouw heeft verder een aanvraag voor verblijf om humanitaire redenen ingediend, welke aanvraag is afgewezen. Bij bericht van de IND van 24 juni 2024 is de ontvangst van het door de vrouw ingediende bezwaar daartegen bevestigd. De vrouw mag de behandeling van het bezwaarschrift in Nederland afwachten. Ook heeft de vrouw een bezwaarschrift ingediend tegen de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf. In deze procedure was op 17 februari 2025 een hoorzitting gepland. De man stelt dat de vrouw van januari 2023 tot en met september 2023, met daartussen een kort verblijf in Nederland, in Marokko heeft verbleven. Volgens hem heeft zij vanaf januari 2023 in Marokko verbleven, waarna zij op 9 april 2023 naar Nederland is teruggekeerd. Vervolgens is de vrouw op 18 april 2023 teruggekeerd naar Marokko na een verblijf van enkele weken in Spanje. Eind mei 2023 is de vrouw weer teruggekeerd naar Nederland voor de zitting in de voorlopige voorziening procedure. Kort daarna is de vrouw via Spanje weer naar Marokko gereisd. De vrouw is begin september 2023 teruggekeerd naar Nederland, aldus de man. De vrouw heeft dit alles weersproken. Zij stelt dat zij sinds 23 april 2023 in Nederland heeft verbleven. Ter zitting heeft zij verklaard: eerst in [plaats 1] en sinds vier maanden in [plaats 2]. Zij stelt dus niet in Spanje dan wel Marokko te zijn geweest.
Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat de vrouw ook gedurende de overige door hem genoemde periodes in Marokko heeft verbleven, tegenover de betwisting door de vrouw, niet voldoende onderbouwd, zodat aan deze stelling wordt voorbijgegaan. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij momenteel in Nederland verblijft en dat zij de intentie heeft om haar leven in Nederland voort te zetten. Uit de door de vrouw overgelegde stukken met betrekking tot de door haar gevoerde juridische procedures kan worden opgemaakt dat zij tracht te bewerkstelligen dat haar (alsnog) een vergunning voor verblijf in Nederland wordt verleend. Op dit moment bestaat geen concreet vooruitzicht op vertrek van de vrouw uit Nederland. Gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft gehad en dat deze niet is veranderd naar Marokko (artikel 3 lid 2 van het Alimentatieprotocol). Dat de vrouw van januari 2023 tot april 2023 in Marokko is geweest en dat zij thans in de BRP slechts een briefadres heeft, zoals de man nog heeft benadrukt, acht het hof in het licht van de voorgaande omstandigheden niet zwaarwegend genoeg om tot een ander oordeel te komen. Dit leidt ertoe dat Nederlands recht van toepassing is op het alimentatieverzoek.’
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw berekend moet worden op basis van de hofnorm, waarbij de huwelijksgerelateerde behoefte van een ex-echtgenoot wordt gesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor hun uiteengaan. Evenmin is in geschil dat voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden uitgegaan van het in de jaaropgaaf 2022 van de man vermelde loon voor loonheffing. Hierop worden de door de man opgevoerde autokosten in mindering gebracht. De vrouw had in 2022 geen inkomen. Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg € 3.266,- per maand. De behoefte van de vrouw bedroeg in 2022 (0,6 x € 3.266,- =) € 1.960,- per maand. Na indexatie per 1 januari 2025 bedraagt de behoefte van de vrouw € 2.292,- per maand (rov. 5.19).
Vervolgens beoordeelt het hof of en, zo ja, in hoeverre de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien:
‘Behoeftigheid
5.20 (…) Vaststaat dat de vrouw niet beschikt over een vergunning voor verblijf in Nederland, waardoor het haar niet is toegestaan om in dit land te werken. Het ligt op de weg van de vrouw om haar verdiencapaciteit zo goed mogelijk te benutten, zo niet in Nederland, dan in Marokko. Het hof volgt de man in zijn stelling dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft ter hoogte van (tenminste) het wettelijk minimumloon (inclusief vakantietoeslag van 8%). Het nettobedrag van het wettelijk minimumloon is niet lager dan de hiervoor becijferde netto behoefte van de vrouw. Van de vrouw kan worden verwacht dat zij in Marokko inkomsten uit arbeid zal verwerven ter hoogte van een bedrag dat – zij het gecorrigeerd voor het welstandspeil in Marokko – overeenstemt met het minimumloon, indien mocht blijken dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in Nederland. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat zij niet volledig in haar behoefte kan voorzien, mede gelet op het verweer van de man dat de vrouw, die op dit moment 36 jaar is, hoogopgeleid is, meerdere talen (Arabisch, Frans, Engels) spreekt en voorafgaand aan het huwelijk van partijen werkervaring in Marokko heeft opgedaan, zoals ook blijkt uit het door de man (als productie 9) bij zijn verweerschrift in hoger beroep overgelegde curriculum vitae van de vrouw. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat zij vanwege gezondheidsproblemen (inflammatoire darmziekte) niet kan werken, heeft zij onvoldoende toegelicht waarom deze aandoening dat verhindert. De vrouw heeft weliswaar een uitdraai van het patiëntendossier van de huisarts en een medicatieoverzicht overgelegd, waarin is vermeld ‘inflammatoire darmziekten’ en waaruit kan worden opgemaakt dat zij medische problemen heeft gehad, maar uit deze stukken, alsmede uit de door de man overgelegde stukken met betrekking tot een op 10 juni 2022 verrichte coloscopie en een klysmakuur, is niet gebleken dat sprake is van blijvende medische klachten die maken dat zij (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is. De vrouw heeft een verklaring van Stichting Home Empowerment van 28 augustus 2024 overgelegd, waarin is vermeld dat zij psychische klachten heeft overgehouden aan de relatie met de man, dat zij niet in staat is geweest om te werken en dat zij tijd nodig heeft om haar mentale gesteldheid intact te krijgen. Nu de man de inhoud van deze verklaring, die uitsluitend is opgesteld op basis van met de vrouw gevoerde gesprekken, heeft weersproken, is dit stuk alleen onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw de hiervoor genoemde verdiencapaciteit vanwege psychische klachten niet kan worden toegekend.’
Omdat de vrouw geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, wordt het verzoek om partneralimentatie afgewezen (rov. 5.21).
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof met betrekking tot de behoeftigheid van de vrouw. Het middel bestaat uit vier subonderdelen.
Subonderdeel 1.1 voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 5.20, dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij haar verdiencapaciteit gebruikt door in Marokko inkomen te genereren, innerlijk tegenstrijdig is met de overwegingen van het hof in rov. 5.18, dat de vrouw feitelijk in Nederland verblijft, voorlopig ook in Nederland mag blijven en dat op dit moment geen concreet vooruitzicht bestaat op vertrek van de vrouw uit Nederland.
Subonderdeel 1.2 betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 5.20 over de behoeftigheid van de vrouw onbegrijpelijk is, omdat het hof een leemte laat bestaan voor de situatie dat de vrouw in Nederland verblijft. Zolang de vrouw in Nederland verblijft, kan zij haar verdiencapaciteit niet in Marokko benutten en is zij behoeftig, ook omdat vaststaat dat zij niet in Nederland mag werken. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw pas inkomsten in Marokko zal gaan verwerven indien zou blijken dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in Nederland.
Ik meen dat deze klachten terecht zijn voorgesteld. Ik leg dit als volgt uit. In cassatie geldt als onbestreden uitgangspunt dat de partneralimentatie op grond van art. 3 lid 1 Haags Alimentatieprotocol wordt beheerst door Nederlands recht, omdat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft (rov. 5.18). Het hof heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld (volgens de hofnorm) naar Nederlands recht (rov. 5.19). Vaststaat dat de vrouw niet beschikt over een verblijfsvergunning in Nederland, waardoor het haar niet is toegestaan om in Nederland te werken (rov. 5.20). Tegen deze achtergrond kan ik het oordeel van het hof in rov. 5.20, dat het op de weg van de vrouw ligt om haar verdiencapaciteit zo goed mogelijk te benutten, zo niet in Nederland, dan in Marokko, niet goed volgen. Dit oordeel is onbegrijpelijk aangezien de vrouw niet in Nederland mag werken en, naar het hof in rov. 5.18 heeft vastgesteld, op dit moment geen concreet vooruitzicht bestaat op vertrek van de vrouw uit Nederland.
Nu het uitgangspunt is dat de gewone verblijfplaats van de vrouw in Nederland is gelegen en op dit moment geen concreet vooruitzicht bestaat op vertrek van de vrouw uit Nederland, had het hof de verdiencapaciteit van de vrouw (uitsluitend) met het oog op die situatie moeten vaststellen. Door van de vrouw te verlangen dat zij in Marokko inkomsten uit arbeid verwerft ter hoogte van een bedrag dat (gecorrigeerd voor het welstandspeil in Marokko) overeenstemt met het minimumloon, voor het geval mocht blijken dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in Nederland, heeft het hof miskend dat op de verzochte partneralimentatie moet worden beslist voor de (huidige) situatie waarbij de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft en niet voor een eventuele toekomstige situatie waarbij de vrouw haar gewone verblijfplaats in Marokko zou hebben. Indien mocht blijken dat de vrouw op enig moment haar gewone verblijfplaats naar Marokko heeft verplaatst, dan zal op grond van art. 3 Haags Alimentatieprotocol met toepassing van Marokkaans recht de verdiencapaciteit van de vrouw voor die (nieuwe) situatie bepaald moeten worden. Die situatie lag echter niet voor aan het hof.
Subonderdeel 1.3 betoogt dat, voor zover het oordeel van het hof over de behoeftigheid is gebaseerd op de overweging dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij in Marokko inkomsten uit arbeid zal verwerven ter hoogte van het bedrag dat overeenstemt met het minimumloon (gecorrigeerd voor het welstandspeil in Marokko), zodat zij dan in haar behoefte kan voorzien, dat oordeel onbegrijpelijk is. Het hof heeft immers niet geoordeeld wat de behoefte van de vrouw zou zijn indien zij op enig moment in Marokko zou moeten verblijven, omdat zij niet voor een verblijfsvergunning in Nederland in aanmerking zou komen. Het hof heeft de behoefte van de vrouw naar Nederlandse maatstaven vastgesteld op € 2.292,- per maand en niet vastgesteld wat de behoefte van de vrouw zou zijn indien zij in Marokko zou verblijven.
De klacht faalt. Gelet op de gewone verblijfplaats van de vrouw in Nederland en in aanmerking genomen dat op dit moment geen concreet vooruitzicht bestaat op vertrek van de vrouw uit Nederland, heeft het hof met toepassing van Nederlands recht de behoefte van de vrouw vastgesteld voor de huidige situatie waarin de vrouw zich bevindt. Aan het hof lag niet voor de situatie waarbij de vrouw haar gewone verblijfplaats in Marokko heeft, zodat de bepaling van de behoefte van de vrouw voor die situatie (op grond van art. 3 Haags Alimentatieprotocol) naar Marokkaans recht achterwege kon blijven.
Subonderdeel 1.4 bouwt voort op het vorige subonderdeel en deelt daarmee hetzelfde lot.
Ik kom tot de conclusie dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie rov. 3.1 e.v. van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2025.
Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, ‘s-Gravenhage, 23 november 2007, Trb. 2011, 145.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
