Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep in gezag-/omgangskwestie waarin het hoofdverblijf van beide kinderen bij moeder is bepaald. Hof acht bij hoofdverblijf het belang van de kinderen leidend, mede gezien gespannen ouderrelatie en gebrekkig overleg; één inschrijvingsadres voorkomt ongelijkheid en extra conflict. Co-ouderschap blijft. Kinderalimentatie: vader levert onvoldoende (conforme reglement) financiële gegevens; draagkracht vader €50 p/m (twee kinderen), zorgkorting vervalt wegens tekort. Alimentatie vanaf heden €25 per kind p/m; eerdere €145,| Datum publicatie | 17-02-2026 |
| Zaaknummer | 200.351.612/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Kinderen; Hoofdverblijfplaats; Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Hoofdverblijfplaats (en kinderalimentatie). Het is niet in het belang van de kinderen dat de één bij de vader en de ander bij de moeder staat ingeschreven. Dat kan niet alleen leiden tot nog meer spanningen tussen de ouders, die effect hebben op de kinderen, maar ook tot ongelijkheid tussen de kinderen. Het is beter voor de kinderen dat de administratie in één hand blijft.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.612/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 186268)
beschikking van 10 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. H.C.L. Crozier te Sneek,
en
[verweerder] (de vrouw),
die woont in [woonplaats1] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. T.E. Heslinga te Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen-)beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 maart 2023, 5 september 2023 en
27 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 27 november 2024 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 februari 2025;
- een brief namens de vader van 27 maart 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 24 april 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 5 december 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 10 december 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 12 december 2025 met bijlage(n).
Het bij het journaalbericht van 10 december 2025 gevoegde persoonlijke relaas van de vader (productie 1) is door het hof niet als processtuk geaccepteerd. De overige bijlagen bij dat journaalbericht (producties 2 tot en met 4) maken wel deel uit van het procesdossier van het hof.
De mondelinge behandeling heeft op 16 december 2025 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3De feiten
Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2015; en
- [minderjarige2] , geboren [in] 2017.
Het huwelijk van partijen is [in] 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Bij beschikking van 5 september 2023 zijn de ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding (KKE) voor ouderschapsmediation. Het is de ouders daarbij niet gelukt om afspraken te maken over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie.
De kinderen verblijven op grond van de bestreden beschikking de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder (co-ouderschap).
4Het geschil
Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking is bepaald, voor zover in hoger beroep van belang:
- dat [minderjarige1] zijn hoofdverblijf heeft bij de vader en [minderjarige2] zijn hoofdverblijf bij de moeder;
- dat de vader met ingang van de datum van de (bestreden) beschikking € 145,- per kind per maand moet betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [minderjarige1] en [minderjarige2] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen, voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken.
De vader komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De grieven zien op de hoogte van de vastgestelde kinderalimentatie. De vader verzoekt het hof (primair) de bestreden beschikking voor wat betreft de vaststelling van de kinderalimentatie te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat partijen over en weer geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding leveren en dat alleen de verblijfsoverstijgende kosten bij helfte worden verdeeld.
Subsidiair verzoekt de vader de door hem te betalen kinderalimentatie opnieuw vast te stellen op € 48,- per maand voor [minderjarige2] , althans een bijdrage die het hof juist acht, en het verzoek om vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige1] af te wijzen, althans een bijdrage vast te stellen die het hof juist acht, tot het moment dat [minderjarige1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft.
De moeder voert verweer en komt op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep. De grief ziet op het hoofdverblijf van [minderjarige1] . De moeder verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de verzoeken van de vader af te wijzen en in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover daarbij is bepaald dat [minderjarige1] zijn hoofdverblijf bij de vader heeft, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat [minderjarige1] zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft.
De vader voert verweer en verzoekt het hof het (incidenteel) hoger beroep van de moeder af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding, althans kosten rechtens.
5De overwegingen voor de beslissing
Hoofdverblijfplaats en inschrijving basisregistratie personen (BRP)
Anders dan de kinderrechter, overweegt het hof dat in het onderhavige geval niet de financiën, maar het belang van de kinderen de doorslag moet geven bij beantwoording van de vraag bij welke ouder een kind het hoofdverblijf moet hebben. Het hof is van oordeel dat dit belang vergt dat het hoofdverblijf van beide kinderen bij de moeder moet worden bepaald.
In het algemeen geldt dat tussen (gezaghebbende) ouders overleg nodig is over financiële en administratieve zaken ten aanzien van hun kinderen, evenals over alle andere zaken die de kinderen aangaan. Dit geldt temeer als het ene kind bij de ene ouder staat ingeschreven en het andere kind bij de andere ouder, omdat in dat geval de ene ouder immers belangrijke post ontvangt en de administratie verzorgt voor het ene kind en de andere ouder voor het andere kind.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat er in de huidige praktijk tussen de vader en de moeder veel spanningen zijn. Constructief overleg is niet goed mogelijk en gebeurt (te) weinig. Zo heeft de vader zonder aankondiging of overleg de BSO opgezegd, terwijl dit (ook) financiële en organisatorische consequenties voor de moeder heeft. Daarnaast twijfelt de moeder of belangrijke informatie door de vader wel (tijdig) met haar wordt gedeeld. Er is bijvoorbeeld onduidelijkheid over de door de vader al dan niet ontvangen oproep voor het rijksvaccinatieprogramma voor [minderjarige1] . Nu onderling overleg tussen de ouders te weinig gebeurt dan wel moeizaam verloopt, is het niet in het belang van de kinderen dat de één bij de vader en de ander bij de moeder staat ingeschreven. Dat kan niet alleen leiden tot nog meer spanningen tussen de ouders, die effect hebben op de kinderen, maar ook tot ongelijkheid tussen de kinderen. Het is daarom beter voor de kinderen dat de administratie in één hand blijft, in dit geval door bepaling van het hoofdverblijf van de beide kinderen bij de moeder en daarmee inschrijving op haar adres.
Ten overvloede merkt het hof op dat voor zover de vader heeft aangevoerd dat het voor de kinderen eerlijker verdeeld zou zijn als elk kind bij één ouder staat ingeschreven, het voor de kinderen vooral van belang is dat zij met beide ouders een vergelijkbaar zinvol contact hebben. Het feit dat zij op grond van de co-ouderschapsregeling evenveel bij beide ouders verblijven legt in dit geval -voor de kinderen- meer gewicht in de schaal dan de bepaling van het hoofdverblijf en inschrijving op het adres van de moeder.
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de moeder in incidenteel hoger beroep wordt toegewezen en dat ook het hoofdverblijf van [minderjarige1] bij haar wordt bepaald.
De kinderalimentatie
De vader verzoekt wijziging van de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie. Hij heeft echter in eerste aanleg geen financiële gegevens overgelegd. De vader heeft in hoger beroep beperkt financiële gegevens overgelegd, in elk geval niet conform het geldende procesreglement. Dat komt voor zijn rekening en risico. Het hof ziet daarom geen kans en aanleiding om op basis van de beschikbare financiële gegevens de draagkracht van de vader per datum van de beschikking van de rechtbank anders te berekenen dan de rechtbank heeft gedaan. Wel zal het hof op basis van de beschikbare gegevens en de actuele situatie de verschuldigde bijdrage opnieuw berekenen.
De behoefte
De hoogte van de behoefte van de kinderen is tussen partijen niet in geschil. Deze bedraagt geïndexeerd naar 2026 € 527,- per kind per maand.
Inkomen en draagkracht van de vader
Volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak (de Expertgroep) berekent de rechter de door een ouder te betalen kinderalimentatie aan de hand van het Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) van die ouder, door middel van de volgende formule: 70% [NBI -/- (NBI x 0,3 + 1.310)]. De Expertgroep heeft ook bepaald dat genoemde formule gebruikt kan worden bij een NBI (in 2026) van € 2.200,- of hoger per maand. Tot een NBI van € 2.200,- per maand worden vaste tabelbedragen aanbevolen (de draagkrachttabel 2026).
Het hof berekent het inkomen van de vader aan de hand van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022, 2023 en 2024. Uit de jaarstukken over 2023 en 2024 volgt dat de winst uit onderneming in 2022 € 14.829,- bedroeg, in 2023 € 24.546,- en in
2024 € 26.640,-. Dit leidt tot een gemiddelde winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek) van € 22.005,- op jaarbasis en daarbij berekent het hof een NBI van
€ 1.756,- per maand. Tot een NBI van € 1.950,- per maand geldt conform de aanbevelingen van de Expertgroep een vast tabelbedrag van € 50,- voor twee kinderen. Dit is de draagkracht van de vader.
De zorgkorting
Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de zorgregeling een zorgkorting van 35% van toepassing is. Dit is een bedrag van € 368,- voor de beide kinderen.
De draagkracht van de moeder
Het hof sluit voor de draagkracht van de moeder aan bij de berekening van de rechtbank, nu het daarin gehanteerde inkomen nagenoeg overeenkomt met de door haar ingebrachte jaaropgaven 2024 en salarisspecificaties 2025. Onder de tarieven van 2026-I leidt dit tot een NBI van € 3.043,- per maand en een bijbehorende draagkracht van € 536,- per maand.
De verdeling van de kosten van de kinderen
De behoefte van de kinderen bedraagt in 2026 € 527,- per kind per maand, oftewel
€ 1.054,- voor de beide kinderen. De gezamenlijke draagkracht van de ouders is € 586,- per maand voor de beide kinderen. De ouders hebben samen derhalve onvoldoende draagkracht om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien. Uit de bijgevoegde berekening blijkt dat er sprake is van een tekort van (€ 1.054,- - € 586,- =) € 468,-.
Dat betekent dat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven en dat de vader conform zijn beschikbare minimum draagkracht van € 50,- dient bij te dragen. Daarnaast draagt de vader (boven zijn draagkracht) de kosten van de kinderen op de dagen dat zij bij hem zijn. Omdat het tekort aan draagkracht groter is dan de zorgkorting kan geen zorgkorting worden toegepast.
De door de vader te betalen kinderalimentatie
Het voorgaande leidt er toe dat het hof de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 145,- per kind per maand tot de datum van deze beschikking in stand laat. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de vastgestelde kinderalimentatie met ingang van heden vernietigen, en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige1] en [minderjarige2] met ingang van heden vaststellen op € 25,- per kind per maand.
Proceskostenveroordeling
Ten aanzien van de door de vader gevraagde proceskostenveroordeling ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van het in familiezaken gebruikelijke uitgangspunt dat de kosten worden gecompenseerd, dat wil zeggen dat iedere partijen de eigen kosten draagt. Dit verzoek wordt afgewezen.
6De slotsom
Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] bij de vader en bepalen dat [minderjarige1] voortaan zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie vernietigen met ingang van heden en bepalen dat de vader met ingang van heden een bedrag van € 25,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen. Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren.
7De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
27 november 2024, voor zover daarbij is bepaald dat [minderjarige1] , geboren [in] 2015, zijn hoofdverblijfplaats bij de vader (de man) heeft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat [minderjarige1] , geboren [in] 2015, zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder (de vrouw);
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
27 november 2024 met ingang van heden, voor zover het de hoogte van de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige1] , geboren [in] 2015 en [minderjarige2] , geboren [in] 2017 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van de datum van deze beschikking, te weten
3 februari 2026, een bedrag van € 25,- per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige1] , geboren [in]
2015 en [minderjarige2] , geboren [in] 2017, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.A.F. Veenstra en L. van Dijk, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
