Rechtbank Den Haag 24-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27316

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheidingszaak. Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd gezagsbeslissingen te nemen. Kinderen hebben sinds 2021 hun gewone verblijfplaats in Turkije. Niet voldoende dat ouders bevoegdheid NL-rechter aanvaarden: ongeacht waar ouders hun gewone verblijfplaats hadden en wie de ouderlijke verantwoordelijkheid droegen, is het in belang van in Turkije verblijvende kinderen dat daar door Turkse rechter over hen wordt beslist, mede gezien art.10 HKBV 1996. Wel beslissing over scheiding en regresrecht ivm huurachterstand.

Datum publicatie17-02-2026
ZaaknummerC/09/675115 / FA RK 24-7870
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenIPR familierecht; IPR ouderlijke verantwoordelijkheid;
Familievermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Rechtbank niet bevoegd voor verzoeken over de kinderen. Toewijzing regresvordering wegens huurachterstand.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 24-7870 (scheiding) en FA RK 25-1251 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/675115 (scheiding) en C/09/680510 (verdeling)

Datum beschikking: 24 december 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 29 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

volgens de Basisregistratie Personen (BRP) wonende in Nederland, volgens eigen opgave wonende in Turkije,

advocaat: mr. G. Koyak in Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] (voor het huwelijk: [de vrouw] ),

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H. Uzumcu in Rijswijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, namens de man;

  • het bericht van 7 november 2024, met bijlage, namens de man;

  • het bericht van 20 december 2024, met bijlagen, namens de man;

  • het bericht van 31 december 2024, met bijlage, namens de man;

  • het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, namens de vrouw, ingekomen op

16 januari 2025;

  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met bijlagen, namens de man, ingekomen op 4 februari 2025;

  • het bericht van 23 mei 2025 namens de man;

  • de brief van 14 oktober 2025, met bijlagen, namens de man;

  • de brief van 16 november 2025, met aanvullende zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de vrouw;

  • het bericht van 19 november 2025 namens de vrouw;

  • het bericht van 21 november 2025 namens de man.

Op 26 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en tolk M. Ates, de vrouw met haar advocaat en tolk M.A. Budak, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2001 in [plaats] , [land] .

  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ;

  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2] , [land] .

en van de inmiddels meerderjarige:

  • [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2004 in [geboorteplaats 1] .

  • De man, de vrouw en de kinderen hebben volgens de BRP in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. Volgens de man en de vrouw hebben zij beiden ook de Turkse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;

  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de vrouw en de kinderen omgang hebben op dagen in onderling overleg te bepalen;

  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;

  • toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ;

  • althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie acht,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de vrouw – na wijziging – zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;

  • bepaling dat hetgeen in het ouderschapsplan is aangegeven zal gelden, dan wel op een door de rechtbank te bepalen wijze, al dan niet als aanpassing op bepaalde onderdelen van het ouderschapsplan;

  • bepaling dat de man aan de vrouw een bedrag van € 2.000,- moet voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de overboeking tot de dag van algehele voldoening;

  • primair: bepaling dat de man aan de vrouw een bedrag van € 902,30 moet voldoen en

subsidiair: bepaling dat partijen ieder voor de onverdeelde helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 1.804,60;

  • toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ;

  • althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie acht,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Beide partijen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 onder vi van de Verordening (EG) Nr 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter) bevoegd is om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding.

De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Echtscheidingsprocedure in Turkije

Het is de rechtbank gebleken dat er op dit moment twee echtscheidingsprocedures lopen; een procedure in Nederland en een procedure in Turkije. Nederland en Turkije zijn beiden partij bij het Luxemburgs echtscheidingsverdrag 1967. Zowel de man als de vrouw hebben op de zitting verklaard dat de procedure in Turkije later is gestart dan deze procedure. Op grond van artikel 10 van het Luxemburgs echtscheidingsverdrag 1967 kan de Nederlandse rechter als eerst aangezochte rechter een beslissing over de echtscheiding nemen en hoeft de rechtbank de uitspraak in Turkije niet af te wachten.

Ouderschapsplan

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.

De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling voor de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende gebleken dat de ouders niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank partijen toch ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

Rechtsmacht

De rechtbank zal eerst ingaan op de bevoegdheid en vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken ten aanzien van de kinderen kennis te nemen.

Artikel 10:113 BW bepaalt dat op de bescherming van kinderen van toepassing zijn het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996), de verordening Brussel II-ter en de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming. Aangezien Turkije geen lid is bij de verordening Brussel II-ter zal de rechtbank de bevoegdheid toetsen op grond van het HKBV 1996.

Artikel 5 HKBV 1996 bepaalt dat bevoegd is de rechter van de verdragsluitende staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in dit geval in Turkije is. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is namelijk gebleken dat de kinderen al sinds november 2021 in Turkije wonen en dat zij daar ook naar school gaan. Op grond van artikel 5 HKBV 1996 is daarom in beginsel de Turkse rechter bevoegd.

Op basis van artikel 10 HKBV 1996 zou de Nederlandse rechter toch bevoegd kunnen zijn als:

  1. op het tijdstip van de aanvang van de procedure een van de ouders zijn of haar gewone verblijfplaats heeft in die Staat en een van hen de ouderlijke verantwoordelijkheid over het kind heeft, en

  2. de bevoegdheid van deze autoriteiten om dergelijke maatregelen te nemen zowel door de ouders is aanvaard, als door enige andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het kind, en het belang van het kind daarmee is gediend.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de genoemde cumulatieve vereisten niet voldaan. Het is niet voldoende dat de man en de vrouw de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aanvaarden. Ongeacht waar de ouders bij de aanvang van de procedure hun gewone verblijfplaats hadden en wie de ouderlijke verantwoordelijkheid over de kinderen hadden, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de kinderen niet is gediend bij een beslissing van de Nederlandse rechter. De kinderen verblijven al geruime tijd, volgens de BRP vanaf 2021, volledig in Turkije. In Turkije lopen er ook al procedures met betrekking tot de kinderen. De standpunten van partijen ten aanzien van de kinderen staan haaks op elkaar, zodat het voor de hand ligt dat de Turkse rechter hierover beslist. De Nederlandse rechter heeft in dit geval namelijk geen zicht op wat er in het belang van de kinderen is. De Turkse rechter heeft daar meer zicht op. Dit betekent dat de Nederlandse rechter ook op grond van artikel 10 HKBV 1996 niet bevoegd is om beslissingen over de kinderen te nemen.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van en zorgregeling voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

Huurrecht echtelijke woning

Op de zitting hebben beide partijen hun verzoek ten aanzien van het huurrecht ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen.

Afwikkeling huwelijksvermogensregime

Op de zitting heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen.

Regresvordering wegens huurachterstand

De vrouw stelt dat partijen ter beëindiging van een geschil over een huurachterstand met hun verhuurder Stedelink op 12 november 2025 bij deze rechtbank een regeling zijn overeengekomen, op grond waarvan zij in totaal € 5.804,60 moeten betalen. De vrouw stelt dat zij al een bedrag van € 4.000,- heeft betaald, omdat de man weigerde zijn aandeel te betalen. Er resteert nog een schuld van € 1.804,60. De vrouw verwacht dat de man zijn deel hiervan ook niet zal betalen. Zij verzoekt te bepalen dat de man de helft van het totale bedrag aan haar moet betalen.

De man geeft aan dat hij al anderhalf jaar niet meer in de huurwoning verblijft. Volgens de man is het onredelijk als hij de helft van de vordering moet betalen, omdat hij slechts op papier de huurder van de echtelijke woning is geweest.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn beiden huurder van de betreffende woning en hebben in die hoedanigheid samen een huurschuld laten oplopen. De rechtbank kan niet vaststellen of dit een schuld is die ziet op de periode voor of na de peildatum van 29 oktober 2024, de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is ingediend. In ieder geval staat vast dat partijen recentelijk, op 12 november 2025, een schikking hebben getroffen, waarbij zij zijn overeengekomen dat in totaal een bedrag van € 5.804,60 aan de verhuurder zal worden voldaan. De rechtbank ziet in de onduidelijkheid over de gewone verblijfplaats van de man en de tegenstrijdige verklaringen daarover van de man onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de ontstane schuld. In deze overweging betrekt de rechtbank het feit dat in het proces-verbaal van overeenstemming beide partijen zijn opgenomen en niet alleen de vrouw. Niet in geschil is dat de vrouw inmiddels € 4.900,- aan de verhuurder heeft betaald en dat zij ook de resterende schuld aan Stedelink zal voldoen. De vrouw heeft daarom op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de man voor de helft van het door haar betaalde en nog te betalen bedrag aan de verhuurder. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man ter zake van de schuld aan de verhuurder, een bedrag van € 2.902,30 aan de vrouw moet betalen.

Proceskosten

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 7 augustus 2001 in [plaats] , [land] ;

*

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en een zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen:

  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ;

  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2] , [land] ;

*

bepaalt ten aanzien van de schuld zoals genoemd in de schikkingsovereenkomst met Stedelink van 12 november 2025, dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn en dat de man een bedrag van € 2.902,30 aan de vrouw moet voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, ook kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 december 2025.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733